Home

Wat zou Cicero zeggen over Haagse politici? Waarom de klassieke retorica onverminderd actueel is

Anders dan de meeste disciplines uit de oudheid is de retorica nooit uit de tijd geraakt, schrijft Emilia Menkveld, samensteller van een bloemlezing over klassieke speechkunst. Ze licht drie opmerkelijk actuele inzichten uit.

Ruziënde, scheldende, elkaar uitjouwende politici: in Den Haag zijn ze allang geen uitzondering meer. Sinds de opkomst van populistische partijen in de Tweede Kamer is de sfeer verhard, persoonlijke aanvallen zijn zo ongeveer tot norm verheven. Tot groeiende zorg en ergernis van Nederlandse burgers, zo bleek eind december uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau. Afgelopen maand volgde de eerste, zij het vooral symbolische maatregel: naast belediging en het verstoren van de orde is nu ook bedreiging expliciet verboden in de vergaderzaal. In de praktijk moet je het als Kamerlid wel heel bont maken voordat de voorzitter je het woord ontneemt.

Hoe aanstekelijk het populistisch bekvechten is, bleek afgelopen verkiezingscampagne maar weer eens tijdens het Linksom, rechtsom-debat met PvdA, GroenLinks en VVD, dat volgens Volkskrant-tv-recensent Alex Mazereeuw ontaardde in jij-bakken en onderlinge pesterijtjes (de premier riep heel hard ‘boe’ naar GroenLinks-leider Klaver). ‘Wat een debat op de inhoud had moeten worden’, schreef hij, ‘werd vooral een Amerikaans aandoende, uitputtende race om het luidste applaus.’ Het lijkt een aardige algemene typering van het publieke debat in Nederland, waarin hard schreeuwen en moddergooien snel normaal zijn geworden, mede dankzij sociale media.

Ook kenmerkend voor deze tijd, waarin iedereen zijn eigen waarheid erop denkt te kunnen nahouden: de absurdistische speech van Thierry Baudet bij de exitpolls, waarin hij voor eigen publiek de verkiezingsnederlaag van FvD als een klinkende overwinning framede.

Met klassieke retorica – de kunst van het speechen – heeft dit alles weinig te maken, zou je zeggen (al strekt Baudets misplaatste gedweep met de klassieke oudheid zich ook uit tot zijn toespraken; zie het potjeslatijn in zijn maiden­speech uit 2017). Toch komt veel van wat er nu in ons politieke en publieke debat gebeurt al uitgebreid ter sprake in de handboeken van Grieken en Romeinen die ruim tweeduizend jaar geleden leefden. Voor de bloemlezing Speechen – Klassieke wijsheid in het openbaar nam ik, met mijn medesamensteller Maurits Lesmeister, weer eens de belangrijkste boeken in dit wijdvertakte genre door, en steeds trof me de frisheid, de directe toepasbaarheid van die eeuwenoude kennis.

Over de auteur
Emilia Menkveld is literair recensent en eindredacteur van de Volkskrant. Zij schrijft onder meer over vertaalde fictie en de klassieke oudheid. Eerder publiceerde ze met Vincent Hunink de bloemlezing Een blijvend bezit – Het mooiste uit de klassieke literatuur.

Het bijzondere aan de retorica is namelijk dat ze, anders dan de meeste disciplines, sinds de oudheid nooit uit de tijd is geraakt, of is ingehaald door nieuwe inzichten. Nog steeds is er weinig nuttiger voor de beginnende (en gevorderde) spreker dan te lezen wat de Grieken en Romeinen erover te zeggen hadden. Dat politici dat nog steeds graag doen, hoeft niet te verbazen. In zo’n beetje elke toespraak met enige retorische pretentie (Barack Obama!) is de invloed aan te wijzen van Quintilianus, de gezaghebbendste theoreticus van zijn tijd – en de onze. Misschien is de retorica wel de enige discipline waarvoor de handboeken uit de oudheid onverkort geldig blijven.

Tot in detail beschrijven Quintilianus (ca. 35-100) en zijn voorgangers hoe je een redevoering het best kunt opbouwen, welk type argumentatie het beste werkt in welke situatie en hoe de redenaar zich moet voorbereiden op een speech. Ook zijn er praktische voorschriften over stemgebruik, lichaamstaal en gebaren (Quintilianus: ‘De redenaar mag geen enkele overeenkomst met een balletdanser vertonen’) en hoe je toga erbij moet hangen – oké, misschien zijn niet alle adviezen even relevant gebleven.

Maar wat hebben de klassieke handboeken ons nog wél te zeggen? Wat vertellen zij ons over omgangsvormen, scheldpartijen en de schijn van welsprekendheid? Drie opmerkelijke inzichten.

Nederland kent, anders dan Engeland of Frankrijk, geen traditie van grote redenaars; vanaf eind 19de eeuw is welsprekendheid in ons onderwijs lang verwaarloosd. Verbaal vuurwerk zul je niet snel horen in Den Haag, hier geen tot in de puntjes verzorgde redevoeringen à la de togadragers in het Britse Lagerhuis. In Nederland moet de taal sober zijn, begrijpelijk voor iedereen en vooral niet elitair – dat heeft verkiezingswinnaar Caroline van der Plas goed begrepen.

