Home

Zij staat moslims bij in de laatste levensfase: ‘Ik probeer mensen van hun schuldgevoel af te helpen’

‘Veel moslims zien een dodelijke ziekte als een straf van Allah. Ze denken dat het hun overkomt, omdat ze zich niet als goede moslims hebben gedragen. Ik probeer ze dan uit te leggen dat iedereen zo’n ziekte kan krijgen. Ik zeg ze dat het geen straf is, maar juist een gunst van Allah waardoor je in het paradijs kunt komen. Mijn God is barmhartig en liefdevol.’

Als islamitisch geestelijk verzorger van het Radboudumc in Nijmegen voert de 53-jarige Saïda Aoulad Baktit dagelijks ‘zware, maar ook mooie gesprekken’ met andere moslims. Haar specialisatie is de laatste levensfase, vooral van kinderen. In die gesprekken krijgt ze geregeld te maken met het taboe op de dood: de stervende mag ‘tot de laatste adem’ niet de indruk krijgen dat hij doodgaat, zo is de gangbare, islamitische opvatting, want Allah kan nog altijd een wonder verrichten. Die opstelling leidt er nogal eens toe dat de stervende zich onbegrepen voelt, als hij of zij de dood wel degelijk nabij weet. Aan Saïda Aoulad Baktit dan de taak het gesprek met de familieleden op gang te brengen. Geregeld heeft ze zo weten te voorkomen dat de patiënt met een eenzaam gevoel sterft.

Eenzaamheid kenmerkt haar jeugd in de jaren zeventig, eerst in Marokko en vanaf haar vijfde in Nederland, ook al groeit ze op als zesde in een gezin met acht kinderen. Ze voelt zich alleen, omdat ze geen antwoord krijgt op de fundamentele vragen die haar bezighouden. Ze wil meer weten over Allah, voor wie ze bang zou moeten zijn. En ze vindt het vreemd dat haar broers niet alleen meer vrijheid hebben dan zijzelf, maar ook gezag over haar mogen uitoefenen. Haar kritische noten worden niet gewaardeerd: ‘Er was geen enkele ruimte voor discussie. Daar heb ik veel last van gehad.’

Op haar 12de dreigt ze terug te moeten verhuizen naar Marokko vanwege een gearrangeerd huwelijk. Haar verzet daartegen is succesvol, maar op haar 16de belandt ze alsnog in een door haar vader bedacht huwelijk met een achterneef. Met hem krijgt ze drie kinderen. Op haar 27ste vlucht ze naar een blijf-van-mijn-lijfhuis. Aan haar sociale isolement als huismoeder komt daarmee een einde. Werkend als schoonmaker in het Radboudumc krijgt ze een rol in de communicatie met islamitische patiënten. In de loop der jaren weet ze zich tot geestelijk verzorger te scholen.

‘Ik werd als meisje voorbereid op een traditionele, ondergeschikte positie waarbij alles was gericht op het huwelijk en kinderen. In de eerste vijf jaar van mijn leven, in Marokko, mocht ik niet buiten een gebied van 10 vierkante meter voor ons huis komen. Ik werd bang gemaakt voor de buitenwereld en voor Allah. Die zag alles wat ik deed, werd me verteld. Als ik me niet volgens de regels gedroeg, zou ik naar de hel gaan. Zo’n regel was: respect tonen voor mijn ouders.

‘Maar ik was nieuwsgierig aangelegd en wilde bijvoorbeeld van ze weten hoe Allah eruitzag en waarom ik bang voor hem moest zijn. Ik mocht niet in discussie, ik moest luisteren, naar mijn ouders en mijn broers, anders dreigde de hel. Alles was ‘halal’ of ‘haram’, goed of fout, zwart of wit. Mijn ouders waren niet geschoold, dus ik neem ze niets kwalijk, ze wilden mij beschermen. Het lag aan de cultuur waarin ze waren opgegroeid. Maar ik voelde me daardoor niet begrepen. Meer nog dan de angst voor Allah en voor de hel vond ik het zwaar niets te kunnen bespreken.’

‘Pas toen ik bij mijn man was weggevlucht. Scheiden was een schande in de Marokkaanse gemeenschap, maar de situatie was onhoudbaar geworden. Hij verbood me zelfs contact met mijn Nederlandse buurvrouw. In het blijf-van-mijn-lijfhuis ben ik, naast mijn werk als schoonmaker en het zorgen voor mijn kinderen, me gaan verdiepen in de Koran en de uitleg daarvan.

‘Toen las ik heel andere verhalen dan die ik in onze gemeenschap te horen kreeg. Bijvoorbeeld over Khadija, de echtgenote van Mohammed, de profeet. Zij was een sterke zakenvrouw die zelfstandig handelde, haar leven heeft me enorm geïnspireerd. Ik begon in te zien dat er een kloof is tussen de oorspronkelijke teksten en onze cultuur waarin mannen eropuit zijn hun machtspositie te beschermen. Gelukkig is die cultuur ook aan het veranderen. Als ik nu naar de meisjes van de derde en vierde generatie kijk, hoe ze met hun ouders het gesprek aangaan en welke opleidingen ze volgen, dan zie ik enorme verschillen met mijn eigen jeugd.’

‘De hel wordt zeker nog wel als dreigement gebruikt, bijvoorbeeld wanneer kinderen het slechte pad op gaan. Ouders zeggen dan: bedenk dat het in het leven niet gaat om materiële zaken, want uiteindelijk ga je over naar het hiernamaals, zonder dat je iets van je bezittingen bij je hebt. Gebruik je tijd hier op aarde dus voor goede daden. Zelf probeer ik dat ook. Mijn idee is: leef je leven alsof je nooit doodgaat, dus geniet er ook van en ga niet op de dood zitten wachten, maar wees er wel op voorbereid om morgen te sterven.’

