Terwijl Italië worstelt met de vergrijzing en de regering probeert het geboortecijfer te verhogen, worden in de autonome provincie Zuid-Tirol bovengemiddeld veel kinderen geboren. Wat is het Zuid-Tiroolse geheim?
‘Zijn moeder heeft al een plekje gereserveerd voor hun volgende’, zegt Karin Kienzl wijzend naar de bijna 3-jarige Simone. ‘Een andere moeder vroeg me er vast een voor haar vrij te houden, terwijl ze nog niet eens zwanger is!’ zegt Kienzl (51). ‘En zij’, ze wijst een andere peuter aan, ‘is de vierde thuis.’ Grijnzend: ‘Mensen draaien hier productie, hoor.’
Hoewel de vergrijzing in Italië op nationaal niveau keihard gaat, ligt de gemiddelde leeftijd in de provincie rondom Bolzano met 43 vijf jaar lager dan in de rest van het land, dat de oudste bevolking van de EU heeft. Het Zuid-Tiroolse geboortecijfer is met 1,7 niet alleen hoger dan het nationale getal (1,3), maar ligt ook ruim boven het EU-gemiddelde van 1,5.
Vijf kinderen van 1,5 tot 3 jaar waggelen voor Kienzl uit door de appelboomgaard, tussen de bergwanden van de Dolomieten in. Al sinds 1999 werkt ze vanuit haar vrijstaande huis in San Giacomo, een dorp vlak bij Bolzano, als ‘Tagesmutter’ (‘dagmoeder’). Het gastoudersysteem is geliefd bij zowel Duits- als Italiaanstalige ouders in het tweetalige Zuid-Tirol.
Rosa van Gool is correspondent Italië, Griekenland en de Balkan voor de Volkskrant. Zij woont in Rome.
Kienzl doet alles in het Duits, al spreken sommige kinderen – zoals de kleine Simone – thuis Italiaans. Die komen juist ook bij haar om Duits te leren, zegt Kienzl. De meesten gaan hierna namelijk naar de Duitstalige kleuterschool. ‘Met elkaar spreken ze wat er maar in hen opkomt. En ruziemaken doet ieder meestal in zijn eigen taal.’
De tweetalige provincie is weliswaar deel van Italië, maar tegelijk een vreemde eend in de bijt tussen de Italiaanse regio’s. Zuid-Tirol (Alto Adige in het Italiaans) vormt samen met zuiderbuur Trentino een van die twintig regio’s, maar beide gebieden hebben ook een aparte status, als de enige twee ‘autonome provincies’ van het land.
Dat betekent onder meer dat de provincie rondom Bolzano verdergaande zeggenschap over het eigen territorium heeft dan de rest van het land. En dus ook het straatbeeld is er anders: waar ouderen met wandelstokken in de meeste Italiaanse steden het openbare leven domineren, lopen er in Bolzano veel meer ouders met kinderwagens rond.
Demografisch experts voorspellen dat de Italiaanse bevolking de komende vijftig jaar zal krimpen van 59 miljoen naar nog maar 50 miljoen mensen. Op een groot deel van het Italiaanse platteland is die ontwikkeling al zichtbaar, bijvoorbeeld in leeglopende dorpen waar huizen bijna niets meer waard zijn.
De rechtse regering in Rome richtte daarom bij het aantreden in oktober een ‘ministerie voor familie, geboortecijfer en gelijke kansen’ op. Dat ‘geboortecijfer’ in de naam is ongelukkig, zegt Karin Scholzhörn (52) met een vies gezicht. ‘Je denkt toch aan tijden van het fascisme.’
Maar dát Rome gaat nadenken over gezinspolitiek, vindt Scholzhörn geen slecht idee. Ze is bestuurder van de grootste coöperatie voor gastouders in Zuid-Tirol (‘leren-groeien-leven’), waar ook Kienzls thuisopvang onder valt. Ze heeft een simpele verklaring voor de vele Zuid-Tiroolse baby’s: ‘De politiek ondersteunt hier families.’
Terwijl Kienzl het groepje peuters tijdens de wandeling bij elkaar houdt (‘Daniel, langzaam! Die Leni ist noch klein’), legt Scholzhörn verderop in de boomgaard uit wat dat inhoudt. Zo is de kinderopvang sterk gesubsidieerd: zowel voor een regulier kinderdagverblijf als voor een ‘Tagesmutter’ betalen ouders maximaal 3,70 euro per uur. De laagste inkomens betalen zelfs maar 90 cent per uur.
In andere Italiaanse steden ligt dat bedrag volgens consumentenorganisatie Altroconsumo gemiddeld voor de meeste ouders op 4,84 euro per uur. Gemeentelijke opvang is goedkoper en bedoeld voor de laagste inkomens, maar heeft in grote steden als Rome of Napels amper plek. Tegelijkertijd liggen de salarissen op de meeste plekken een stuk lager dan in Bolzano.
Scholzhörn laat een grafiek zien. Sinds de provincie in 2013 de eigen bijdrage voor gewone kinderdagverblijven en ‘Tagesmütter’ gelijk trok, groeit het aantal uren dat hun coöperatie kinderen opvangt elk jaar. Er zijn nu zo’n vierhonderd gastouders, op een bevolking van een half miljoen mensen.
Toch is dat samen met de vele gewone kinderdagverblijven ook in Zuid-Tirol niet genoeg om aan de grote behoefte aan kinderopvang te voldoen. ‘Het is bijna onmogelijk om een plek te vinden’, verzucht Clara Mayer Kaibitsch (43), terwijl ze een half oog op haar dochters van 2, 7 en 9 houdt.
