Anderhalve week geleden speelde het Nederlands elftal in Parijs tegen Frankrijk. Het werd 4-0. Een beroerde dag, ook voor de leden van een supportersgroep uit Zutphen, volgens een artikel in De Stentor ‘een bijzondere groep supporters, die al jaren in wisselende samenstellingen wedstrijden van Oranje bezoekt en daarbij tot dusver het vrolijke en opvallende uithangbord van Zutphen vormde.
De leden hebben namelijk altijd een groot spandoek met de tekst ‘Zutphen’ bij zich. (…) De gemeente kwalificeerde dat eerder als ‘mooie en goedkope’ reclame.’ Goedkoop is duurkoop, zo bleek maar weer, toen een buschauffeur een filmpje van 1 minuut en 40 seconden online zette waarin Zutphense Oranjefans een kleedjesmarkt bij hun Parijse hotel van racistisch commentaar voorzien. Grappig bedoeld, uiteraard.
Zes van hen maken deel uit van de politie-eenheid Oost-Nederland en zijn momenteel geschorst.
Toen een paar jaar geleden Rotterdamse agenten in een app-groep de ene racistische opmerking aan de andere regen en een van hen om die reden de groep verliet, reageerde een van de andere leden met de zin: ‘Dat wordt nog een relletje.’
Geen beroerde voorspelling, gezien het feit dat de appjes later in de NRC verschenen, en het begin betekenden van een reeks berichten en incidenten waarin de politie er niet per se op z’n best van afkwam. Ik moest denken aan de documentaire De blauwe familie, van Meral Uslu en Maria Mok, van een jaar geleden, waarin agenten met uiteenlopende achtergronden vertelden over hun ervaringen in het korps.
Fraai was het beeld dat ze schetsten niet. Ontluisterend wel.
De politietop zei nogal onder de indruk te zijn van hun getuigenissen. Er zou zeker actie worden ondernomen. Een halfjaar later publiceerde NRC een vervolgverhaal: de Rotterdamse agenten die in de documentaire te zien waren geweest, hadden sindsdien slechts een handvol adhesiebetuigingen van collega’s ontvangen. Eentje was inmiddels vertrokken, met PTSS. In de cultuur leek nog nauwelijks iets wezenlijk veranderd.
In de ogenschijnlijke geborgenheid van een supportersbus of appgroep laten mensen zich makkelijk gaan. De toon is vaak ironisch. Als er bij Tata Steel wat actievoerders op de stoep liggen – niet zonder reden trouwens: het RIVM concludeerde onlangs nog dat de lucht rondom de fabrieken ondanks alle goeie voornemens en verbeterplannen nog geen snipper minder vervuild is geworden – laten ze het in de Tata-werknemersapp en –Facebookgroep helemaal lopen: ‘waterkanon’, ‘platwalsen’, ‘onder stroom zetten’, ‘gratis crematie’, nog wat Tweede Wereldoorlog-verwijzingen en je bent het maar weer kwijt, al die moeizaam onderdrukte agressie. En nog wat collega’s aan het lachen gemaakt ook.
De Tata-directie kondigde een ‘stevig gesprek’ aan. Uiteraard. Je kunt je afvragen of werknemers zich veel aantrekken van een directie die zich zelf van weinig wat aantrekt, maar afijn. Ongetwijfeld zullen de app-comedians zeggen dat het niet zo bedoeld was, sorrysorry, maar dat is nu eenmaal de toon, en je moet het allemaal in z’n context zien. Er zijn politici behoorlijk populair geworden met het zich voortdurend beroepen op dit soort flut-ironie, het soort waarbij je doet alsof je iets zegt wat je niet bedoelt, terwijl je in feite zegt wat je wil zeggen. De hyperbool is geen verzinsel, eerder een uitvergroting van de realiteit. Een van de agenten uit De blauwe familie formuleerde het als volgt: ‘Achter een grap zit ook wat.’
[Hier de tekst overheen typen of plaatsen]
Source: Volkskrant