Home

Voor zijn belangrijkste filmrol was hij tweede keus, bekent acteur Sam Neill nu hij ‘mogelijk stervende’ is

Dit zijn memoires van het opbeurende soort. Did I Ever Tell You This? is losjes geschreven, doorspekt met humor, man en paard worden genoemd. Opmerkelijk, als je weet dat de eindigheid van het bestaan acteur Sam Neill op de hielen zit. De diagnose: angio-immunoblastisch T-cellymfoom. Kort gezegd: bloedkanker.

De chemokuur een jaar geleden sloeg aan. O nee, toch niet. Dus moest hij weer van voren af aan beginnen. Hij heeft inmiddels een kale kop gekregen en zijn gesoigneerde baardje is hij ook kwijt. Wel schijnt de nieuwste kuur zijn werk te doen, maar helemaal zeker weet je het nooit. Zijn dokters vertelden dat hij sowieso voor de rest van zijn leven aan de chemo vastzit.

75 is Sam Neill nu. Iedereen kent hem wel van zijn rol als paleontoloog dokter Alan Grant – een van de geliefdste personages uit de Jurassic Park-films. Dat hij de afgelopen vijftig jaar optrad in nog eens honderd andere speelfilms plus tientallen tv-series is minder bekend.

Sam Neill is een stille kracht op het scherm. Hij is er wel, maar je realiseert je dat niet een, twee, drie. Telkens speelt hij een volstrekt andere figuur. Van de Russische kapitein Vasiliy Borodin naast Sean Connery in het Koude Oorlog-epos The Hunt for Red October (1990) via de nare Alisdair Stewart in Jane Campions relatiedrama The Piano (1993) tot de vileine majoor Chester Campbell met zijn bolhoed in de historische misdaadserie Peaky Blinders (2013-2014, seizoen 1 en 2): hij is van alle markten thuis.

Toch is hij geen klassieke filmster. Geen Gregory Peck. Cary Grant. Sean Connery. Nooit geweest ook. Maar dat maakt het juist zo aardig om zijn observaties vanuit de marge van een filmset te lezen.

Omdat hij toch niet kon werken besloot hij dat het tijd was voor zijn memoires. Did I Ever Tell You This? heeft hij met twee vingers getypt op zijn laptop. In zijn studeerkamer in Alexandra, Nieuw Zeeland – op het Zuidereiland, of, als dat zo uitkwam, in het ziekenhuis.

Neill valt maar direct met de deur in huis. ‘Voor wie schrijf ik dit boek? Is het voor mijn kinderen of mijn kleinkinderen? Is het voor jou, misschien, de lezer die enige interesse zou kunnen hebben in de lotgevallen van een doorsneeacteur?’

Maar toen begon het te dagen. ‘Ik schrijf het louter voor mijzelf. Het zal mijn volgende egocentrische impuls wel zijn. Daar heb ik er wel meer van gehad, zo is mij verteld. Maar het punt is: I’m crook – ik ben de sjaak. Mogelijk stervende. Ik mag wel eens een beetje haast gaan maken.’

Voor het eerst in zijn leven heeft hij tijd over om na te denken. Schrijven – het ophalen van herinneringen en ordenen van gedachten – verzacht de pijn. ‘Misschien oogt dit boek wat in elkaar geflanst. Ik schrijf het in haast. Zodra het je verveelt, kun je het wegleggen, maar je bent altijd welkom om er weer in te duiken. Ondertussen vermaak ik mijzelf ermee.’

Een heldere doelstelling. En hij kletst die vierhonderd pagina’s moeiteloos vol. Ja, de uitstapjes naar zijn parallelle bestaan als wijnboer op zijn biologische wijngaard Two Paddocks zijn wat aan de lange kant, maar de blauwe druiven voor zijn pinot noir zijn overduidelijk een passieproject. Gelukkig is het toch vooral film, film, film wat de klok slaat.

Neills rollen brachten hem over de complete planeet, maar het zwerven nam al in zijn vroegste jeugd een aanvang. Vader Dermot Neill was beroepsmilitair bij de Britse infanterie en werd regelmatig elders gestationeerd. Zeven jaar na Sams geboorte op 14 september 1947 in Omagh, Noord-Ierland verhuisde het gezin naar Christchurch, Nieuw-Zeeland, waar hij op de anglicaanse kostschool voor jongens werd geplaatst. Daar gaven ze nog zweepslagen aan ongehoorzame kindertjes.

Eerste daad van verzet: het wijzigen van zijn voornaam. Hij was gedoopt als Nigel Neill, maar op een school vol rouwdouwers was dat geen gelukkige keuze: veel te nuffig. Van de zenuwen begon hij te stotteren.

Hij en zijn vriendje Nigel Nutt, die er ook mee werd gepest, besloten hun voornaam te veranderen. ‘We hielden allebei van westerns en in westerns heten de personages Sam of Bill. Dus ik werd Sam Neill, en hij Bill Nutt. Onze beste beslissing ooit, nooit meer op teruggekomen. Zeg nou zelf, je kunt toch geen carrière in de film maken als je Nigel Neill heet?’

Het was daar, op dat schoolplein, dat hij als klein blond jongetje eigenlijk al begon met acteren, verklapt Neill. Een kwestie van lijfsbehoud. Anderen om je laten lachen, want jongens met wie je kunt lachen, worden niet in elkaar geslagen.

