Home

‘Ik had mezelf wijsgemaakt dat ik homo was, zei de psychiater’

Als Henk Brouwer op zijn 18de aan zijn ouders vertelt dat hij homo is, hoopt hij dat ze tegen hem zullen zeggen: ‘Henk, het is goed. Je bent wie je bent.’

Dat zeggen ze niet. Hoe zijn vader die dag wel reageert, kan Brouwer zich ruim een halve eeuw later niet precies herinneren, maar de reactie van zijn moeder zal hij nooit vergeten. ‘Nou, dan moeten we de dokter maar bellen.’

Het is 1967. Brouwer woont met zijn ouders en twee broers in Scheemda, een dorp in Oost-Groningen. Zijn vader is rozenkweker, zijn moeder heeft een bijbaan als organist in de kerk. Geloof speelt desondanks geen grote rol in het gezin. Dokters, daar heeft zijn moeder wel een rotsvast vertrouwen in.

De inmiddels 73-jarige Brouwer houdt zijn hand hoog boven de houten eettafel in zijn bovenwoning in de Amsterdamse Jordaan. ‘Psychiaters die stonden hier, in onze beleving.’ Zijn hand zakt tot onder de tafel. ‘En ik stond hier.’

Eenmaal bij de huisarts krijgt hij te horen dat hij het verkeerd ziet. ‘De dokter zei: ik heb jou zelf nog gehaald, jij kunt geen homo zijn.’ De huisarts stuurt hem naar de psychiater. ‘Die zei: ga maar in militaire dienst, dan kom je er wel vanaf.’

Over de auteur

Kaya Bouma schrijft voor de Volkskrant over psyche, brein en gedrag. Ook schrijft ze over de geestelijke gezondheidszorg.

Het is een vrij normale reactie in die tijd. Homoseksualiteit geldt in de jaren zestig als psychiatrische aandoening. Net als bijvoorbeeld transgender personen, zouden homoseksuele mannen en lesbische vrouwen kunnen genezen. In de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) – het naslagwerk voor psychiatrische aandoeningen – valt homoseksualiteit dan nog onder de persoonlijkheidsstoornissen.

Conversietherapie, therapie die erop gericht is homo’s te ‘genezen’, is in die tijd wijdverbreid, zegt psychiater Cobie Groenendijk, die zich al jaren inzet voor ‘lhbti-sensitieve’ zorg. Dat die praktijk nu weer onder de aandacht komt, is mede aan haar te danken. Groenendijk is binnen de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) een van de initiatiefnemers van de officiële spijtbetuiging die donderdag door voorzitter Niels Mulder werd uitgesproken.

Groenendijk: ‘Ik kom zelf uit de bible belt en ken een trits voorbeelden van mensen die te maken hebben gehad met enorme conversiedruk vanuit religieuze groepen. Vanuit mijn werk weet ik hoe schadelijk dat kan zijn. Als je weet dat je eigen beroepsgroep daaraan ook heeft bijgedragen, is dat bijna onverdraaglijk.’

Met de spijtbetuiging hoopt de vereniging slachtoffers te helpen de gebeurtenissen te verwerken. ‘We willen ook een signaal afgeven dat we deze zwarte bladzijde in de geschiedenis van de psychiatrie niet alleen erkennen, maar ook willen omslaan.’

Over die zwarte bladzijde is relatief weinig bekend in Nederland. Hoe groot bijvoorbeeld de groep lbhti’ers is die in het verleden een ‘behandeling’, kreeg, is een vraagteken. Groenendijk: ‘De mensen om wie het gaat zijn zeventigers en tachtigers. Zij zijn vroeger door een behandelaar ongelooflijk hard afgewezen over een heel intiem onderwerp. De schaamte is groot.’ De NVvP verwijst slachtoffers die willen praten over wat hen is overkomen door naar hulporganisatie Mind Korrelatie.

In de VS en het Verenigd Koninkrijk is wel uitgebreid onderzoek gedaan, zegt Gemma Blok, hoogleraar geschiedenis van mentale gezondheid en cultuur aan de Open Universiteit. ‘Die landen waren de bakermat van de aversietherapie. Een behandeling die als doel had walging op te wekken voor bijvoorbeeld alcohol, maar ook voor homoseksualiteit.’ De ‘patiënt’ kreeg stroomstoten toegediend op de geslachtsdelen tijdens het kijken naar homo-erotische plaatjes, of moest een braakmiddel innemen.

Of dat ook in Nederland gebeurde, is onduidelijk. Vakbladen publiceerden wel over aversietherapie als behandeloptie voor homoseksualiteit. Blok pleit voor meer onderzoek. ‘Ik ken geen harde bewijzen dat het hier heeft plaatsgevonden, maar ik kan het ook zeker niet uitsluiten.’

Het dominante denkbeeld in de Nederlandse psychiatrie was vanaf eind 19de eeuw dat homoseksualiteit een ziekte was. Psychiaters in opleiding leerden ook decennia later nog van de invloedrijke Nederlandse psychiater Piet Kuiper dat homoseksualiteit een ‘neurose’ was. Hij nam de ‘afwijking’ in 1966 op in zijn studieboek Neurosenleer.

