Home

‘Er zou meer aandacht moeten zijn voor mensen die echt iets doen, niet voor de Greta Thunbergs van deze wereld’

Ergens dit jaar moet een koptelefoon verschijnen. Het is niet zomaar een koptelefoon, met goed geluid en fraaie vormgeving en alles wat je van een goede koptelefoon mag verwachten. Nee, deze koptelefoon laat je ook schone, gefilterde lucht inademen. Dat gebeurt door middel van een futuristische, glimmende band die vanaf het ene oor naar het andere loopt, maar de mond niet raakt. Je ziet er weliswaar uit alsof je net uit een Marvel-universum komt vallen, maar je ademt dan mooi wel verse en schone lucht in. En wie wil dat nou niet?

Die hypergeavanceerde koptelefoon heet de Zone (‘Pure audio. Pure air. Anywhere.’) en is de laatste uitvinding van Dyson, het bedrijf dat iedereen natuurlijk kent van de revolutionaire stofzuigers. Of van de handdrogers die wereldwijd in honderdduizenden toiletten hangen. Of van die gelikte haardroger. Of van de luchtreinigers. Of de lampen. Een van de belangrijkste pijlers van de filosofie van Dyson is dat ontwerp en techniek hand in hand moeten gaan en dat moet vervolgens resulteren in producten die zowel goed werken als er goed uitzien.

En het brein achter al die – om met een al lang ter ziele gegaan Veronica-programma te spreken – wannahaves zit nu aan een lange tafel in een hoge, donkere kamer met uitzicht op het Amsterdamse IJ. James Dyson (75) is een statige verschijning, met een al net zo statige Engelse tongval waardoor alles wat hij zegt even gedistingeerd als waar klinkt. Hij is meticuleus voorbereid en heeft een uitgeprinte lijst met gespreksonderwerpen, die allemaal direct of indirect te maken hebben met zijn werk als ingenieur/uitvinder/ontwerper.

Aan de andere kant van de tafel zitten twee assistenten klaar om op gezette momenten foto’s bij Dysons verhalen te laten zien, of bijvoorbeeld het motortje van de haardroger. Dat dus onwaarschijnlijk veel kleiner blijkt te zijn dan de motor van een normale haardroger en veel beter functioneert. Kost natuurlijk wel een lieve duit, maar dan heb je ook wat.

‘De zak van een normale stofzuiger komt al snel vol met vuil te zitten, wat ten koste gaat van de zuigkracht. Vanuit de optiek van de technische bouwkunde is dat dus niet een heel efficiënt apparaat. Ik bedoel: een gloeilamp van 60 watt geeft je die volledige 60 watt, zijn hele leven lang, totdat hij knapt. Dat geldt overigens voor normale gloeilampen.’ (Dyson wijst naar de lampen die boven de tafel hangen. ‘Deze niet hoor. Dit zijn speciale, deze gaan eeuwig mee. Gemaakt door ons natuurlijk.’) ‘Dus traditionele stofzuigers leveren eigenlijk een waardeloze prestatie. Op een gegeven moment ging ik hout halen bij de lokale houtzagerij en op hun dak stond een enorme cycloonvormige stofafzuiger. Hij was ongeveer tien meter hoog en verzamelde de hele dag door het zaagsel. En dat ging niet ten koste van de luchtstroom, omdat die deeltjes werden gescheiden van de lucht door de centrifugale kracht. Ik vroeg me af of zo’n cycloon ook in een stofzuiger zou kunnen werken en je daarmee het probleem van die stofzuigerzak zou kunnen oplossen. Dat lukte, al moest ik 5.127 prototypen bouwen voordat het zover was. Wat ik hier maar mee wil zeggen: je moet goed om je heen kijken, zo kun je dingen ontdekken die ook op een andere manier van toepassing kunnen zijn.’

‘Bij Dyson heb ik altijd jonge mensen aangenomen. We proberen iets anders dan anderen te doen. Daarom wil ik mensen die geen ervaring hebben, die naïef zijn en dingen bevragen. Bij het pionieren heb je veel meer aan jonge mensen. Jonge mensen zonder ervaring zijn veel nieuwsgieriger dan oudere mensen met ervaring. De wereld van nu beweegt zo snel, ervaring is nauwelijks nog van belang. Sterker nog: ervaring is bagage, het kan een obstakel zijn.’

‘Frank Whittle was een briljant ingenieur en de uitvinder van de straalmotor. Het is me gelukt een van de eerste versies in handen te krijgen, een prototype. Het is de oudste nog functionerende straalmotor ter wereld. Wat er zo uniek aan is: hij heeft een zogenoemde axiale motor die heel snel ronddraait. Ook de straalmotor was een inspiratie voor mijn stofzuiger. Jaren geleden werd een nieuwe technologie ontwikkeld, waarbij elektrische motoren niet 30.000, maar 130.000 rotaties per minuut maken. En hoe sneller een motor rondgaat, hoe kleiner je die motor kunt maken, en dus ook lichter en efficiënter. Ook hier geldt weer: je ziet iets in het ene apparaat en vraagt je af of je het kunt toepassen in een ander apparaat. Je moet nieuwsgierig zijn. Ik word nog steeds verrast door allerlei nieuwe ontwikkelingen, zeker op internet. Of neem nou het betalen met je mobieltje. Ik betaalde vroeger nog gewoon met cheques.’

