Drie biggetjes bouwen huisjes voor zichzelf met stro, hout en baksteen. In het sprookje wordt al snel duidelijk dat het biggetje dat voor baksteen kiest het slimst is; zijn huisje wordt als enige niet door de boze wolf omvergeblazen. Maar vanuit de hedendaagse blik op duurzaam bouwen is metselwerk niet per se de beste keus. In hout en stro zit immers koolstof opgeslagen, terwijl de productie van baksteen gepaard gaat met de nodige CO2-uitstoot.
Lag de focus bij duurzaam bouwen tot voor kort op het terugbrengen van energieverbruik door betere isolatie en zuiniger installaties, inmiddels weten we dat materiaalgebruik minstens zo belangrijk is. Het winnen van grondstoffen en het transport en de productie van materialen als beton en staal kosten veel energie. Maar vooralsnog zweert de staalbouwer bij staal, want sterk en omsmeltbaar, terwijl de betonarchitect beweert dat beton honderden jaren meegaat.
Over de auteur
Kirsten Hannema is architectuurrecensent van de Volkskrant. Ze schrijft sinds 2007 over architectuur, stedenbouw en landschapsontwerp.
Iedereen is met duurzaamheid bezig en toch blijft in de bouw vaak vaag wat er precies mee bedoeld wordt, zagen ze bij LEVS Architecten. Onder het motto meten is weten zocht het bureau uit wat de bouwsector kan doen om de klimaatdoelen van Parijs te halen, zowel globaal (maximaal 1,5 graad opwarming) als in Nederland (55 procent CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990).
Carbon-based design heet de ontwerpmethode die ze presenteren in het pas verschenen gelijknamige boekje. Met computersoftware, een materialenbibliotheek en een rekenmethode voor duurzaam bouwen, het Paris proof-rekenprotocol, rekenden ze de CO2-voetafdruk van (door henzelf ontworpen) gebouwen uit. Die toetsten ze aan het CO2-budget dat we volgens het Parijsakkoord nog hebben. Vergelijk het met een zak chips waarop je ziet hoeveel calorieën deze bevat, en hoe dat zich verhoudt tot de calorieën die je op een dag verbruikt.
Het slechte nieuws: als we doorbouwen zoals we nu doen, met overwegend CO2-intensieve materialen als beton en staal, gaan we de klimaatdoelen nooit halen; overstappen naar biobased materialen en houtbouw is daarvoor noodzakelijk. Het goede nieuws: overstappen kan stapsgewijs en iedereen kan er nu mee beginnen. Bijvoorbeeld door hybride constructies te maken, met beton alleen waar grote draagkracht vereist is, en hout waar mogelijk. Of door glaswol te vervangen door houtvezel-isolatie, en binnenwanden met metalen frames en gipsplaten door houten frames gevuld met vlas.
De ontwerpers tonen met een simpele rekensom dat je om te beginnen beter het merendeel van de nieuwbouw een beetje duurzamer kunt bouwen dan een klein deel ultraduurzaam. De conclusie blijft evenwel dat we naar een sluitende materialenkringloop moeten toewerken, waarbij in de basis met hernieuwbare grondstoffen wordt gewerkt, en staal en beton 1 op 1 worden hergebruikt. Dat vraagt om nieuwe, radicale strategieën. Dit zijn drie veelbelovende voorbeelden.
Op naar 100 procent hout
In de Almeerse zelfbouwwijk Oosterwold staan twee houten ‘tenten’, opgetrokken uit driehoekige spanten en houtvezelplaten, geïsoleerd met een dik pakket houtwolisolatie en bekleed met grijzige vezelcement-golfplaten. Het is het ‘A-frame’-huis dat La-di-da Architecten bouwde voor curator Theo Tegelaers en fotograaf Victoria Ushkanova. Een bescheiden woonhuis met atelier, dat staat voor een hoger streven: 100 procent biobased oftewel plantaardig bouwen, voor een redelijke prijs (2 á 2,5 ton voor een woning van 100 vierkante meter).
‘Wij vinden dat biobased bouwen niet een concept moet zijn, maar de normaalste zaak van de wereld’, zegt architect Diederik de Koning. Het bureau bouwt daarbij voort op de Hollandse houtbouwtraditie. ‘Nederland wordt een baksteenland genoemd, maar dan heb je het slechts over de gevels; tot zeer recent werden vrijwel alle gebouwen met hout geconstrueerd’, zegt Koning, die promoveert op boerderijarchitectuur vanaf de prehistorie. Partner Laura van Santen somt de voordelen van hout op: je kunt het lokaal produceren, waarbij CO2 wordt opgeslagen in plaats van uitgestoten, het is biologisch afbreekbaar, herbruikbaar, licht in gewicht, eenvoudig te bewerken en daardoor bij uitstek geschikt voor zelfbouw, al dan niet met hulp van een aannemer. Hier zijn de spanten ter plekke in elkaar geschroefd en met twee man omhoog gehesen.
‘Op Facebook zag ik het houten woonhuis met schuur dat La-di-da Architecten in de Achterhoek bouwde; het materiaal, de plek in het groen, dat sprak ons aan’, vertelt Ushkanova. ‘We wilden een huis dat zou opgaan in dit voormalige agrarisch gebied’, vult Tegelaers aan, ‘en zo veel mogelijk ecologisch’. Op het inmiddels licht bemoste dak is een installateur bezig om zonnepanelen te plaatsen, een warmtepomp levert water voor de vloerverwarming. De binnenwanden en inbouwkasten zijn getimmerd met berken multiplex.
