Home

Kleinkinderen als muze

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

‘Waarom schrijf je nooit meer over je kleinkinderen?” vragen lezers me soms. „Goede vraag”, antwoord ik dan om, als een geoefend politicus, tijd te winnen.

Het is geen vraag om met een paar woorden te beantwoorden. Aanvankelijk was ik me er zelfs nauwelijks van bewust dat ik niet meer over mijn kleinkinderen schreef. Ik moest in mijn digitale bestanden op zoek naar de data van het begin en het einde van die columns in NRC Handelsblad.

Op 28 februari 2005 begon ik met een stukje over de geboorte van Glenn, ons eerste kleinkind. Over hem heb ik het meest geschreven – het onvermijdelijke lot van de eerstgeborene. Daarna werden Hidde (2007), Fay (2009) en Jens (2010) geboren. Mijn laatste column over de kleinkinderen schreef ik als ‘Ok, boomer’ op 4 december 2019. Het was op dat moment geen bewuste beslissing. Pas maanden later drong het tot mij door dat ik weinig behoefte meer voelde ermee door te gaan.

Alle treffende gebeurtenissen die mijn vrouw en ik als grootouders hadden meegemaakt, had ik beschreven en ik wilde niet in herhaling vervallen. Bovendien kwamen vooral de oudste kleinkinderen in een levensfase waarin ze last zouden kunnen krijgen van de openbaarheid die hun grootvader nodig had. De gevolgen daarvan moeten niet onderschat worden, zoals ik zelf merkte nadat ik mijn aankoop van een nieuw matras had beschreven. Een buurvrouw riep me enkele weken later op klaarlichte dag vanuit haar portiek toe: „En, hoe bevalt het matras?”

Kleinkinderen worden pubers en krijgen daarmee in menig opzicht een geheim leven dat ze liever voor zichzelf houden. Waarom zouden ze hun innerlijke roerselen uitgerekend met hun opa en oma delen? Het blijven uiteraard de liefste kinderen van de wereld, maar als grootouder zul je moeten respecteren dat zij niet meer de onbevangenheid van vroeger kunnen uitstralen. Toen waren zij voor de columnist de ideale muze, die hem inspiratie bood zonder discretie te verlangen.

Ik moet nu even denken aan de vierjarige Hidde die wij op een zondagmiddag meenamen naar Klein Zwanenmeer, ‘voor iedereen vanaf twee jaar’ in een Amsterdams theater. Hidde was de dag bij ons optimistisch begonnen door tijdens het ontbijt het liedje te zingen dat ze ’s morgens op de crèche met hem zongen: „Goedemorgen…leuk je weer te zien, kijk eens wie er naast je zit, weet je dat misschien?”

Wij hadden gehoopt dat hij zijn goede humeur ’s middags zou behouden, maar helaas slaagden de acteurs er niet in hem voldoende te boeien. „Ik wil weg”, zei hij na een kwartiertje enkele malen, en hij begon ongedurig heen en weer te drentelen. Hij heeft de voorstelling weliswaar uitgezeten, maar meer uit medelijden met zijn geschokte grootouders dan uit belangstelling voor het ballet.

Ik herinner me ook dat Fay in Artis door een zwartstaartprairiehondje werd gebeten en later verdrietig tegen de dokter in het ziekenhuis zei: „Ik heb ál mijn bloed in de dierentuin laten liggen.” Daar ging het mij vooral om als columnist in de jaren dat ik over mijn kleinkinderen schreef: de zinnen die je niet kunt verzinnen

U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.

Source: NRC

Previous

Next