Farming is een van mijn passies en we hebben net een enorme kas gekocht, uit Nederland overigens. Trouwens, mijn voorouders zijn Nederlands. Waar ze vandaan komen? Nou ja, hier, Nederland. Ze heetten Janssen. Ze kwamen naar Engeland, naar het gebied dat The Fence heet, om het droog te pompen. Fence is onderdeel van Lancashire en ligt ten noorden van Cambridge. Het is heel plat en ligt ongeveer 3 meter onder zeeniveau. Je kunt het vergelijken met de gebieden in Nederland die zijn teruggewonnen op de zee. Ook in The Fence zijn dijken gebouwd en wordt het water terug de zee in gepompt.

‘Ik bezit veel land in die regio, met grote boerderijen, omdat ik gek ben op landbouw. Niet de daadwerkelijke handeling van met een tractor over het land rijden, maar het emotionele gegeven van je eigen voedsel verbouwen. We wekken elektriciteit op uit vergisting van mest, maar telen ook onze eigen aardbeien in die grote kas uit Nederland. En de restwarmte van die vergisting gebruiken we om de kas te verwarmen. Het is circulair en al onze boerderijen zijn CO2-negatief, we verwerken dus meer CO2 in de grond dan er in de lucht vrijkomt.

‘We hebben ook grote waterreservoirs om water te bewaren voor de zomer en op die reservoirs komen weer allerlei dieren af. We verdienen er geen geld mee, maar we doen ook veel aan agritech, waarbij we ons richten op het verbeteren van de bodem. We ontwikkelen bijvoorbeeld robots die aardbeien kunnen plukken en proberen onkruid uit de bodem te halen zonder kunstmest of verdelgingsproducten te gebruiken. Daarvoor gebruiken we een lange steel waar 45 camera’s aan hangen. Die camera’s kunnen onkruid herkennen. Op dit moment zijn ze er nog niet heel goed in, maar we willen ernaartoe dat we automatisch kunnen herkennen om wat voor onkruid het gaat en dat vervolgens kunnen doden met een laser. Dat is veel beter voor het milieu, want op dit moment wordt vooral gewerkt met vervuilende verdelgers.’

‘Buckminster Fuller was een Amerikaanse uitvinder/architect die zo rond de Tweede Wereldoorlog leefde. En hij was, zonder dat hij dat wist, een geweldige klimaatactivist. Hij vond de gangbare daken maar zware, logge dingen die te veel materiaal kostten. Dus hij bedacht een manier, door middel van een driehoekig aluminium buizensysteem, om een ongelooflijk licht, maar sterk dak te maken – met slechts een fractie van de materialen die normale daken van staal, beton of hout gebruiken. Oorspronkelijk waren zijn daken bedoeld om sportruimten of warenhuizen en dat soort dingen te bedekken, maar architecten als Frei Otto en Norman Foster namen zijn techniek over in hun ontwerpen van gebouwen. Buckminster Fuller was de eerste architect die een bouwmethode bedacht die ecologisch en licht was en het milieu niet schaadde. Hij heeft bijvoorbeeld de Biosphere in Montreal ontworpen. Hij was een briljante ingenieur en een inspiratie voor velen. Ik kopieerde hem ook toen ik tijdens mijn studie een ontwerp maakte voor een theater, waarbij ik voor het dak gebruikmaakte van een eischaalachtige structuur.’

‘Ik was nog maar een kind toen de Mini Cooper uitkwam, eind jaren vijftig. De ontwerper ervan, Alec Issigonis, was een goede vriend van mijn eerste baas. Hij ontwierp de Mini Cooper terwijl hij een glas gin dronk in het Grand Hotel in Cannes. Hij tekende de carrosserie, de aandrijving, de benzinetank en het dashboard. Maar de crux van het ontwerp waren die kleine wielen. Die waren zo klein dat ze niet binnendrongen in de binnenruimte van de auto. Daarom kon die auto, die maar drie meter lang was, zo ruim van binnen zijn. Mijn moeder was ongeveer 1 meter 80, mijn broers waren dat ook en ik ben nog langer. Maar wij pasten allemaal in dat kleine autootje. Het was een fantastische auto, die ook een paar keer de rally van Monte Carlo won. En ook weer een inspiratie: een simpele ingreep zoals die kleine gekke wieltjes in combinatie met de revolutionaire verandering van een dwarsgeplaatste motor voorin en er een gigantisch succes mee maken. En het is nog steeds een ongelooflijk populaire auto. Ze hebben hem veiliger gemaakt, waardoor hij nu wat dikker en breder is, maar hij ziet er nog net zo goed uit als in de jaren vijftig. Dit is ook weer zo’n goed voorbeeld waarbij ontwerp en techniek met elkaar samenvallen.’

‘David Hockney studeerde nét voor mij aan het Royal College of Art. He’s a great chap en hij stuurde me altijd de schilderijen die hij op de iPad maakte toe. Ik heb in dat zwembad op het schilderij gezwommen. Het is in de Provence, dicht bij Saint Tropez. Sterker, het huis dat bij dat zwembad hoort is tegenwoordig van een neef van me. Hockney is mijn favoriete schilder. Veel van de schilderijen die ik in mijn collectie heb zijn van hem. Ik denk omdat hij een tijdgenoot is, maar ook vanwege de kleuren en figuren die hij gebruikt. Hij verandert constant en vindt zichzelf steeds opnieuw uit. Hij tekent en schildert prachtig, werkelijk prachtig.’

‘Ik heb veel geluk gehad met mijn eerste mentor, Jeremy Source: Volkskrant

Previous

Next