Home

Deze mensen raakten alles kwijt bij een brand: ‘Ik wist meteen: dit komt niet meer goed’

Jonkheer Tjalling van Eysinga (69) en Anneke de Bruyn van Eysinga (66) wonen in Sint Nicolaasga, Friesland. Begin september brandde hun boerderij af.

Anneke: ‘Zaterdag 3 september was een warme dag. We hadden vrienden op de koffie gehad, en zouden ’s middags met hen gaan varen. Tjalling en ik zaten in de auto en waren bijna bij de boot toen onze buurman belde.’

Tjalling: ‘Of we thuis waren. Ik antwoordde dat we net aankwamen bij onze sloep. Hij riep: ‘Jullie moeten nu meteen naar huis komen, er komen vlammen uit jullie dak!’

Anneke: ‘Tijdens de autorit naar huis zeiden Tjalling en ik niets tegen elkaar. We waren met stomheid geslagen.’

Tjalling: ‘Toen we aankwamen bij het huis – in totaal zijn we twintig minuten weggeweest – zagen we een vuurzee. Grote vlammen uit de bovenkant van het rieten dak. Beelden die ik nooit meer vergeet. De eerste brandweerwagen was er al, daarna volgden nog tachtig brandweerlieden. We wonen aan het bos, ze waren bang dat dat in de fik zou vliegen. Ik was in shock, maar we bleven rustig. In paniek rondrennen heeft geen zin.’

Anneke: ‘Ik wist meteen: dit komt niet meer goed. We zagen hoe ons hele huis binnen anderhalf uur tot de grond toe afbrandde. De buren kwamen water en broodjes brengen.’

Tjalling: ‘Ik wilde nog spullen uit het huis redden – plakboeken van de kinderen, ons 18de-eeuws zilver, familieportretten en wapens. Ik ben van adel, in ons huis lag een hele familiegeschiedenis opgeslagen. Het is allemaal materie, maar wel onvervangbaar. Van de brandweer mochten we niet meer naar binnen.’

Anneke: ‘Gelukkig waren onze honden niet binnen. De oorzaak was kortsluiting. Als het ’s nachts was gebeurd, waren we levend verbrand.’

Tjalling: ‘We hadden het geluk dat we nog een groot landgoed met een huis hebben. De avond van de brand zijn we daar ingetrokken, daar wonen we nu. Mijn kinderen en onze vrienden kwamen langs. Hoe stom het ook klinkt: we hebben een gezellige avond gehad. De eerste week had ik moeite met uit bed komen, maar Anneke is enorm pragmatisch. Die zei: we moeten door. Ze is meteen noodzakelijke spullen gaan kopen.’

Anneke: ‘Het enige wat we nog hadden, was onze outfit van die dag. De dag na de brand stond ik in de Hema onderbroeken te kopen. Iemand uit het dorp zei: ‘Leuk, allemaal nieuwe kleren kopen!’ Dat is helemaal niet leuk. Het liefst wilde ik alles zo snel mogelijk weer hetzelfde. Na de brand had ik een heel onwezenlijk gevoel.’

Tjalling: ‘Maar we tellen onze zegeningen. Een vriend van ons is dit jaar verongelukt door een val van een ladder. Het kan veel erger aflopen.’

Anneke: ‘Naast ons wonen mensen uit Oekraïne, die hiernaartoe zijn gevlucht omdat er een bom was gevallen op hun huis. Ze spreken de taal niet, wonen in een vreemd land – wij zitten in ons familiehuis. We hebben niets te klagen, we zijn geen zeurpieten die eindeloos in ons verhaal blijven hangen. Misschien verdring ik mijn trauma, maar ik ben gewoon niet bang uitgevallen. Hoewel ik in het begin nog geen kaars durfde aan te steken. Maar het leven is onvoorspelbaar, daar moet je tegen opgewassen zijn.’

Tjalling: ‘Het grote geluk is dat we goed zijn verzekerd. Er zijn tekeningen voor een nieuw huis gemaakt. We hopen dat er binnenkort wordt gebouwd. Maar wel zonder een rieten dak.’

Veronica van der Velde (36) woont in Dieren, met haar twee tienerkinderen. Toen ze 9 was, overleefden zij en haar vader een woningbrand – haar moeder en zusjes niet.

‘Ik werd onzeker over mijn brandwonden toen mijn dochter naar de peuterspeelzaal ging. Wat als kinderen niet bij haar zouden willen spelen omdat ze mij eng vinden? Gelukkig was dat niet het geval, ze vroegen alleen of ik chocola op mijn gezicht had.

‘Als ambassadeur van de Brandwonden Stichting vind ik het belangrijk om te laten zien dat het leven niet ophoudt als je brandwonden hebt. Mensen hebben vaak tegen me gezegd dat ze het zielig voor me vinden, maar ik vind mezelf niet zielig. Ik zie er niet uit als een topmodel, maar ik heb genoeg om dankbaar voor te zijn. Als kind vond ik de witte verbanden kil en het deed pijn om het verband te verwisselen. Ik ben heel blij dat ik me als ambassadeur heb kunnen inzetten voor kindvriendelijke verbandwissels.

‘24 april 1996 was een leuke dag. Ik woonde met mijn ouders en twee jongere zusjes, van 5 en 4, in Zuid-Holland. We waren die dag langs opa en oma geweest.

‘Die avond kon ik niet slapen. Ik hoorde geknetter, even later hoorde ik mijn vader de trap op rennen en ‘BRAND’ schreeuwen. Door de paniek in zijn stem wist ik dat het niet goed was. Ik riep hem, hij stormde mijn kamer binnen en tilde me op. Op de gang werd ik overvallen door de hitte. Beneden zag ik alleen maar vuur. Mijn vader droeg me door de vuurzee heen en heeft me in de tuin gezet. Hij zei dat ik in de tuin moest gaan rollen om de vlammen te doven.