Zijn adolescentie verliep wat geleidelijker. Hij keek op tegen zijn vijf jaar oudere oudere broer Michael – zo goed in alles dat het niet leuk meer was – en naar diens voorbeeld besloot Sam dan ook maar Engelse letteren te gaan studeren. Zijn broer zou het nog schoppen tot professor in Shakespeare aan de universiteit van Auckland.

Ook Sam kon aardig meekomen aan de universiteit van Wellington, hij behaalde zijn bul, maar belangrijker was dat hij door zijn studie in theaterstukken belandde. Als onderdeel van het rondreizende, nogal hippieachtige gezelschap New Zealand Players Drama Quartet (vader Neill: ‘Kun je geen normale baan zoeken?’) ging hij in 1972 op tournee en uiteindelijk kwamen daar ook de eerste filmrolletjes uit voort. Werk dat hij afwisselde met montageklusjes en later regie voor de New Zealand National Film Unit, gespecialiseerd in korte reportages en documentaires.

De eerste keer dat ze down under als acteur echt van hem hoorden, was met de politiek-geëngageerde Nieuw-Zeelandse thriller Sleeping Dogs (1977). En aansluitend met het romantische Australische kostuumdrama My Brilliant Career (1979), als tegenspeler van de allang doorgebroken Judy Davis.

Geen gemakkelijke vrouw, Judy, herinnert Sam zich. Ze keek nogal op hem neer omdat hij geen theateropleiding had gevolgd, en als ze weer eens een inzinking op de set had kon je haar zachtjes horen mompelen: ‘Denk aan het geld... denk aan het geld...’

Op dat moment is Sam Neill 32. Hij begrijpt dat hij het geïsoleerde Australische continent moet verlaten als hij internationaal wil doorbreken als acteur. En dan zit er binnen de klassieke Angelsaksische wereld maar één ding op: naar Londen.

Niet Hollywood, dus.

Nee, kosmopolitisch Londen, zoals dat vanaf de andere kant van de wereld werd bezien. Een magneet. Stad van de coolste acteur van allemaal, Michael Caine. Het zondige Soho, waar je vast kunstenaar Francis Bacon in de kroeg tegen het lijf zou lopen. En het voormalige hoofdkwartier van de Beatles, zijn favorieten, was het ook.

Het eerste wat Sam Neill na aankomst deed was een goede agent zoeken. Die wist hem onder te brengen bij Omen III: The Final Conflict (1981) van de Britse regisseur Graham Baker. En wel als het inmiddels volwassen duivelskind Damien Thorn uit de reeks. Pure, nutteloze, heerlijke pulp, natuurlijk; voor Sam Neill was het een vrolijk nieuw begin.

Van het een kwam het ander. Hij kreeg de hoofdrol in de geroemde spionageserie Reilly, Ace of Spies (1983), twaalf afleveringen was hij Sidney Reilly (‘Al vond regisseur Martin Campbell dat ik hem wel wat minder bombastisch mocht spelen’). Ook in de Verenigde Staten (en in Nederland) werd de serie een succes. Het leverde Neill een nominatie voor een Golden Globe op.

De aalgladde, onpeilbare charmeur Reilly sprong dermate in het oog dat Neill genoemd werd als opvolger van Roger Moore in de Bond-reeks, maar dat werd uiteindelijk Timothy Dalton. Wel jammer dat hij nu niet in die blitse auto's mocht rijden, treurt Neill, maar als Bondheld was hij nu eenmaal niet geboren.

Een zeker flegma is hem niet vreemd, nee. Dat lees je er wel aan af. Zijn kracht is zijn veelzijdigheid en misschien is die ook zijn pech. De gekste rol die hij speelde, bekent Neill, was in de psychologische horrorfilm Possession (1981) van de tegendraadse Poolse cultregisseur Andrzej Żulawski.

Hij speelt Mark, die thuis in West-Berlijn zijn vrouw Anna, gespeeld door Isabelle Adjani, aantreft in verwarde toestand. Zij wil een echtscheiding, en langzaam ontaardt het verhaal in pure paranoia. Gezet tegen de Berlijnse Muur, inclusief klassiek döppelgangermotief. Waar die film nu precies over ging, heeft Neill nooit begrepen. Wel herinnert hij zich dat de Poolse regisseur op de set bijzonder luid was, op het onbeschofte af. Isabelle Adjani won er op het festival van Cannes de prijs voor beste actrice mee, Sam Neill dan weer niets.

Dat leek zo ongeveer wel het verhaal van zijn loopbaan. Aan de andere kant: juist omdat hij in Europa zo aan de weg timmerde, groeide ook zijn statuur in Australië enorm – als een soort verloren zoon, bij ons vergelijkbaar met Rutger Hauer. Dus maakte hij met de Australische regisseur Fred Schepisi het rechtbankdrama A Cry in the Dark (1988), met Meryl Streep als tegenspeler. Daarna verscheen hij in de ijzingwekkende Australische psychologische thriller Dead Calm (Phillip Noyce; 1989), gesitueerd op een zeilboot en met een nog piepjonge Nicole Kidman als zijn getraumatiseerde echtgenote.

‘D Source: Volkskrant

Previous

Next