Home

Rico Verhoeven: ‘In Hollywood willen ze je zien slagen. In de sport willen ze je naar beneden halen’

Knokken in de ring, of knokken in de film: wat is het verschil? Er verschijnt een zachte glimlach op het gezicht van Rico Verhoeven (33), bij die toch wat onnozele vraag van de interviewer. ‘Écht vechten doet pijn’, doceert de regerend wereldkampioen zwaargewicht kickboksen droogjes. ‘Filmvechten doet niet zoveel pijn.’

Dan: ‘In de film moet ik doen alsof een klap veel impact heeft, ik moet die klap verkopen. Tijdens een echt gevecht niet. Dan heb ik een soort pokerface: blanco. Je kunt me slaan, maar dat doet me niks.’

Hij dook de voorbije jaren al vaker op in kleine rolletjes: als lijfwacht van xtc-koning Ferry in Undercover, als met blote hand boksende reus in Jean-Claude Van Dammes Kickboxer: Retaliation, en als grommende kooivechter Igor ‘the Destroyer’ in Bon Bini Holland 3. Maar zijn aandeel in de actiethriller Black Lotus (vanaf 13 april in de Nederlandse bioscoop) van de Bulgaar Todor Chapkanov is van een andere orde. Verhoeven, behalve hoofdrolspeler ook coproducent van de film (‘het is mijn baby’), speelt de op drift geraakte ex-special forces-militair Matteo Donner. Die reist naar Amsterdam, vol gewetenswroeging over de dood van zijn vriend en mentor. Daar raakt hij in de clinch met een drugskartel. ‘Matteo zoekt de weduwe en het dochtertje van zijn vriend op, nadat hij jarenlang met een schuldgevoel heeft rondgelopen, en komt in actie als ze bedreigd worden. Ik denk dat er ook een goeie les in de film zit: dat je niet moet blijven hangen in zelfmedelijden of boosheid.’

Wanneer bedacht de sporter: ik zou ook kunnen acteren? ‘Nou, kunnen acteren... Het was meer: ik zou dat wel wíllen. Omdat het zo dik is. Guns schieten, banken beroven – al die dingen die je in het echte leven nooit kunt doen, maar in een film wel. Daar droomde ik al van als jochie van een jaar of 14, toen ik alle films zag van Bruce Lee, Jean-Claude Van Damme. Later dacht ik: als mijn droom om kickbokskampioen te worden uitkomt, waarom gebruik ik dat dan niet als opstapje naar een volgende droom?’

Hem hoef je de tienduizenduurtheorie niet uit te leggen: hij weet dat niets vanzelf komt. Dus Verhoeven nam acteer-, taal- en stuntles. En legde contacten in Hollywood, via een bevriende oud-showworstelaar en acteur die hij leerde kennen in de sportschool in Los Angeles. Tussen de wedstrijden door deed hij zoveel mogelijk set-ervaring op, soms ook als motion capture-acteur voor zo’n groen scherm, smijtend met stuntmannen.

Je moet tijdig stoppen met boksen, vóór ze je beginnen te raken – alle kampioenen weten het, maar niet iedereen handelt ernaar. Verhoeven, herstellende van een knieoperatie, geeft zichzelf nog ‘een jaartje of drie’ als professioneel vechter. Hij had al een eigen parfum, een autotunebedrijf en twee, nee sinds deze maand drie, restaurants met Aziatisch streetfood, met chef Eveline Wu. Ook gaf hij zich bloot tegenover journalist Leon Verdonschot voor het boek Rico (2017). Behalve de kickboksperikelen beschreef de biografische bestseller ook een gebutste jeugd: de moeder die vanwege haar toenmalige drugsverslaving niet voor hem en zijn zusje kon zorgen, waarna zijn vader – een vechtsporttrainer – de opvoeding overnam, en die goeddeels naar de ring verplaatste.

Het zijn andere werelden, valt Verhoeven op, die van de vechtsport en film. ‘Als ik in Hollywood ben, is iedereen enthousiast: ze willen je zien slagen. In de sport willen ze je toch het liefst naar beneden halen. Er is veel afgunst: o, hij denkt dat hij kan acteren? Daar lig ik niet wakker van. Black Lotus is een eerste stap. Toen ik voor het eerst de ring instapte, was ik ook nog geen wereldkampioen. Maar ik deed er alles aan. En dat doe ik nu weer als acteur.’

‘Wat ik zo cool vind aan Japan is de structuur, de discipline. Ik ben er weleens naar een concert geweest. In Europa gooien mensen van alles op de grond, maar daar is het brandschoon. Zelfs de confetti die ze vanaf het podium de zaal inschieten is na afloop meteen alweer weg. Echt crazy. En als ze zeggen: geen telefoons, dan zie je ook echt geen enkele telefoon meer in het publiek. Het hele concert niet, nog geen lichtje. Tokio is sowieso heel netjes, daar hou ik wel van.

Vijftien jaar geleden was ik er voor het eerst, voor een gevecht. Zag ik fans hele dagen in de lobby van het hotel staan wachten voor een handtekening van Peter Aerts (drievoudig K1-wereldkampioen kickboksen, red.). Het leeft daar meer, ik denk ook omdat martial arts daarvandaan komt: er is veel waardering voor vechters.

Het eten is er ook goed. Als ik vecht kan ik niet zomaar wat op de markt uitproberen, maar na de wedstrijd loop ik voor zo’n wagyusteak wel een blokje om. We aten in een restaurant dat gespecialiseerd is in die Japanse runderen. Belachelijk duur, maar echt heel lekker.’