‘Ik hoorde sirenes, maar voelde nauwelijks iets. Ik ben grotendeels derdegraads verbrand, waardoor mijn zenuwen zijn aangetast. Mijn vader rende naar binnen om mijn moeder en twee zusjes te redden, maar het lukte niet, hij kwam snel weer buiten. Ergens wist ik wel dat ze dood waren, maar het drong niet tot me door. Ik herinner me vooral nog dat ik heel moe was.

‘De ambulance heeft ons naar het brandwondencentrum in Rotterdam gebracht. De eerste week mocht ik mijn vader niet zien. De artsen waren bang dat ik zou schrikken als ik hem zag, hij was er erger aan toe dan ik. Het is traumatisch geweest dat ik bij hem werd weggehouden. Na twee weken mocht ik hem zien op de intensive care. Door het verband kon ik alleen zijn ogen zien. Dat maakte mij niet uit, het belangrijkste was om samen te zijn. Ik kon niet naar de begrafenis van mijn moeder en zusjes, omdat ik nog in het brandwondencentrum lag.

‘De oorzaak van de brand is nooit achterhaald. Drie maanden moest ik in het brandwondencentrum verblijven om te herstellen. Iedere week kwam er een leerkracht met een vriendinnetje of vriendje langs, zodat mijn eerste dag op school vertrouwd zou voelen.

‘Het verlies van mijn moeder en zusjes kwam in het begin niet binnen. Ik wilde vrolijk zijn, omdat ik zag hoeveel verdriet mijn familie had. Het eerste moment van rouw was op mijn 13de, toen de moeder van een goede vriendin overleed. Tijdens de begrafenis heb ik heel hard gehuild om mijn eigen moeder. Dat verdriet kon ik eindelijk voelen.

‘In iedere fase van mijn leven kom ik leegte en gemis tegen. Toen ik moeder werd, miste ik mijn moeder enorm en momenteel zit ik in de fase dat ik het heel jammer vind dat ik nooit tante ga worden. De band met mijn vader is heel goed. Hij is later hertrouwd. De trouwring van mijn ouders heeft hij laten omsmelten met zijn nieuwe trouwring en op zijn nachtkastje staat een foto van mijn moeder en zusjes.

‘Tijdens een rookmeldercampagne van de Brandwonden Stichting vroeg iemand een keer ‘wat als jullie een rookmelder hadden gehad?’ Die hadden we namelijk niet. Ik heb het antwoord daar niet op, en die vraag verandert niets. Maar ik vind het hartstikke goed dat rookmelders tegenwoordig verplicht zijn. Ik wil mensen op het hart drukken hoe belangrijk dat is, net als een vluchtplan. Wat doe je met de kinderen als er brand uitbreekt, wie pakt wie? Een woningbrand kan iedereen overkomen.’

In november brandde de woning van Alice Olsthoorn (24) in Amsterdam af.

‘Als ik iets had kunnen redden uit mijn huis, was het mijn knuffeltje geweest dat ik al sinds mijn geboorte had. Of jeugdfoto’s, een van mijn plantjes, of mijn harddrive. Ik ben muzikant, schrijf en maak sinds mijn 13de muziek en dat stond daar allemaal op. Ook mijn apparatuur is kwijt: lampen, camera’s, microfoons.

‘Het was een zondagochtend in november, ik lag in bed toen er op mijn deur werd geklopt. Ik woonde in Amsterdam-Oost in een containerblok met 25 woningen. Ik dacht: het zal vast een huishoudelijke mededeling zijn, dus ik bleef liggen. Totdat er harder op de deur werd geklopt en, blijkbaar, de politie riep: ‘Brand! Naar buiten!’ Ik trok een T-shirt, broek en pantoffels aan en pakte mijn laptop met het idee: dan ga ik in een koffietentje werken totdat het probleem is opgelost. Ik zag de ernst van de situatie nog niet in. Toen ik brandweerlieden in het trappenhuis zag, realiseerde ik me dat dit niet om een klein brandje ging. Buiten zag ik een enorme hoeveelheid zwarte rook uit het dak komen. Er stonden brandweerauto’s, politie en buren – het was chaos. We stonden met alle bewoners te praten. Er gingen geruchten rond dat iemand de brand had aangestoken. Even later kwamen de vlammen uit mijn huis. Ik hoefde niet te huilen, maar was in shock. Het voelde onrealistisch, alsof ik in een bizarre droom was beland.

‘Mijn vader kwam me ophalen en ik ben naar het huis van mijn ouders gegaan. Ik heb een fijn vangnet; lieve ouders, vrienden, een lieve vriend. In de containerwoningen woonden ook statushouders, wier verblijfspapieren zijn verbrand. Die mensen zijn al gevlucht, moeten opnieuw beginnen, en opnieuw is alles afgepakt. Dat is niet te vergelijken met mijn situatie.

‘De eerste week kwam ik in een overlevingsmodus terecht. Samen met een vriend die onder mij woonde, wiens huis ook is afgebrand, ben ik dingen gaan regelen. De verzekering, de eerste spulletjes kopen, zoals onderbroeken en sokken. Het was heel fijn om een bevriende lotgenoot te hebben. Ik ben influencer en heb een platform met een groot bereik. Het klinkt heel cru, maar op het moment dat ik alles kwijtraakte, wist ik dat de brand content was voor mijn sociale media. Ik deelde op Instagram Source: Volkskrant

Previous

Next