Home

Grazyna Bacewicz was goed. Héél erg goed

Eigenlijk had ik al na de derde aflevering van deze rubriek toch minstens één boze brief verwacht. Zo een van: ‘Geachte redactie, leuk dat jullie iets aan klassieke muziek doen, maar jullie muziekredacteur presteert het om ons al drie afleveringen achter elkaar alleen maar dode witte mannelijke componisten voor te schotelen. Joehoe! Waar zijn de componerende chicks?!’

Het is treurig, maar waar: vrouwen vormen in de canon zo’n kleine minderheid, dat ik met gemak nog honderd afleveringen door zou kunnen gaan zonder één componiste langs te laten komen. Het zou de meeste lezers waarschijnlijk niet eens opvallen; de klachten zijn tot dusver uitgebleven.

Tot in de vorige eeuw was componeren iets wat je als vrouw niet werd geacht te doen: het werd ontmoedigd of verboden. Dat was niet alleen heel onaardig van onze voorouders tegenover het vrouwelijk deel van de bevolking. Nee, die lui hebben ook hun nazaten, ons, benadeeld. Hoeveel geweldige muziek hadden we nog meer gehad als ook die ándere helft van de mensheid in de gelegenheid was gesteld Grote Kunst voort te brengen?

Er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen geweest, vrouwen die er wél in slaagden muziek te maken en uitgevoerd te krijgen. Het wrange is dat het nu vaak hun sekse is die aan de basis staat van hun (her)waardering. Zo stuitte ik jaren geleden op zo’n speciaal lijstje met vrouwelijke componisten, waarin Grazyna Bacewicz werd genoemd. Het is niet de mooiste manier om kennis met iemand te maken, maar ik ben toch heel blij dat ik Bacewicz heb leren kennen, want zij was heel erg goed. Luister maar.

Grazyna Bacewicz (1909-1969) werd geboren in Lodz, haar familie was van Pools-Litouwse afkomst. In eigen land behaalde ze al vroeg allerlei prijzen met haar composities, maar haar talent op viool overschaduwde haar componeren soms. Voor haar eigen instrument schreef ze met het grootste gemak. Opvallend is het kwartet (1949) voor de ongebruikelijke combinatie van vier violen. Hierin zien we de toegankelijkere kant van een componist die meanderde tussen neoclassicisme en avant-garde, maar die zich uiteindelijk aan elk stilistisch keurslijf onttrok.

In Nederland mag ze dan vrij onbekend zijn, in Polen is ze geëerd met beelden, straatnamen en een postzegel: Bacewicz hoort thuis in het rijtje van roemruchte componisten als Chopin, Szymanowski, Lutoslawski en Penderecki. Ze was enorm productief en componeerde onder meer zeven vioolconcerten. Haar laatste, uit 1965, is heel ‘eigen’, donker ook. Toen ze het schreef, was ze al elf jaar fulltime componist: haar vioolcarrière had ze moeten opgeven na een auto-ongeluk. Het concert is mooi opgenomen door Joanna Kurkowicz.

Bacewicz blonk ook uit in het genre van het strijkkwartet. Ook hier zeven stuks. Haar werk zou net iets vaker gespeeld moeten worden om écht te kunnen zeggen wat de hoogtepunten zijn, maar onder de strijkkwartetten lijkt haar vierde het populairst. Ze won er in 1951 een concours mee in Luik. En het Nederlandse Dudok Kwartet kwam ermee in de lijst van beste platen van 2022 volgens de Volkskrant. Dan moet het wel goed zijn.

Alle Spotify-afspeellijsten van deze rubriek zijn terug te vinden op volkskrant.nl/deklassieker

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next