N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Hoe Droog begon Een kleine tentoonstelling van het jonge ontwerpersplatform Droog zette dertig jaar geleden Dutch Design in een keer op de kaart. „We deden iets wat niet bestond, en hoe we dat deden bestond evenmin.”
Een koffiezetmachine die informeert of je nóg een kopje wilt. Behang met gaten waardoor de ondergrond deels zichtbaar blijft. Een stoel gemaakt van gestapelde vodden, een kast van sloophout, een ‘kroonluchter’ van melkflessen.
Lees meer in NRC Magazine #17
In een palazzo vol antiek meubilair in het centrum van Milaan stonden in april 1993 21 ontwerpen van twaalf onbekende jonge Nederlandse ontwerpers. Eenvoudige gebruiksvoorwerpen, soms met een knipoog, gemaakt van alledaagse dan wel gerecyclede materialen, gepresenteerd onder de voor buitenlanders onuitspreekbare naam Droog.
De tentoonstelling in de marge van de jaarlijkse meubelbeurs van Milaan duurde slechts zes dagen. Hoewel internet en Instagram nog achter de horizon lagen en er de eerste dagen alarmerend weinig bezoekers kwamen, zorgde de expositie voor een kleine aardverschuiving. Het antidesign van Droog, met ongelakt hout en afbladderende verf, stond haaks op het luxueuze Italiaanse design van die dagen, en groeide uit tot een instantfenomeen.
De originaliteit van de ideeën, de helderheid van het concept en de droge, nuchtere vormgeving maakte van Droog het vlaggenschip van de Nederlandse vormgeving. De oprichters van het designlabel en de betrokken jonge ontwerpers raakten internationaal bekend, en drie jaar later wijdde het belangrijkste museum voor hedendaagse kunst in de wereld, het Museum of Modern Art in New York, een tentoonstelling aan de verfrissende ontwerpmentaliteit van ‘Dutch Design’.
Dertig jaar na de eerste tentoonstelling is Droog geschiedenis. De laatste presentatie in Milaan dateert van 2015. De winkel in de Staalstraat in Amsterdam is opgeheven. De producten van het label zijn alleen nog online verkrijgbaar. Wat nog resteert op het oude adres is @Droog, het café-restaurant, en een galerie met wisseltentoonstellingen.
Hoe kwam de eerste Droog-expositie tot stand en hoe kijken de betrokkenen er dertig jaar later op terug? Een reconstructie op basis van persoonlijke herinneringen.
Kunsthistorica Renny Ramakers (76) was begin jaren negentig hoofdredacteur van het tijdschrift Industrieel Ontwerpen. „Door mijn werk als journalist, en ook als gecommitteerde bij eindexamens, kwam ik regelmatig op designopleidingen. Ik kreeg in 1992 het gevoel dat er iets aan de hand was in ontwerpersland. Diverse jonge ontwerpers maakten dingen die anders dan anders waren. Toen ik met mijn tijdschrift een stand kreeg aangeboden op de meubelbeurs in Kortrijk, besloot ik vijf eigenwijze kasten mee te nemen. Een ladenkast van Tejo Remy, een sloophoutkast van Piet Hein Eek, en drie kasten die Jan Konings en Jurgen Bey deels samen hadden gemaakt. Mijn man Leon [Ramakers, oud-directeur van concertorganisator Mojo] hield me gezelschap. Ik had een foldertje over de kasten gemaakt. ‘Things look that way now’ stond daarop. Ik speelde met het idee een bedrijfje op te richten, (un)LIMITED Editions.
„Mijn stand in Kortrijk trok de aandacht. Van een vijf minuten durend televisieverslag van de beurs ging het twee minuten over de ladenkast van Tejo Remy. Tot ergernis van andere standhouders: ik nam gratis aan de beurs deel.
„Maar mijn hoop dat ik echt iets los zou maken kwam niet uit. In Kortrijk verkocht ik geen enkele kast. En toen ik de kasten kort daarna een weekend lang toonde in Musis Sacrum in Arnhem verkocht ik welgeteld één kast van Piet Hein Eek. Ik dacht: ‘Het wordt niks met mijn bedrijfje.’
„Mijn man zei: doe het nog één keer. Hij regelde dat ik op zondag 28 februari 1993 een eendaagse presentatie mocht houden op de bovenverdieping van Paradiso. Daarvoor nodigde ik vijftien ontwerpers uit. Op de uitnodiging zette ik het motto: ‘Een middag gewoon doen.’
„Het sneeuwde die dag als een gek. Maar dat deerde niet; het leek wel alsof iedereen die ertoe deed langskwam, zelfs een tv-ploeg van de VPRO. Geen idee waarom het zo druk werd; misschien verveelde iedereen zich die zondagmiddag.
Eibert Draisma, Talking coffee maker ‘J & S’ (1993) Foto privéarchief Wim Pijbes
„Ik verkocht veel kleine dingen. Die verpakte ik in krantenpapier. Ik zie nog Wim Crouwel [toen directeur van Museum Boij-mans Van Beuningen] met een olie- en azijnschenker van Arnout Visser de deur uitgaan.
