Home

Het is niet erg om je af en toe eens een enorme boer te voelen in Amsterdam

De laatste jaren schreef ik in de luwte, tot een week of twee geleden ongeveer, op een mooi, klein plekje op de allerlaatste pagina van de zaterdagkrant, helemaal op de achterkant van Boeken en Wetenschap. Niet elke lezer haalt de laatste bladzijde. Het was een column voor doorzetters, een kleine, statistisch nauwelijks waarneembare groep liefhebbers en lezers die de krant, met mijn pagina toevallig boven, per ongeluk op de grond hadden laten vallen.

Het beviel goed, de luwte. Ik hield van mijn eigen kleine, ongelezen verhaaltjes, waar niemand zich aan kon stoten – ik kon er mijn hele Nedersaksische verlangen om gezien te worden en ongezien te blijven in kwijt. Soms zei iemand: goh, ik heb al drie maanden een abonnement en ik heb je nog steeds niet gevonden. Soms vroeg iemand: vind je het niet erg dat niemand je leest? Maar dan zei ik gewoon A.L. Snijders na, die schreef dat het voor een merel niet uitmaakt of hij zingt vanuit een boom of een struik.

Maar nu ben ik geherplaceerd. Met wortels en al uit de luwte gegraven en hier opnieuw neergezet. Het verse daglicht is even wennen, de frisse lucht. Ik heb niks te klagen, maar toch, heel soms, bekruipen me sindsdien weleens de gevoelens die Daniël Lohues zo mooi verwoordt op zijn nieuwe plaat: achteraf stond ik nooit met de neus vooraan.

Nu ik uw aandacht heb, wil ik die niet verspillen aan muizenissen – waar zal ik het eens, vroeg ik me af, over hebben?

Alles gaat over de kloof tussen stad en platteland tegenwoordig, bijna alles, over de strijd tussen het centrum en de regio, tussen de kansrijken en de kansarmen. Sommigen zien daarin een lokale variant van de cultuurstrijd die over de hele wereld wordt gevoerd, tussen het volk en de elite, tussen tirannie en democratie zelfs misschien wel, uiteindelijk.

Moest ik proberen er mijn voordeel mee te doen dat ik in Emmen ben opgegroeid en in de stad Groningen woon – de wereld proberen te bekijken vanuit het perspectief van de periferie? Kon ik dat wel, was ik daarvoor wel de geschikte persoon? Ik ben vooral een boer in de Randstad, op het land alweer veel minder. Ik kan me honderd keer een stomme boer voelen, maar als ik tussen de stomme boeren ga staan, word ik niet als soortgenoot herkend.

Ik zit er een beetje tussen, vrees ik, tussen de stad en het land, de wal en het schip – ín de kloof, als het ware. Het is zo, ik berust. Het is niet erg om je af en toe eens een enorme boer te voelen in Amsterdam. Alleen als ik Drents ga praten tegen Drenten en ze praten ABN terug, doet het soms, toegegeven, een piepklein beetje zeer.

Dus ik weet nog niet wat mijn positie is. Ik haat het domme, lege dedain waarmee onderzoekers uit het westen naar de Veenkoloniën trekken om de mensen er te vragen: zeg, arbeider, waar is je fabriek? Waarom heb je geen fabriek, zoals de arbeiders in Amsterdam – is het je karakter, je regionale mentaliteit? Maar als ik Veenkolonialen hoor roepen dat ze nooit wat krijgen en altijd de pineut zijn, hoor ik daar eerlijk gezegd ook doorheen klinken – wij verdienen niet beter, we zijn het ook helemaal niet waard!

Voorlopig ben ik een intermediair die geen van beide talen spreekt.

Source: Volkskrant

Previous

Next