De architecten hadden ook houten funderingspalen willen gebruiken, maar Almeerse regelgeving schreef beton voor. Bij het dijkhuis dat ze in Strijensas realiseerden, lukte het wel met houten palen. Voor dat project wonnen ze de Abe Bonnemaprijs 2022. Het prijzengeld investeren ze in onderzoek naar houtbouw. ‘Met een Friese spantenbouwer ontwikkelen we prefab houten woonmodules voor woningen in het buitengebied. De grond is daar nog betaalbaar, er is ruimte voor het telen van en experimenteren met biobased materialen en geen noodzaak om hoger dan een laag of vijf te bouwen.’ Want toegegeven, daarvoor is houtskeletbouw niet ideaal.
Een donorskelet en ander hergebruik
Betonnen vloerplaten en gevelelementen liggen naast stalen wenteltrappen, keurig gesorteerd op een veld langs de A50 bij Heerde, als een levensgroot legobouwpakket. ‘Zo kun je het inderdaad zien’, zegt architect en projectontwikkelaar Menno Rubbens van bureau Cepezed. Met deze bouwstenen, afkomstig uit het voormalige Gelderse provinciekantoor, gaat het bureau een circulair centrum bouwen: het visitekaartje van sloopbedrijf Lagemaat, dat zichzelf opnieuw heeft uitgevonden als oogster van bouwmaterialen.
Zelf werkt Cepezed sinds de oprichting in 1973 veelal met beton en staal, omdat het slijt- en maatvaste materialen zijn; bij uitstek geschikt voor prefabricage en snelle assemblage op locatie, die volgens Rubbens leidt tot ‘hogere efficiëntie en kwaliteit’. Inmiddels is er het besef dat die materialen veel CO2-uitstoot veroorzaken; juist daarom moeten we ze zo veel mogelijk hergebruiken, zegt Rubbens. Gelukkig zijn de – strak vormgegeven - gebouwen van Cepezed eenvoudig uit elkaar te schroeven.
Samen met Lagemaat werkt het bureau aan een reeks bouwprojecten waarbij draagconstructies als zogenoemd donorskelet een nieuw leven krijgen. Zo zal de tijdelijke rechtbank die Cepezed in 2016 in Amsterdam bouwde en die vorig jaar is gedemonteerd en opgeslagen, als kantoor herrijzen in Enschede. ‘Daarmee besparen we 2.000 ton CO2’, weet Rubbens.
Naar aanleiding van dat project vroeg Lagemaat de architecten om voor de sloop van het Gelderse provinciekantoor alvast mee te denken over mogelijk hergebruik. Aldus ontstond het idee voor het circulair centrum in Heerde. Het Zuiderstrandtheater dat Cepezed in 2014 als tijdelijk theater in Scheveningen bouwde, wordt momenteel gedemonteerd en hergebruikt voor de bouw van een cultuurcomplex in Oss.
Duidelijk is dat circulair bouwen niet los is te zien van afbreken, wat vooralsnog veelal met sloopkogels gebeurt. ‘Dat is het goedkoopste’, weet Rubbens. Hij pleit voor regelgeving die een bepaald percentage (direct) hergebruik verplicht, en ervoor zorgt dat gebouwen ‘losmaakbaar’ worden ge- en herbouwd. Dat vereist een goede administratie, zodat je weet welk materiaal waar beschikbaar is, en hoe constructieve elementen eerder belast zijn en opgeslagen kunnen worden. Het vraagt ook om een andere manier van ontwerpen. ‘In plaats van: waarmee zal ik mijn ontwerp maken, is de vraag: wat is er voorhanden, en wat kan ik ermee? Je wilt niet dat het er als een omgevallen bouwmarkt uitziet; het circulair centrum krijgt de uitstraling van een volwaardig gebouw.’
Kalkhennep: het nieuwe beton?
De hennepplant kennen we als grondstof voor hasj en wiet, maar is ook een geweldig biobased bouwmateriaal. Dat wil bureau SLA laten zien met het ontwerp voor het kunstenaarsverblijf in Rotterdam – een van de eerste hennephuizen in Nederland – gerealiseerd in opdracht van de stichting Theaterstad Rotterdam.
‘De opdrachtgever wilde een duurzaam pand’, vertelt architect Peter van Assche. ‘Ik heb uitgelegd dat we dan af moeten stappen van de traditionele bouwmethode. Ga maar na: we maken een dragende muur van kalkzandsteen, zetten daar steenwolisolatie tegenaan, timmeren er met latten een folielaag op tegen de regen, dan volgt een luchtspouw voor ventilatie en tot slot meestal een gevel van baksteen, puur voor het beeld. Een vrij ridicule wandopbouw, met veel vervuilende materialen.’
‘Het mooie van kalkhennep – 80 procent hennep, 20 procent kalk, 100 procent biologisch afbreekbaar – is dat je al die problemen in een keer oplost. Met een 40 centimeter dikke muur, opgebouwd uit prefab-elementen, heb je je isolatie en vochthuishouding geregeld, waarbij de houten frames de vloeren dragen.’
Aan de buitenzijde is het kunstenaarshuis afgewerkt met (biologisch) stucwerk, binnen met leem. Het oogt verrassend gewoon, en precies Source: Volkskrant