N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Pensioenprotest Het geweld neemt toe bij de protesten in Frankrijk, vanuit demonstranten én de politie. In het gepolariseerde land lijk je de keuze te moeten maken welk geweld je ziet.
Demonstranten lopen langs brandende afvalcontainers tijdens een demonstratie in Bordeaux, 18 maart 2023.
Een man met een kinderwagen met daarin een huilende peuter rent door de met kasseien belegde straten van Bordeaux. „Pas toch op, man”, roept een jongen hem toe, die zelf net de andere kant op snelt. De jongen doet een duikbril op en trekt een sjaal over zijn gezicht terwijl hij het met rook en traangas gevulde Place de la Victoire oploopt, in de richting van de harde knallen die daar sinds een paar minuten te horen zijn.
Hij verdwijnt in een mensenmassa van vluchtende demonstranten, gehelmde journalisten en in het zwart geklede jongens die stenen, blikjes en brandende stukken karton gooien naar de tientallen aanwezige agenten van de oproerpolitie. Zij vuurden kort daarvoor traangasgranaten af op de paar honderd betogers op het plein. „Iedereen haat de politie”, scanderen zij, tussen het spugen en huilen door.
Het is een zonnige dinsdagmiddag, kort na het einde van de tiende demonstratiedag tegen de pensioenhervorming van president Emmanuel Macron. „Dit is nog niets, joh”, zegt de 24-jarige demonstrant Capucine Patinec, gevraagd naar de chaos op het plein. Ze draagt een mondkapje om haar luchtwegen te beschermen tegen het traangas. „C’est normal.”
Patinec heeft gelijk: sinds een week of twee is geweld niet meer weg te denken bij de demonstraties tegen de pensioenhervorming. De eerste weken na de aankondiging half januari verliepen de protesten grotendeels gemoedelijk. Maar sinds de regering 16 maart het parlement passeerde met een beroep op het volgens tegenstanders anti-democratische grondwetsartikel 49.3, is er sprake van een „escalatieproces”, zegt criminoloog Sebastien Roché, onderzoeksdirecteur op het gebied van politie bij het Nationaal Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek CNRS.
Onvrede over de impopulaire pensioenhervorming breidde zich uit met woede over de ‘autocratische’ manier waarop de regering de hervorming doorvoert en sindsdien lukt het de vakbonden niet meer de onvrede en woede te kanaliseren, zegt Roché. Hierna veranderden de tweewekelijkse, door vakbonden strak georganiseerde protesten in dagelijkse en spontane betogingen die meer dan eens uitmondden in rellen. Daarbij zijn meer jongeren, meer boosheid en „een explosie van confrontaties”. Beelden van brandende prullenbakken, jongeren die stenen naar de zwaarbewapende politie gooiden en de brandende deur van het stadhuis van Bordeaux gingen de wereld over.
De regering reageerde met een repressieve aanpak met als doel, in de woorden van Roché, „het doden van de protesten”. Dat gebeurt door de inzet van traangas, stungranaten en het gebruik van wapenstokken tegen groepen demonstranten; soms ook waterkanonnen en rubberen kogels. „Een aanval op de zintuigen”, noemt de in ordehandhaving gespecialiseerde socioloog Patrick Bruneteaux het – hij werkte in het verleden als politietoezichthouder. „De ordediensten proberen demonstranten te destabiliseren door hun zicht, gevoel en gehoor te belemmeren.”
Ook stuurt de politie speciale eenheden de steden in, zoals de zwaarbewapende motoragenten van BRAV-M. En de ordediensten gebruiken formeel verboden nasses, fuiken, waarbij demonstranten, soms per honderden, worden ingesloten waarna agenten makkelijk betogers kunnen oppakken. (De meesten komen na een dag of twee weer vrij, omdat ze geen strafbare feiten hebben gepleegd.)
Dat van beide kanten geweld wordt ingezet, is onmiskenbaar. Maar in het gepolariseerde Frankrijk lijk je te moeten kiezen welke kant je ziet. Populistisch-rechtse nieuwszenders brengen vooral radicale demonstranten zoals de antifascistische black blocs in beeld terwijl zij rijksmonumenten bekladden, ruiten inslaan of projectielen gooien naar de politie. Zo maakte C-News, de Franse versie van Fox News, de afgelopen tijd melding van een demonstrant die „een agent wilde vermoorden”, iemand die een agent met een skateboard had geslagen en de „radicalen” die agenten belaagden bij een klimaatprotest bij een waterbassin in Sainte-Soline afgelopen weekend.