De meest gebruikelijke ‘aanpak’ was gesprekstherapie. Dat gebeurde onder andere onder invloed van Sigmund Freud. De grondlegger van de psychoanalyse zag homoseksualiteit als het gevolg van een vastgelopen seksuele ontwikkeling. Jongens zouden bijvoorbeeld een ‘fixatie’ op mannen krijgen als gevolg van een dominante moeder of afwezige vader. Blok: ‘Zelf geloofde Freud niet dat homoseksualiteit te genezen viel, maar latere psychoanalitici dachten van wel.’

Vanaf de jaren dertig experimenteerden Nederlandse artsen met chirurgische castratie (het verwijderen van de teelballen) om van ‘perverse’ neigingen als homoseksualiteit af te komen. Dat gebeurde bijvoorbeeld in psychiatrische klinieken bij mannen die behandeld werden voor hun homoseksualiteit.

‘Eerst probeerden we allerlei therapeutische behandelingen, maar als die geen succes hadden, overwogen we castratie toe te passen’, zei de inmiddels overleden psychiater Aimé Wijffels eind jaren jaren tachtig in een interview over deze methode. ‘Dat kon alleen met toestemming van de patiënt. Ik zei dan: Ik kan je helpen, niet om je van de richting van je seksualiteit af te helpen, je bent nu eenmaal homofiel gericht, maar ik kan wel de libido verminderen.’

Wijffels, die zichzelf ‘de grote castreur van Nederland’, noemde, werkte in de Willibrordusstichting, een katholieke psychiatrische kliniek in Heiloo waar veel castraties plaatsvonden. Hoogleraar Blok: ‘Officieel was castratie altijd vrijwillig, maar je kunt je natuurlijk afvragen hoe vrijwillig het was als de maatschappij je afwijst.’

In de jaren vijftig vonden de meeste castraties plaats. Dat gebeurde vooral binnen het strafrecht, bij zedendelinquenten zoals pedofielen, maar ook bij homo’s. Want hoewel homoseksualiteit in Nederland sinds 1811 niet meer strafbaar is, was het tussen 1911 en 1971 wel strafbaar om seks te hebben met iemand van hetzelfde geslacht jonger dan 21 jaar. Voor heteroseks lag de minimumleeftijd toen al op 16 jaar. In de praktijk betekende het dat een man van 21 die iets had met een man van 19 vervolgd kon worden als zedendelinquent.

In Nederland zijn vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw zeker 540 mannen gecastreerd, bleek in 2015 uit onderzoek in opdracht van de Tweede Kamer. Waarschijnlijk waren het er veel meer. Blok: ‘Een deel van deze groep was homoseksueel. Dat waren er zeker tientallen.’

Volgens behandelaren had castratie bij vrouwen niet het ‘gewenste effect’. Er zijn maar twee gevallen van castraties bij vrouwen (het verwijderen van eierstokken) bekend: twee lesbische meisjes uit orthodox-christelijke kring die ‘diep gebukt gingen onder hun afwijkende seksuele aanleg’ . De castraties stopten eind jaren zestig.

In de jaren vijftig werd er ook geëxperimenteerd met ‘koolzuurinhalatietherapie’. Patiënten die zo’n behandeling ondergingen, kregen een mengsel van kooldioxide en zuurstof te inhaleren, waardoor ze minutenlang buiten bewustzijn raakten. Blok: ‘Het idee was dat ze in een toestand van verlaagd bewustzijn en hallucinaties, bepaalde gevoelens uit het verleden konden herbeleven. Gevoelens die ten grondslag zouden liggen aan hun homoseksualiteit.’ De behandeling, die gecombineerd werd met gesprekstherapie, was niet wijdverbreid, vermoedt de historicus.

Dit soort gruwelijke methoden zijn Henk Brouwer bespaard gebleven. Nadat een psychiater hem als 18-jarige had geadviseerd het leger in te gaan om van zijn homoseksualiteit af te komen (‘ik wilde absoluut niet het leger in’), komt hij bij een andere psychiater terecht, verbonden aan het academisch ziekenhuis in Groningen.

In 1952 wordt homoseksualiteit opgenomen als psychiatrische aandoening in de DSM, het invloedrijke handboek van psychiaters, opgesteld door de Amerikaanse beroepsvereniging voor psychiaters. Homoseksualiteit viel onder de persoonlijkheidsstoornissen in de categorie ‘seksuele afwijkingen’, net als fetisjisme, pedofilie, travestie en exhibitionisme.

Deze psychiater neemt de tijd hem te onderzoeken. Lichamelijk – ‘ik weet nog dat ik daar in mijn onderbroek stond’ – maar vooral geestelijk, in een aantal gesprekken. Hoeveel gesprekken dat precies waren (‘minder dan tien’), en wat ze destijds allemaal besproken hebben, weet Brouwer niet meer. Het zijn pijnlijke herinneringen van 56 jaar geleden, waar hij nooit eerder in detail over vertelde.

Wel weet hij nog dat zijn psychiater hem een keer onaangekondigd meeneemt naar een andere kamer. ‘Daar zaten een stuk of tien jonge dokters me op te wachten.’ De jonge dokters, vermoedelijk psychiaters in opleiding, stellen hem vragen. ‘Op dat moment ge Source: Volkskrant

Previous

Next