„Na dat succes zei Harry Swaak, de bestuursvoorzitter van het Vormgevingsinstituut: je moet naar Milaan. Daar ben ik toen met Gijs Bakker, een van de exposanten in Paradiso, over gaan praten. Haast was geboden, want de meubelbeurs in Milaan was nog geen twee maanden later, in april. Gijs en ik maakten ieder een lijstje met ontwerpen die we zouden willen tonen. Toen we onze lijstjes naast elkaar legden, bleken we het voor 90 procent met elkaar eens te zijn. Daarna besloten we samen naar Milaan te gaan.”
Gijs Bakker (81), ontwerper en destijds docent aan de Akademie Industriële Vormgeving Eindhoven (nu de Design Academy Eindhoven): „Door mijn werk als docent aan de academies in Arnhem en Eindhoven kende ik veel jonge ontwerpers. Voor hen was bij Nederlandse bedrijven weinig te halen. Ik gaf hen daarom altijd het advies om hun ontwerpen zelf uit te voeren.
„Al die jonge ontwerpers die in Nederland niet aan de bak kwamen wilde ik een keer laten zien tijdens de meubelbeurs in Milaan. Met mijn toenmalige vriendin had ik een ruimte bekeken die me heel geschikt leek: de begane grond en de kelder van een oud palazzo in de Via Cerva. Daar exposeerde Pastoe [het meubelmerk uit Utrecht] al een paar jaar. De directeur had me gevraagd of we die ruimte dat jaar niet konden delen. Bij Pastoe ging iets niet door en bovendien zag hij wel potentie in zo’n samenwerking met jonge mensen.
„Na de expositie in Paradiso ben ik met Renny gaan brainstormen over een tentoonstelling. Wat te tonen, en onder welke naam? De jonge generatie waar onze interesse naar uitging brak met het luxueuze Italiaanse design dat toen in zwang was. Hun ontwerpen waren niet decoratief, niet flamboyant en niet luxueus. Ze blonken uit in eenvoud, eigenwijsheid en zeggingskracht. Gortdroog dus. Ik stelde daarom als naam Droog voor. Renny opperde nog Dry. Maar ik vond Droog met die twee O’s en die G, eigenlijk ook twee O’s, een veel mooier woordbeeld. Voor de duidelijkheid kozen we uiteindelijk voor Droog Design. Later, in 1996, maakten we daar Droog van. Duitsers, merkten we in Milaan, associeerden onze naam grappig genoeg met Drogen, met drugs.”
Renny Ramakers: „Droog bleek een fantastische naam. Buitenlanders vonden dat Nederlandse woord grappig. De eerste vraag bij gesprekken was vaak: ‘Hoe spreek je Droeg uit?’”
Kunsthistoricus Wim Pijbes (61), de latere directeur van het Rijksmuseum, produceerde begin jaren negentig met zijn bedrijf Art Support tentoonstellingen: „Ontwerper Ed Annink [in 2012 overleden] en Renny hadden de leiding over een project ‘Chair sweet chairs’ waarbij vijftien ontwerpers een basic stoel bewerkten. Op hun verzoek produceerde ik de bijbehorende tentoonstelling die in 1990 in Parijs te zien was, een jaar later tijdens de meubelbeurs in Milaan en vervolgens in Moskou. Eigenlijk de prelude op de eerste Droog-expositie. Het smaakte in elk geval naar meer en op de redactie van Renny’s tijdschrift kreeg ik een bureautje.
„De tentoonstelling van Renny in Paradiso heb ik ook geproduceerd. Voor die expositie heeft Gijs Bakker in mijn opslag, een kelder in Rotterdam, nog panelen met voorbeelden van zijn gatenbehang staan plakken. Wit behang met een uitgestanst gatenpatroon bedekte een bloemetjesbehang. De productie voor de eerste Droog-tentoonstelling in Milaan deed ik ook, de kasten stonden toch al in mijn opslag.
„Ik had een fax en een computer en een schat aan internationale ervaring. Transport, verzekering en publiciteit waren mijn pakkie-an. Op de academie in Eindhoven liet ik de ontwerpen fotograferen. Subliem beeldmateriaal, kleurendia’s, die ik in doorzichtige zakjes verpakte.
„In een gehuurde Mercedes-vrachtwagen reed ik naar de Villa Cerva 14 in Milaan. Ed Annink richtte de tentoonstelling in. Dat deed hij met eenvoudige middelen. Hij strooide bijvoorbeeld zand op de grond als podium voor de ontwerpen.
„Met Renny en Gijs sliep ik in een tweesterrenhotelletje om de hoek. Ik ben de hele beurs gebleven, de spullen moesten ook weer terug.”
Ontwerper Arnout Visser (60), op de expositie vertegenwoordigd met een azijn- en olieschenker en een brievenweger: „Ik studeerde industrieel design op de Domus Academy in Milaan. Ik heb nog allerlei hand- en spandiensten voor de Droog-tentoonstelling verricht. Bij een fotolab heb ik bijvoorbeeld de dia’s van de ontwerpen laten dupliceren.”
Ontwerper Tejo Remy (62), van wie Droog een ladenkast, voddenstoel en melkflessenlamp toonde: „Ik was zelf niet in Milaan. Ik was niet uitgenodigd. En als ik wel was uitgenodigd was ik ook thuis gebleven. Ik was tegen zo’n beurs met duizenden nieuwe ontwerpen. Laten we het doen met wat er is, in plaats van nog meer troep te fabriceren.”
Ontwerper Piet Hein Eek (55), van wie een kast van sloophout in Milaan stond: „De eerste Droog-presentatie was vooral een feestje van Renny en Gi Source: NRC