N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
De bankencrisis van maart 2023 De tweëenhalve week stress in de financiële sector heeft zijn weerslag gehad. Op banken, op de economie en op het beleid van de centrale banken. Vier inzichten op een rij.
Het was een intensieve maand maart in de financiële sector. De bankrun die Silicon Valley Bank (SVB) in de Verenigde Staten deed omvallen, zette wereldwijd bankaandelen in de min en maakte flink wat rekeninghouders zenuwachtig over de staat van hun eigen bank. Een week later kapseisde de al veel langer kwakkelende Zwitserse bank Credit Suisse, nadat ook daar klanten hun geld hadden weggehaald.
Sinds de redding van Credit Suisse door grote broer UBS lijkt de rust wat weergekeerd. De onrust rond Deutsche Bank vorige week lijkt geen echte oorzaak te hebben gehad. Nu beleggers weer even adem kunnen halen, klanten wat bedaard lijken en bankbestuurders niet elke ochtend meer hoeven te schrikken van het nieuws, is een eerste terugblik te maken. Welke inzichten heeft de bankenstress van maart 2023 opgeleverd?
1 Hoe staat het met de veiligheid van de Europese banken?
Als afgelopen weken een test waren, zijn Europese banken geslaagd. Ondanks de flinke stress op de financiële markten zijn er, zo lijkt, geen banken in de problemen gekomen.
Zijn de banken nu dan helemaal veilig? Kort antwoord: nee. Maar dat is autorijden ook niet. Rijden kan je wel zo veilig mogelijk maken – en dat geldt ook voor banken. Net als er door de geschiedenis van de auto heen telkens maatregelen zijn ingevoerd om het aantal ongelukken en verkeersdoden naar beneden te krijgen, van airbags tot antiblokkeersystemen, is dat ook bij banken gebeurd.
Zeker na de kredietcrisis van 2008, toen het hele banksysteem op omvallen stond, zijn heel wat veiligheidsmaatregelen ingevoerd. Bovendien kwam er een bankenunie in de eurozone. In die zone gelden voor alle banken dezelfde regels, en er is een gemeenschappelijk toezicht is op de naleving daarvan.
Een bank is op diverse manieren kwetsbaar. Een bank trekt in de regel geld aan dat vaak meteen kan worden opgenomen, zoals geld op betaalrekeningen en spaarrekeningen. Dat geld wordt voor een deel gestoken in leningen of beleggingen die niet zo snel te gelde kunnen worden gemaakt (geliquideerd) als de spaarders en depositohouders weglopen. Dan ontstaat er een liquiditeitstekort, terwijl de bank in principe vermogen genoeg heeft (‘solvabel’ is) maar er alleen niet snel genoeg bij kan.
Over die solvabiliteit: vóór de kredietcrisis van 2008 hadden banken volgens de meest strikte definitie een eigen vermogen van soms slechts 2 procent van hun balanstotaal. Oftewel, zij konden tot vijftig maal méér uitlenen dan zij aan buffers hadden. Dat eigen vermogen is sindsdien opgevoerd tot 5 procent of wat meer. Dat lijkt heel wat, maar twintig maal meer uitlenen dan je aan vermogen hebt, is nog steeds best veel. Vandaar dat sommige economen en toezichthouders pleiten voor een verdubbeling van dat vermogen, tot een procent of 10.
Is er toch een bank omgevallen, dan moet de schade worden afgewikkeld. Bij Europese banken zijn spaartegoeden van klanten tot 100.000 euro verzekerd. Het potje voor dit zogenoemde depositogarantiestelsel vullen de banken zelf. Nu gebeurt dat vullen nog nationaal. Er zijn al lang plannen om één garantiepot te maken voor alle eurolanden samen. Daarmee zou de bankenunie compleet zijn.
Maar het depositogarantiestelsel maakt spaargeld tot een ton veiliger, maar geeft geen oneindige garantie. Bij een flinke gezamenlijke crisis zijn banken misschien niet meer in staat om voor elkaars garantie op te draaien, en draaien rekeninghouders – of de samenleving als geheel – alsnog voor de schade op. Het is een van de redenen voor een steeds luider pleidooi om iedere burger een eigen risicovrije betaalrekening te geven bij de centrale bank die in handen is van de staat, al dan niet samen met de invoering van een digitale munt door centrale banken zelf.
2 Wat is het effect op de inflatiebestrijding door centrale banken?
Huizenkopers zullen het misschien hebben gemerkt de laatste drie weken: opeens is de hypotheekrente wat gaan dalen. De reden? Op de financiële markten vatte de verwachting post dat centrale banken binnenkort wel klaar zijn met het verhogen van hun rentetarieven. Gezien de onrust in de bancaire sector zouden centrale bankiers het wat voorzichtig aan gaan doen, dachten beleggers. Het voorkomen van een financiële crisis zou voor hen net even belangrijker zijn dan een beetje inflatie meer of minder.