‘Ik geloof in een God die liefdevol en barmhartig is; die iedereen vergeeft, of iemand nu een geestelijk verzorger is of een crimineel. Want die laatste kan ook goede daden hebben verricht of een goede vader voor zijn kinderen zijn geweest. Niemand is alleen maar slecht, het goede en slechte zit in ieder van ons. In die zin zijn we allemaal gelijk. Ik oordeel niet, dat laat ik aan Allah over. In mijn beleving gaat uiteindelijk iedereen naar het paradijs, al heb je daarin wel rangen.’

‘Ik probeer in mijn werk mensen vooral van hun schuldgevoel af te helpen. Ouders met een kind dat kanker heeft, praten zichzelf uit wanhoop vaak een schuld aan door te zeggen: ‘Ik ben nooit goed met mijn geloof bezig geweest, nu wordt mijn kind daarvoor gestraft.’ Dan hou ik ze voor: ‘Deze ziekte is niet een straf, maar een gunst. Als je dit verdraagt, kom je in het paradijs. Het is geen reden voor schuld, maar voor dankbaarheid. Je lijden nu kan je helpen in het hiernamaals.’’

‘Bij de meeste moslims lukt dat wel, maar lastiger wordt het bij mensen die streng in de leer zijn. Zij zien lijden als een kans hun zonden te wissen. Dat botst met de palliatieve zorg, waarin we onnodig lijden juist willen voorkomen en pijn willen bestrijden. Artsen en verpleegkundigen stuiten dan op iemand die dat weigert, omdat hij zegt: ‘Ik moet bewust blijven van mijn lijden.’ Het wordt vooral pijnlijk wanneer een vader dat voor zijn zieke kind bepaalt. Dat is echt een medisch-ethisch dilemma. Ik leg dan aan zo’n vader uit: ‘Allah heeft aan artsen de kennis gegeven om pijn te bestrijden. U kunt daarvan dus gebruikmaken.’ Ook zeg ik hem dat hij zijn kind niet moet willen zien lijden, ik wijs hem op zijn verantwoordelijkheid om dat te voorkomen. Dat zijn moeilijke gesprekken, maar uiteindelijk stemmen veel mensen in de allerlaatste fase wel in met een vorm van pijnbestrijding.’

‘Dat is uit den boze, want alleen Allah gaat over het tijdstip van de dood. Die mag je dus niet plannen of bespoedigen. Zelf ben ik ook tegen euthanasie. Maar ik vind iemands zelfbeschikking het hoogste goed. Een enkele keer komt euthanasie voor. Ik heb een vrouw meegemaakt die helemaal op was. Zij wilde euthanasie, maar haar man en kinderen waren er fel op tegen. Die zagen hun moeder in de hel branden. Ook zouden ze elkaar later niet in het paradijs tegenkomen. De moeder heeft haar euthanasie toch doorgezet.

‘Of ik dat dapper van haar vond? Nee, maar ik heb het wel gerespecteerd. Het afscheid van haar man en kinderen was niet harmonieus. Haar kinderen moeten door in het leven met een geheim, want ze kunnen de euthanasie van hun moeder niet delen binnen hun gemeenschap. Ook houden ze voor altijd het beeld van hun moeder brandend in de hel. Dat is erg zwaar.

‘Het was een onmogelijk dilemma. Ik gun iedereen een waardig sterven, maar ook een vredig en harmonieus einde. Uiteindelijk is deze vrouw eenzaam gestorven, ook al zaten haar man en kinderen rond het sterfbed.’

‘Ja, de gewoonte onder moslims is sterk om het niet binnen gehoorafstand van een stervend familielid over de dood te hebben. De stervende mag alleen goede en positieve dingen horen, want wat hij het laatst hoort, neemt hij mee naar het hiernamaals. Dus gaat het gesprek vaak in de trant van: ‘Eet nog wat, drink nog wat, we gaan nog Suikerfeest samen vieren.’ Wanneer de stervende het wil hebben over hoe zwaar zijn lijden is, krijgt die te horen: ‘Dat is juist goed, dan kom je later in het paradijs.’ Ik vind dat praten over lijden en de dood juist wel goed is. Het helpt om de tijd die je nog met elkaar hebt goed te benutten en vrede met je lot te krijgen.

‘Ik vraag familieleden me alleen te laten met de stervende. Dan krijgt die de ruimte zijn verhaal te vertellen: hoe hij in het leven heeft gestaan, zijn lijden, familiegeheimen. Buiten de kamer praat ik dan met familieleden om begrip te kweken. Onlangs had ik te maken met ouders van een 14-jarig meisje. Ze had leverkanker en zat in de palliatieve fase, maar van haar ouders mocht ik het niet over haar prognose hebben. Terwijl ze volledig op de hoogte was. Ik heb de ouders ervan kunnen overtuigen het met hun dochter toch over de dood te hebben. Daardoor is ze gelukkig niet eenzaam gestorven.’

‘Mijn angst ervoor is helemaal weg.’

‘Haha, dat is aan God, maar ik zie hem als barmhartig en als je niemand kwaad doet, kom je in het paradijs. Ik heb vrede met mezelf en rust over de dood. Heel anders dan vroeger, toen ik voor de hel vreesde. Nu weet ik dat ik een lijn met mijn Schepper heb. Ik vertrouw op hem, waarom zou ik dan bang zijn? Ik vraag Allah mij te begunstigen met het beste einde. Als ik hem ontmoet, hoop ik dat hij tevreden over mij zal zijn.’

‘Voor mij Source: Volkskrant

Previous

Next