Die hebben weinig oog voor hun moeder. Ze zijn te druk met het beklimmen van de houten klimtoren met glijbaan, samen met hun vriendinnetjes uit het dorp. De goed onderhouden speelplaats in het Duitstalige Völls am Schlern ligt idyllisch tussen de Dolomietenpieken in geklemd.
Ernaast ligt een Kita (kinderdagverblijf) en een Elki: Eltern-Kind-Zentrum, geen opvang maar een sociale ontmoetingsplek voor ouders en hun kinderen. Net als de Tagesmutter is het concept overgewaaid uit de noordelijke Duitstalige wereld.
Het welvarende bergdorp vlak bij Bolzano is ook de thuishaven van Arno Kompatscher. De president van de autonome provincie Zuid-Tirol is vader van zeven kinderen, weet Mayer Kaibitsch. Zelf is ze Oostenrijkse, maar getrouwd met een Zuid-Tiroler en al jaren woonachtig in de Italiaanse provincie, waar ze samen met haar man een horecabedrijf runt.
In vergelijking met haar thuisland in het noorden is de situatie in Zuid-Tirol voor ouders niet eens zo riant, stelt Mayer Kaibitsch, terwijl een uit Duitsland geïmmigreerde speeltuinmoeder op de rand van de zandbank instemmend knikt. ‘Maar vergeleken met de rest van Italië wel.’
Zo voerde Italië pas vorig jaar een algemene kinderbijslag in, ter vervanging van allerlei eerdere losse bonusregelingen. Die varieert van 50 tot 175 euro per maand, afhankelijk van inkomen en gezinsgrootte. In Zuid-Tirol bestond dat concept al vijftien jaar.
Nu er landelijk beleid is, geeft de provincie daarbovenop voor kinderen tot 3 jaar nog kinderbijslag uit eigen kas, van 200 euro per maand. Ook was er vorig jaar een eenmalige bonus van 400 euro en kunnen inkomens tot 40 duizend euro nog aanspraak maken op een tweede specifiek Zuid-Tiroolse regeling voor kinderbijslag.
De autonome provincie kan zich dat allemaal mede veroorloven doordat een groot deel van de belastinginkomsten die de bloeiende economie oplevert niet afgedragen hoeven te worden aan Rome, maar door het provinciebestuur zelf mogen worden besteed. Het is een belangrijk en zwaarbevochten deel van de Zuid-Tiroolse autonomie.
Maar, zegt provinciaal bestuurder Waltraud Deeg op een terras in Bolzano, gezinnen bloeien hier niet alleen door de welvaart van de streek. ‘Het zit ook in onze cultuur om veel kinderen te krijgen’, stelt de politica van de Südtiroler Volkspartei, de grootste partij van de provincie. ‘We zijn een landelijk gebied met hechte gemeenschappen, veel vrijwilligers en van oudsher grote gezinnen.’
Deeg is een gedecideerde blonde vrouw van 50, die in het centrum van Bolzano geen vijf passen kan zetten zonder begroet te worden. Ze is al jaren actief in de lokale politiek en een drijvende kracht achter het ver ontwikkelde gezinsbeleid. ‘Er zijn een paar pijlers’, somt ze geroutineerd op. ‘Jonge stellen moeten om kinderen te krijgen eerst werk en woonruimte hebben, en verder perspectief. Een zeker optimisme over de toekomst.’
Vooral aan fatsoenlijk betaald werk en optimisme ontbreekt het op veel plekken in Italië juist. Volgens een EU-onderzoek zijn de Italianen samen met de Fransen het meest negatief over hun persoonlijke toekomst: slechts 44 procent is optimistisch, aanzienlijk lager dan het EU-gemiddelde van 58 of de Nederlandse score van 63 procent.
‘Misschien’, oppert moeder Clara Mayer Kaibitsch terwijl ze bananen en maisvingers uitdeelt aan haar dochters en vriendjes, ‘werkt het krijgen van veel kinderen hier ook besmettelijk.’ De middagzon werpt haar laatste stralen op de speeltuin tussen de bergen. Een andere moeder brengt de kinderen straks naar huis. In Völls am Schlern voeden ze samen op, wil Mayer Kaibitsch maar zeggen.
Daarnaast vermoedt de Oostenrijkse dat cultuurverschillen een rol spelen. ‘Italianen zijn denk ik voorzichtiger met hun kinderen, bezorgder ook. Bijvoorbeeld over kleding.’ Haar 2-jarige dochter rent intussen alweer wild door de speeltuin met haar oudere zussen, alle drie zonder schoenen en met steeds viezere sokken. Mayer Kaibitsch gebaart naar het tafereel: ‘Als je er meer dan één hebt, wordt dat lastig.’
Ook minister voor geboortecijfer Eugenia Roccella merkte onlangs op dat er ‘culturele veranderingen’ nodig zijn om het moederschap in Italië aantrekkelijker te maken. Ze doelde daarmee vooral op de keuze die veel Italiaanse moeders nog altijd lijken te moeten maken, tussen carrière en kinderen. Concrete plannen om daar verandering in te brengen draagt ze, anders dan uitbreiding van de kinderbijslag, nog niet aan.
Wel benadrukte Roccella dat ‘wie een kind opvoedt, werk doet dat maatschappelijk nuttig is en gewaardeerd moet worden’. Die boodschap is in de Zuid-Tiroolse gemeenschap en politiek al langer doorgedrongen. Zo voerden coöperatiebestuurder Scholzhörn en politica Deeg een jarenlan Source: Volkskrant