Inmiddels is duidelijk dat renteverhogingen niet meteen passé zijn als er banken omvallen: de Europese Centrale Bank (ECB), de Amerikaanse Federal Reserve (de Fed) en de Bank of England verhoogden – toevallig tijdens de twee weken van bankenstress – alle drie de rente, verwijzend naar de hardnekkige inflatie. En toch hebben de woelingen in de bankensector iets veranderd. De centrale banken verhoogden de rente maar beperkt (alle drie met 0,25 procentpunt) en stelden bovendien hun verwachtingen voor latere renteverhogingen naar beneden bij.
Dat deden ze niet, of niet alleen, om de financiële stabiliteit te waarborgen – iets wat centrale bankiers niet snel zouden toegeven, want dan lijkt het alsof ze de gegijzelden zijn van banken. Er speelt ook iets anders: de bankenonrust zorgt ervoor dat er mogelijk minder renteverhogingen nodig zijn om de inflatie te temmen.
Renteverhogingen vormen voor centrale banken het klassieke middel voor inflatiebestrijding. Lenen wordt bij een hoge rente onaantrekkelijker voor burgers en bedrijven, wat de consumptie en de investeringen afremt. Dit moet uiteindelijk ook de prijsstijgingen beteugelen. Maar nu de banken in het nauw komen, verlenen ze vanzelf minder krediet aan huishoudens en bedrijven – zonder dat de centrale bank iets hoeft te doen. Het „verkrappen” van de kredietverlening door de bankencrisis kun je zien als „het equivalent” van een renteverhoging, zei Jerome Powell, de chef van de Fed, in zijn persconferentie.
Kunnen centrale banken nu op hun lauweren rusten? Nee. Want hoe sterk het effect van de onrust op de kredietverlening is, is onzeker. Hoe lang banken nog terugschrikken voor risico’s, „weten we niet”, zei Klaas Knot, de president van De Nederlandsche Bank (DNB), vorige week bij de presentatie van het DNB-jaarverslag. Met extra interesse bekijken centrale banken nu de data over ‘financiële condities’: de kredietkosten en voorwaarden op meerdere markten, zoals de hypotheekmarkt en de markt voor bedrijfsleningen.
Renteverhogingen door de centrale bank zelf werken altijd met vertraging door op de inflatie, waardoor het sowieso al lastig is het juiste huidige renteniveau te bepalen. Pas sinds kort, zei ECB-president Christine Lagarde, zijn de eerste tekenen merkbaar van de effecten van de ECB-renteverhogingen in de economie. De onzekere doorwerking van de bankencrisis op de kredietverlening (en dus op de inflatie) komt daar nu bovenop. Het werk van Powell, Lagarde en Knot wordt er alleen maar ingewikkelder op.
3 Wat is de invloed van de bankenstress op de economie?
Om een diepe bankencrisis te omschrijven zijn geen modellen of experimenten nodig. De werkelijkheid is voorhanden: in 2008 explodeerde de sector nadat de zakenbank Lehman Brothers omviel, een crisis in de bankensector die toen al ruim een jaar sluimerde. De onderlinge geldmarkt tussen banken droogde toen volledig op, de financiering van bedrijven, beleggers en burgers stokte en de wereldhandel kwam met een schok tot stilstand. Het was, zoals dat destijds werd omschreven, alsof de wereldeconomie in volle vaart tegen een betonnen muur was gebotst. In 2009 kromp de Nederlandse economie met maar liefst 3,7 procent.
De traumatische gebeurtenis van toen verklaart de nervositeit waarmee er nu op de huidige bankproblemen wordt gereageerd. Iedereen weet nog hoe erg het zou kunnen worden. Maar zelfs als de kans op een bankencrisis van die omvang ditmaal klein is, is de recente bankenstress zeker niet zonder gevolgen. Een afkoeling van de economie mag dan op dit moment gewenst zijn, gezien de hoge inflatie, maar zij moet ook niet bevriezen.
De kern van een mogelijk probleem zit vooral in de kredietverlening door banken. Terughoudendheid bij het verstrekken van leningen kan leiden tot lagere kredietvolumes. Dat gaat niet alleen om nieuw krediet, maar ook om het herfinancieren van leningen die aflopen en vernieuwd moeten worden. Dat zijn er nogal wat. Het totaal aantal leningen dat wereldwijd uitstaat bij overheden, consumenten, bedrijven en de financiële sector zelf is zo’n 350 procent van het wereldwijde bruto binnenlands product. Dat is anderhalf maal méér dan vlak voor de kredietcrisis van 2008.
Minder of duurder krediet raakt de economie over een breed front. Denk aan het minder aangaan van leningen, overheden die toch liever bezuinigen en bedrijven die investeringen uitstellen. Maar denk ook aan een afnemend vertrouwen bij bedrijven en consumenten. Beleggers in commercieel vastgoed, dat doorgaans met veel krediet wordt gefinancierd, zien de bui nu al hangen. Beleggingsfondsen in deze sector zijn in Europa sinds eind februari al met een vijfde in koers gedaald. Ze belandden daarmee onder het vorige recente dieptepunt van oktober vorig jaar, en staan nu op het laagste punt sinds juni 2009 – vlak na de schok van de kredietcrisis.
De stemming is dus slecht. Maar het is te vroeg om nu al te kunnen zeggen wat de impact van de bankenstress is. Veel macro-economische cijfers die nu worden gepubliceerd gaan nog over gebeurtenissen va Source: NRC