Het is misschien naïef, dat wist Ben Ferencz ook wel. Maar wat nou als er nooit meer oorlog zou zijn? Dat staten hun geschillen niet meer uitvechten met geweld, maar via een rechter. Zoals buren naar De Rijdende Rechter stappen om recht van overpad of over het snoeien van een eik die over de erfgrens hangt. Law, not war. Dat was de droom van Ferencz.
Die is actueler en misschien wel verder weg dan ooit met de oorlog in Oekraïne. Waar opnieuw op grote schaal oorlogsmisdaden worden gepleegd en het maar de vraag is of en hoe de verantwoordelijken ooit verantwoordelijk gehouden worden. Ja, er ligt tegen de Russische president Poetin een arrestatiebevel van het Internationaal Strafhof – een geesteskind van Ferencz – maar de kans is klein dat hij ooit voor het gerecht komt.
Over de auteur
Joram Bolle is algemeen verslaggever van de Volkskrant.
Als het aan Ferencz lag, zouden er nooit meer oorlogsmisdaden vervolgd hoeven worden, omdat ze nooit meer gepleegd worden. Achteraf bestaat er geen manier om de slachtoffers echt recht te doen. Voor de grootste misdaden als genocide is het immers onmogelijk om vergelding te vinden, zelfs niet als je het oog-om-oog-principe hanteert. Bovendien brengt geen enkele straf de slachtoffers terug.
Zijn denkbeelden komen voort uit zijn betrokkenheid bij de naoorlogse processen tegen hooggeplaatste nazi’s in Neurenberg. De 27-jarige Ferencz had de leiding in het zogeheten Einsatzgruppen-proces, waarin 22 nazi-officieren terecht stonden voor hun rol bij de SS-doodseskaders in Oost-Europa, die minstens een miljoen slachtoffers maakten, vooral Joden. Het werd het grootste moordproces ooit genoemd.
Dertien van de 22 kregen de doodstraf, al was dat niet wat Ferencz wilde: ‘Ik heb ook niet om de doodstraf gevraagd. Ze hadden een miljoen mensen vermoord, wat wil je dan doen? Ze in een miljoen stukjes hakken en aan de honden voeren? Er was geen passende straf denkbaar.’
Bovendien vond hij: ‘Oorlog maakt moordenaars van mensen die in andere omstandigheden fatsoenlijk zijn. Alle oorlogen, en alle fatsoenlijke mensen.’ Dat ontslaat die ‘fatsoenlijke’ moordenaars niet van hun verantwoordelijkheid: ‘Oorlog is geen abstract gegeven. Het zijn mensen die een oorlog beginnen. En misdaden worden gepleegd door individuen.’
Maar ‘wraak is niet ons doel’, zei hij in zijn pleidooi tijdens het Einsatzgruppen-proces. ‘We vragen deze rechtbank om het recht van de mens om in vrede en waardigheid te leven te bevestigen, door middel van internationale strafmaatregelen.’
Al jong werd de Hongaars-Joodse Ferencz ermee geconfronteerd dat dat recht allerminst vanzelfsprekend was. Hij werd in 1920 geboren in het Transsylvanische Șomcuta Mare – de Roemeense naam – of Nagysomkút – de Hongaarse naam. Op dat moment was het dorp bezet door Roemenië, na het Verdrag van Trianon moest Hongarije het als verliezer van de Eerste Wereldoorlog officieel afstaan.
Toen hij tien maanden oud was vluchtten zijn ouders met hem en zijn zus voor antisemitisch geweld tegen de Hongaars-Joodse minderheid. Ze vertrokken naar New York, waar ze terechtkwamen in Hell’s Kitchen, een arme buurt met veel misdaad. Daar ontstond Ferencz’ interesse in het voorkomen van criminaliteit.
Hij studeerde rechten aan Harvard, maar toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak wilde hij in dienst bij het leger. Omdat hij niet in de VS was geboren, werd hij afgewezen bij de militaire inlichtingendienst. De luchtmacht wilde hem niet vanwege z'n geringe lengte: 1,50 meter. Uiteindelijk kwam hij terecht bij een artilleriebataljon dat vliegtuigen uit de lucht moest schieten. Hij nam deel aan de invasie van Normandië op D-day.
Later kreeg hij een speciale rol toebedeeld vanwege z'n achtergrond in het recht. Ferencz moest bewijzen verzamelen voor oorlogsmisdaden in bevrijde concentratiekampen. In Mauthausen en Buchenwald zag hij de gruwelijkheden waar de mens toe in staat is: ‘Tussen de overweldigende stank van brandende skeletten, werd ik blootgesteld aan de vuiligheid van dysenterie, diarree, tyfus en andere ziekten die de uitgemergelde lichamen van de bevrijde gevangenen kwelden.’
Ferencz trof in de omringde bossen massagraven aan van dodenmarsen. ‘Mijn zintuigen raakten verdoofd om mijn verstand niet te verliezen.’ Hij bezwoer nooit meer naar Duitsland te gaan.
Maar het duurde niet lang tot hij er weer terugkeerde. Hij ondersteunde hoofdaanklager Telford Taylor bij de twaalf processen van Neurenberg die volgden op de processen tegen de grootste nazikopstukken als Hermann Göring en Rudolf Hess. Taylor benoemde Ferencz tot aanklager tijdens het Einsatzgruppen-proces.
Hij was de eerste die de term ‘genocide’ gebruikte in een rechtszaal, bedacht door de Pools-Joodse advocaat Raphael Lemkin. Volkorenmoord had toen nog geen juridische status: ‘Dat wist ik goed, maar dat kon me niets schelen. Dus ik gebruikte het in mijn pleidooi, hoewel het juridisch niet kon.’ In 1948 sloten de Verenigde Naties het Genocideverdrag, mede door Ferencz’ inspanningen.
Zijn grote frustratie was dat het veertig jaar duurde voor de VS het verdrag ratificeerden. Diezelfde frustratie voelt hij bij het Internationaal Strafhof (ICC), waar Ferencz zijn carrière lang voor ijverde. Een permanent hof voor de vervolging van genocide en oorlogsmisdaden was volgens hem hét antwoord op de altijd sluimerende dreiging van wreedheid en oorlog. Maar slechts 120 landen erkennen het. Rusland en China niet, evenmin als de VS.
Het leiderschap dat de VS in Neurenberg toonden als inspirator van het internationaal recht is weg, meende Ferencz. Daarom bleef hij tot op hoge leeftijd doorwerken, om zijn droom te verwezenlijken van een daadwerkelijk rechtvaardig internationaal recht: ‘Ik zeg weleens: ik heb geen tijd om dood te gaan.’
In de documentaire Prosecuting Evil (2018) was te zien hoe de stokoude Ferencz nog elke dag fit trachtte te blijven. Hij zwom en probeerde dagelijks honderd push-ups te doen.
Ferencz wilde de Amerikaanse president Clinton er in 2000 van overtuigen het ICC te erkennen. Hij schreef een brief met Robert McNamara, die tijdens een deel van de Vietnamoorlog de Amerikaanse minister van Defensie was: ‘McNamara had een van de eerste beklaagden kunnen worden.’
Ook zijn kinderen moesten zich inzetten voor een rechtvaardigere wereld, vond Ferencz. Elke avond vroeg hij tijdens het eten: ‘Wat hebben jullie vandaag voor de mensheid gedaan?’ Als ze niks konden bedenken kregen ze geen toetje.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden