Home

Hoe gaat het met de nakomelingen van Turkse arbeidsmigranten en met de achterblijvers?

Tussen Aksaray en Poelenburg loopt een stippellijntje. Het lijntje bestaat al meer dan vijftig jaar en het werd eind jaren zestig getrokken door zeven mannen die samen besloten dat in Turkije voor hen voorlopig geen toekomst was.

De mannen kwamen uit Gülagaç, op 25 kilometer van Aksaray, hoofdstad van de gelijknamige provincie in Centraal-Anatolië. Gülagaç is een Turks stadje als zovele, niks bijzonders, maar op deze zonnige zomerdag in 2022 lijkt het wel een Frans vakantiedorp. Er is markt, de kleuren van groenten en fruit stemmen vrolijk.

In de jaren zestig had Gülagaç weinig vrolijks meer. ‘Er was niets’, zegt de 80-jarige Kadir Ay, een van de zeven. ‘Geen riolering, geen stromend water, slechte wegen, geen ziekenhuis.’ Door de grote kindertallen, langdurige droogte en mechanisatie van de landbouw waren miljoenen boerenzonen in Turkije overtollig geworden. Industrialisering vond plaats in het westen van het land, niet hier.

In Nederland was behoefte aan goedkope arbeidskrachten. Vraag en aanbod ontmoetten elkaar, via dat stippellijntje. De Zaanse industrie sprong er gretig op in. Aan de oostkant van Zaandam werd mede daarom midden jaren zestig een nieuwe wijk uit de grond gestampt, Poelenburg. De pioniers uit Gülagaç behoorden er tot de eerste Turken.

Een paar incidentjes zeven jaar geleden rond ‘treitervlogger’ Ismail Ilgün werden door Jeroen Pauw zo opgeblazen, dat zelfs premier Rutte het nodig vond schande te spreken van het ‘tuig van de richel’ in de wijk die in 2007 door minister Ella Vogelaar tot ‘krachtwijk’ was bestempeld. Poelenburg stond er gekleurd op.

Kadir en zijn vrouw Güllü wonen tegenwoordig vijf maanden per jaar in Gülagaç en zeven maanden in Zaandam. Het beste van twee werelden. In Turkije het weer, de ruimte en de vertrouwde bodem, in Nederland de kinderen en de kleinkinderen, de gezondheidszorg en de grote Albert Heijn vlakbij. Geen kwaad woord over Nederland, tijdens mijn gesprek met het goedlachse bejaarde tweetal in een koffiehuis op de markt van Gülagaç. ‘Onze eerste vrienden waren de Nederlandse buren’, zegt Güllü.

Eigenlijk is het de minst gecompliceerde generatie die van Kadir en Güllü, de halfgeletterden die vooral hard hebben gewerkt, gebrekkig Nederlands bleven spreken en nooit de behoefte voelden volledig te integreren. Het leven was goed zo.

Onvrede steekt pas de kop op bij de tweede generatie, zo leert het Sociaal en Cultureel Planbureau, dat sinds de jaren tachtig onderzoek doet naar migranten in Nederland. Volgens een SCP-rapport uit 2020 is de opvatting dat discriminatie vaak voorkomt onder de tweede generatie méér verbreid dan onder de eerste. Het verschil is een gevolg van toegenomen integratie. ‘Hoe sterker geworteld, des te groter het gevoel van uitsluiting’, schrijft het SCP. Leden van de latere generaties zijn niet te gast in Nederland, ze zijn er geboren en getogen en voelen zich onderdeel van de samenleving. Sterker, zij belichamen de ‘spectaculaire vooruitgang’ die het SCP vaststelt. Achterstanden op het gebied van onderwijs en werk worden snel ingehaald.

In Zaandam zoek ik leden van die tweede generatie op. Ik wil weten hoe ze hun klim op de maatschappelijke ladder hebben beleefd. Hoe ze Turkije zien en wat ze vinden van hun generatiegenoten in Turkije. Die hebben eveneens spectaculaire vooruitgang geboekt, maar in een andere context en met een andere dynamiek.

Ook daar doe ik onderzoek naar, in Aksaray en andere regio’s in Centraal-Anatolië, en in Istanbul, waar veel van de latere generaties heen zijn getrokken voor onderwijs en werk. Wat zijn de verschillen en overeenkomsten? Wat valt er te zeggen over modernisering en conservatisme, in Turkije zowel als in de Zaanstreek?

Mijn hypothese is dat degenen in Nederland achterop zijn geraakt. De meeste arbeidsmigranten kwamen uit conservatieve plattelandsprovincies. In Nederland gingen ze vaak bij elkaar wonen, in wijken als Poelenburg, en werden ze – neem ik vooralsnog aan – een in zichzelf gekeerde groep. Op bijna elk balkon kwam een schotelantenne en de migranten bleven het beeld koesteren van het Turkije dat ze hadden verlaten.

Op zijn minst is duidelijk dat sommige dingen in Turkije sneller zijn gegaan dan in Nederland. De trek naar de stad, begonnen in de jaren vijftig, is tot op de dag van vandaag doorgegaan. De Turkse economie – hoewel nog op achterstand – groeide harder dan de Nederlandse. Bovendien heeft godsdienst in de Turkse samenleving aan belang ingeboet, zoals ik constateer in mijn boek Een heidens karwei - Erdogan en de mislukte islamisering van Turkije. Geldt dat ook voor de Turkse gemeenschap in Nederland?

Eén punt wil Songül Mutluer benadrukken: onderschat niet de reuzenstappen die op z’n minst een deel van de tweede generatie heeft gezet. Als wethouder in Zaanstad hield ze zich intensief bezig met Poelenburg en andere wijken met kwetsbaren. Ze zag de problemen. Maar dat mag niet het zicht belemmeren op wat wél goed gaat.

We zitten in buurthuis Lobelia in Poelenburg, naast supermarkt Tanger. ‘Fabriek van buurtideeën,’ staat op de gevel. ‘Ik ben 43’, zegt Songül. ‘Als ik naar mijn generatie kijk en de generatie na mij, dan ben ik enorm trots. Hoe ver ze het hebben geschopt, dat verdient echt een pluim. Ik ga geregeld naar bijeenkomsten van Tannet, een soort Rotary van hoogopgeleiden met Turkse wortels. Artsen, fiscalisten, rechters, bankiers, leraren. Dan denk ik: waarom horen we jullie niet?’

Songül is een voorbeeld bij uitstek van sociale stijging. Ze groeide op in een gezin met zeven kinderen, met een analfabete moeder en een vader met alleen basisschool. ‘Een gemengde flat in Poelenburg, heel gemoedelijk, de witte vlucht was nog niet begonnen. Tante Anneke, een buurvrouw, was elke dag bij ons, die adopteerde ons bij wijze van spreken.’

De kinderen deden het goed op school. Songül studeerde rechten en had banen als jurist. Ze ging voor de PvdA de Zaanse gemeentepolitiek in en werd een succesvol wethouder. Een jaar geleden werd ze lid van de Tweede Kamer. ‘Wij hebben één generatie overgeslagen’, zegt Songül over de kinderen van het gezin Mutluer.

Poelenburg wordt vaak gezien als een in zichzelf gesloten Turks bolwerk. Blikvanger is de Sultan Ahmet-moskee, waarvan de rode minaretten zichtbaar zijn vanaf de A8. De moskee, geopend in 1994, was jarenlang de grootste Turkse moskee buiten Turkije, tot Keulen in 2017 het stokje overnam. Maar ‘klein Turkije’? Naast 42 procent Turken heeft de wijk een mengelmoes van nationaliteiten. Bovendien zijn de flats voor velen een opstaphalte op weg naar beter. Ook ik kreeg er in 1977 mijn eerste woning toegewezen. Een gemengde wijk was het toen óók al, hoewel snackbar Melis Pide nog Hoki Poki heette.

Bovendien telt de Zaanstreek ook Turkse Nederlanders die nooit in Poelenburg hebben gewoond, zoals Eylem Köseoglu (39). Haar vader, in 1974 als jongetje met zijn ouders naar Nederland gekomen, koos ervoor zijn kinderen in een Nederlandse omgeving te laten opgroeien. ‘Per se niet Poelenburg. Andere Turken spaarden voor een huis in Turkije, mijn vader voor een huis in Zaandam.’ Zodat Eylem opgroeide aan, geloof het of niet, het Hollandsepad. Een typisch Zaans straatje pal naast de vroegere Verkadefabriek, waar nog altijd koekjes worden gemaakt, zij het door de Turkse (!) onderneming Pladis.

‘Een van de mooiste straten van Zaanstad, met groene Zaanse huisjes’, zegt Eylem. ‘Hoewel ik Poelenburg als kind een feest vond, met al die ruimte en al het groen, ben ik blij dat ik aan het Hollandsepad ben opgegroeid. Een hechte straat. Gemengd, met een onderwijzer, een muziekleraar, een fabrieksarbeider. Buurvrouw Kouseband kwam geregeld oppassen. Zoals Jan Terlouw beschreef: er hing een touwtje uit de brievenbus.’

Het Hollandsepad heeft veel van Eylems latere keuzes bepaald. Haar carrière verliep voorbeeldig, na een korte tegenvaller door onderadvisering op de basisschool. ‘Ik was in shock. Vmbo-advies! Ik wilde naar de universiteit.’ Wat de onderwijzer zei staat als littekentje op haar ziel: ‘Universiteit? Die droom zal niet uitkomen.’

Achteraf is ze de man dankbaar, het vergrootte haar gedrevenheid. De droom kwam wel uit. Na een studie internationaal recht ging ze werken op diverse ministeries. Op Financiën is ze nu senior beleidsadviseur. Ook lokte de lokale politiek. Op haar 16de was ze lid geworden van de PvdA, gestimuleerd door de sfeer in haar sociaal-democratische familie. Ze werd lid van de gemeenteraad van Zaanstad en nu, op haar 38ste, is ze fractievoorzitter.

In Istanbul bezoek ik Eylems familie, tante Hatice Simsek met haar dochter Nurhayat. Ze wonen in Nurtepe, een doorsnee wijk in het Europese deel van de stad. Moeder en dochter belichamen de razendsnelle sociale stijging van hele volksstammen in Turkije, door onderwijs, economische groei en de trek naar de stad.

De familie komt uit de regio Erzincan in Oost-Turkije. Hatice, de zus van Eylems moeder, werd na de basisschool naar een tante in Istanbul gestuurd. Vermoedelijk was ze heimelijk uitgehuwelijkt, want al spoedig beviel ze, getrouwd en wel, van haar eerste kind, Nurhayat. Dat was in 1975. Hoe oud ze was wil ze niet zeggen, dat vindt ze te beschamend, maar uit het feit dat ze als geboortejaar 1964 opgeeft, valt wel iets af te leiden. ‘Ik wil er niet te veel aan denken’, zegt Hatice met afgewende blik. ‘Ik kwam hier als kind met mijn poppen en mijn tante huwelijkte me uit.’

De volgende generatie maakte een kolossale sprong. Dochter Nurhayat studeerde economie aan een Engelstalige faculteit. Ook haar Source: Volkskrant

Previous

Next