‘Deze staat helemaal bovenaan. Het recept? Joh, ik heb geen idee hoe ze het maakt. In een restaurant bestel ik ook weleens een carbonara, maar dat is nooit zo lekker als die van mijn moeder. Ja, wat doet ze erin? Spekjes natuurlijk. En, hoe heet het: kookroom. Een eitje, kaas. Misschien spuugt ze er nog in? Nee, maar het is echt fan-tas-tisch lekker. Mijn oudste dochter kan het nu ook maken. Hóé ze dat doet, daar heb ik ook nooit op gelet.

Ik kan het niet te vaak eten als topsporter, die spaghetti carbonara. Zeker niet. Het is nu ook wel even geleden. Vind ik niet moeilijk, dat is gewoon discipline. Het probleem is dat wij mensen discipline vaak als straf zien: je wórdt gedisciplineerd. Maar zelfdiscipline betekent gewoon dat je van jezelf houdt. Snap je? Ik hou té veel van mezelf om deze keuze te maken, want van die keuze krijg ik later spijt. Ik wil de allerbeste zijn. En ik wil straks geen ‘wat als ik dat niet had gegeten’-gevoel. Als je iedere ‘wat als’ elimineert, is verliezen confronterend: je kunt alleen jezelf aankijken. Oké, I fucked up. Maar zo naar jezelf kijken, dáár groei je van.’

‘Ik ga niet zeggen dat ik er goed in ben, maar ik kan schaken. Vroeger op school in Tholen speelden vriendjes het ook. Ik was een keer de beste van de school. We deden mee aan wedstrijden met het schoolteam en wonnen het regionale kampioenschap. De provinciale verloren we, maar het was leuk om mee te maken.

Bij kickboksen moet je ook denken. Het is veel meer dan alleen maar stoten en trappen: timing, strategie. In die zin lijkt het op elkaar. Maar schaken... Het hele leven is als schaken. Je zet een stap: wat is de reactie van de tegenpartij, of van het leven? Daar ben ik continu mee bezig: vooruitdenken. Ik schaak vaak in de voorbereiding op een wedstrijd: lekker mijn brein prikkelen. Rustig opbouwen en aftasten, dat is hoe ik speel. Kijken wat je tegenstander doet. Niet bang zijn om een stuk op te geven als je iets anders kunt pakken. En ik kan incasseren. Een keertje neergaan.’

‘Ik zag zoveel van mezelf terug in die serie over het laatste seizoen van Michael Jordan bij de Chicago Bulls. Hij wil dat iedereen hem de allerbeste vindt. En zelfs als iedereen al zegt: ja, wij vinden jou ook de allerbeste, is het niet genoeg. Dan verzint hij gewoon dat ze hem tóch niet zo goed vinden. Vind ik niet gek: dat is zijn drive. Hij ging daar ver in. Dat vonden die andere basketballers misschien niet altijd zo leuk. Maar híj was Michael Jordan. Egoïstisch, ja. Maar dat geldt voor iedereen die succesvol is, op welke manier ook. Niet iedereen trekt dat. Wij maken keuzes voor onszelf waarmee we anderen soms pijn doen. Maar dat is dan de enige manier, zo zien wij het, om vooruitgang te boeken. Ze noemen mij vaak de aardige vechter, maar uiteindelijk sta je er voor jezelf. Je wil winnen. Met alles, continu. Ook met spelletjes. Ik heb twee meiden en een jongen. En nu een bonuszoon erbij. Ik doe alles voor ze. Maar bij een spelletje wil ik wel van ze winnen.’

‘Gewoon de reguliere Jack Daniel’s. En dan met een echte cola, een suikerbom. Dat is mijn go-to drankje, als ik niet train voor een wedstrijd, maar gewoon een avondje uit ben. Met het vrouwtje naar een club, of met de boys. Ik ben een goedkope drinker: twee of drie, dan ben ik er al. Helemaal gezellig.’

‘Las ik al voor dat hele gebeuren bij de Oscars. En dan is die klap die hij daar gaf eigenlijk helemaal niet zo raar. Will Smith heeft zich altijd een lafaard gevoeld. Dat begon al toen zijn moeder knock-out werd geslagen door zijn vader en hij niet voor haar durfde op te komen. Nu is hij op het punt dat hij wél wat kan doen. Was het de juiste oplossing? Nee, absoluut niet. Maar voor je iemand veroordeelt, kun je ook denken: wat zou er met hem gebeurd zijn dát hij zo reageert? En Will Smith is ook een mens hè? Je praat niet over een robot. Ik keur zijn actie niet goed, maar na het lezen van zijn boek kan ik het wel begrijpen.’

‘Ik geef een bijzondere trap: een lowkick op de binnenkant van het achterste been. Die kunnen niet veel mensen zo geven. Leuk om te doen, vind ik. Een soort specialiteit. Wat ik zeg: het achterste been, dus je moet snel zijn. Je scheen raakt de binnenkant van het bovenbeen van de tegenstander. Je moet ’m goed opzetten, anders lukt het niet. Maar als ik die zo plaats, is dat niet fijn voor je. Dat voel je, dat voelt iedereen.’

‘Pianomuziek, ik word daar heel rustig van. Vooral van Ludovico Einaudi. Soms luister ik op de bank, maar meestal als ik een ijsbad neem: dat probeer ik dagelijks te doen. Welke liedjes? Ik ken die titels niet zo.’

Hij drukt op wat toetsen van zijn telefoon: dwarrelende pianotonen vullen de eetzaal van het Krasnapolsky Hotel. ‘Hier, Ludovico staat zelfs nog Source: Volkskrant

Previous

Next