Retorische technieken en gepolijste taal lijken hier zelfs wantrouwen op te roepen. Ze worden al snel gezien als trucjes, een overbodig omhulsel voor een misschien wel misleidende inhoud. Zo gek is dat ook niet. Want wie over de vaardigheden beschikt om een overtuigend verhaal te vertellen, kan die makkelijk inzetten voor minder nobele, of zelfs gevaarlijke doeleinden: Adolf Hitler staat evenzeer bekend om zijn retorische kwaliteiten als het progressieve Amerikaanse Congreslid Alexandria Ocasio-Cortez.

In de oudheid waren ze zich al bewust van dit gevaar. De vroegste professionele redenaars kregen in de 5de eeuw v.Chr. al het verwijt dat ze mooipraters, drogredenaars zouden zijn, die desgewenst alles recht praatten wat krom was. Niet voor niets staat Quintilianus in zijn magnum opus De opleiding tot redenaar (magnifiek vertaald door Piet Gerbrandy) uitgebreid stil bij de morele kwaliteiten waarover een redenaar moet beschikken: goed spreken is niet alleen een kwestie van vaardigheden, maar ook van karakter. Een slecht mens kan bij voorbaat geen goed spreker zijn, stelt hij. Al moet ook Quintilianus toegeven dat sommige schurken verrekt welbespraakt zijn. Maar, vervolgt hij, ‘indien het vermogen om te spreken slechte mensen ten deel valt, moet het ook zelf als een kwaad worden beschouwd, omdat het hen nog slechter maakt’.

Eén ding is zeker: om een gloedvol betoog te kunnen onderscheiden van holle retoriek, demagogische trucs van valide argumenten, is kennis van de retorica onmisbaar, óók voor de doe-maar-gewoon-politici in Den Haag.

Hoe dachten ze in de oudheid over de jij-bak, oftewel het argumentum ad hominem? Op zichzelf vond men persoonlijke aanvallen niet zo’n bezwaar. Zelfs wat wij nu karaktermoord noemen, werd niet per se laakbaar geacht.

Van de beroemdste Romeinse redenaar Cicero zijn vele redevoeringen bewaard gebleven waarin hij zijn tegenstanders bij de enkels afzaagt. Niet alleen om wat ze hebben gedaan of gezegd, maar ook om hun afkomst, hun uiterlijk, hun afzakkende toga. In de tweede van veertien redevoeringen die Cicero na Caesars dood schreef tegen Marcus Antonius, leeft hij zich helemaal uit. Hij schildert zijn concurrent af als een domme, drankzuchtige bruut, die het onder meer bestond om tijdens een vergadering van het Romeinse volk het podium onder te kotsen met ‘voedselbrokken die stonken naar wijn’.

Hoe is dit soort juice te rijmen met de nobele, goed onderlegde, bijna ideale redenaar die Quintilianus in Cicero ziet? Hoe fel mag zo’n aanval zijn? Het is nooit goed te willen kwetsen, schrijft de theoreticus, al kan het verdedigbaar zijn om de tegenpartij ‘beledigend en keihard toe te spreken, aangezien het ook algemeen geaccepteerd is iemand openlijk aan te klagen en, als men het recht aan zijn kant heeft, het hoofd van de tegenstander te eisen’. Als de intenties van de spreker zuiver zijn en, zeg, het voortbestaan van de republiek op het spel staat, is veel toegestaan, vond Quintilianus.

In zekere zin geldt dat natuurlijk nog steeds; een harde persoonlijke aanval kan geoorloofd zijn, bijvoorbeeld om – figuurlijk – iemands hoofd te kunnen eisen. Gelukkig zijn de ideeën over wat smaad en laster wél verschoven. De speech met de kotspassage heeft Cicero overigens nooit uitgesproken in het openbaar; misschien was die zelfs naar Romeinse maatstaven te gortig.

En als je zelf hard wordt aangevallen in een debat, wat is dan de beste reactie? Opvliegend worden is in elk geval een slecht idee, schrijft Quintilianus (in een passage over rechtszaken, maar goed algemeen toepasbaar). ‘Geen enkele emotie vormt immers een groter obstakel voor het verstand, zij voert ons meestal ver buiten de zaak waar het om gaat, noopt ons tot het uiten en innen van afzichtelijke scheldkanonnades.’ Matiging en geduld, daar heb je meer aan. Ook met humor kom je vaak een heel eind. ‘Wat door de tegenpartij gezegd wordt, dient niet alleen weerlegd, maar ook minachtend terzijde geschoven, gebagatelliseerd en belachelijk gemaakt te worden.’

Althans, als die tegenpartij fatsoenlijk is. Heb je te maken met herrieschoppers, dan moet je niet bang zijn en krachtig tegen hen optreden. ‘Er zijn er namelijk die Source: Volkskrant

Previous

Next