(Uiterst-)linkse nieuwsmedia richten hun aandacht juist op het politiegeweld. Media als Médiapart en Libération publiceerden over onterechte arrestaties, demonstranten die liggend op de grond geslagen werden met wapenstokken, omstanders die van terrassen af werden getrokken door leden van BRAV-M. Ook hun verslaggeving over de gebeurtenissen in Sainte-Soline is anders: de focus ligt niet op de radicale demonstranten, maar op de agenten die „oorlogswapens” inzetten tegen betogers (van wie twee ernstig gewond raakte en één nog in coma ligt).
Op sociale media is deze tweedeling nog duidelijker. Gematigder media laten vaker beide kanten zien, maar ook daar is de links-rechtsverdeling te herkennen. Over aantallen slachtoffers is de balans overigens nog niet op te maken; volgens de regering zijn ruim achthonderd ordehandhavers gewond geraakt bij de pensioendemonstraties, hoeveel burgers tot dusver gewond zijn geraakt, is onbekend.
„Sommige media gaan mee in de retoriek van de regering: het geweld van individuen legitimeert het politiegeweld”, aldus Roché. Hij verwijst naar minister van Binnenlandse Zaken Gérald Darmanin die benadrukt dat de politie geweld mág inzetten. Darmanin ontkent bovendien het bestaan van ‘politiegeweld’ en stelt dat er enkel sprake is van „individuele agenten en gendarmes die, vaak omdat ze erg moe zijn, soms daden plegen die niet overeenkomen met hun training”.
Maar, zo zeggen Roché, Bruneteaux en andere experts, het geweld dat de ordediensten inzetten, is objectief gezien niet proportioneel. „De sterke toename van geweld door de ordediensten is niet evenredig aan de toename van agressieve demonstranten”, zegt Bruneteaux. „Inderdaad, er zijn meer opgewonden individuen die stenen gooien, maar vergeleken met wat de politie kan doen, is dat peanuts.”
„Het probleem is dat de Franse ordediensten zich niet richten tegen individuen, maar tegen de hele groep”, zegt Roché. „De politie lijkt protesten te behandelen als een strijd tussen twee gelijke partners, maar de taak van de politie is niet om te vechten met demonstranten, maar om de orde te handhaven.”
p>Bruneteaux voegt toe dat er sinds een paar jaar, en zeker sinds de chaotische gelehesjesprotesten, sprake is van een zerotolerancebeleid. „In het verleden, zoals [bij de studentenrevolte] in mei 1968, hebben we ook extreem gewelddadige protesten gezien. Maar toen wisten de ordediensten hun frustraties beter de baas te blijven, ook al gooiden mensen stenen, molotovcocktails en beledigden zij agenten.” Een interventie en ook geweld kunnen geoorloofd zijn, benadrukt de socioloog, „maar niet na een enkele belediging, en het is verboden te slaan op het hoofd of meerdere keren achter elkaar, zoals we hebben gezien bij de pensioendemonstraties.”
Roché, Bruneteaux en mensenrechtenorganisaties wijzen er ook op dat agenten niet altijd hun verplichte identificatienummer dragen, waardoor vervolging bij excessen vaak lastig is. De Raad van Europa en de Verenigde Naties hebben inmiddels kenbaar gemaakt het geweld dat uitgaat van de Franse politie in de gaten te houden. „Ik herinner eraan dat vreedzaam manifesteren een grondrecht is dat de autoriteiten moeten garanderen en beschermen”, schreef speciaal rapporteur Clément Voule onlangs op Twitter. Roché: „Je merkt dat de beelden die uit Frankrijk komen, de hele wereld shockeren.”
Bruneteaux zegt dat agressief optreden door de politie ook meer geweld vanuit de demonstranten kan uitlokken. Dit is te merken bij demonstranten in Bordeaux. „Wij vechten tegen de repressie van de staat”, zegt een in het zwart geklede jongen van een jaar of twintig. Onder zijn kin hangt een zwarte sjaal waarmee hij zijn gezicht kan bed Source: NRC