Drieënhalf jaar is luitenant-generaal Martin Wijnen (57) nu Commandant Landstrijdkrachten, maar een dag als vandaag gaat hij niet snel meer meemaken. De Nederlandse 13 Lichte Brigade wordt officieel ‘onder bevel gesteld’ van de Duitse 10e Pantserdivisie. Bij de militaire ceremonie in Veitshöchheim, de thuisbasis van de Duitse divisie, zullen onder meer minister van Defensie Kajsa Ollongren en haar Duitse collega Boris Pistorius aanwezig zijn. De integratie gebeurt tegen de achtergrond van wat commandant Wijnen ‘de grootste verandering sinds de Tweede Wereldoorlog’ noemt. Hoewel door Ruslands invasie van Oekraïne de aandacht voor de krijgsmacht groeiende is, zullen maar weinig mensen dat beseffen, vermoedt hij.
Wat die verandering concreet inhoudt? ‘De terugkeer van de krijgsmacht naar warfighting – de eerste hoofdtaak van de krijgsmacht (in de Grondwet, red.): de verdediging van het bondgenootschappelijk grondgebied. Elke opponent afschrikken en als afschrikking faalt, jezelf verdedigen. Dat is de kernopdracht, en die strategische focus voor de krijgsmacht heeft zich, al was de aanloop naar deze omslag al in 2014 begonnen, bijna van de ene op de andere dag voltrokken.’
De terugkeer van oorlog op het Europese continent heeft grote gevolgen, ook voor Nederland. Het Navo-bondgenootschap, waarin Nederland zijn nationale veiligheid waarborgt, gooit het roer drastisch om en is druk bezig de wetten van collectieve defensie te herontdekken. De gevolgen zijn groot, te beginnen met de vraag naar meer parate eenheden. Bij de militaire plannen van de Navo wordt teruggegrepen op oudere concepten, zoals een regionaal georganiseerde voorwaartse verdediging van de oostflank.
Dat betekent niet alleen dat bondgenoten als Nederland nog meer in defensie moeten gaan investeren, maar ook dat de landmacht wat Wijnen betreft anders gaat aankijken tegen de organisatie van de eenheden. Gedwongen door bezuinigingen was de ondersteuning van de brigades gecentraliseerd, wat de inzetbaarheid en het vermogen langere tijd een eenheid in te zetten beperkte. ‘Elke keer als we voor een vredesoperatie op pad gingen was het tailored to the mission, werden eenheden samengesteld en opgewerkt’, zegt Wijnen. ‘De essentiële omslag is nu dat we er vanavond klaar voor moeten zijn: ready to fight tonight, zoals de Amerikanen zeggen. Zoals we nu georganiseerd zijn, operate as we are. Dat moet je fixen.’
Het betekent dat de benodigde ondersteuning voor het gevecht – zowel militair als logistiek – terug moeten naar de manoeuvre-eenheden. ‘Die moeten kunnen functioneren zonder dat je eerst alles bij elkaar moet organiseren. Dus de artillerie gaan we uitbreiden met extra pantserhouwitsers en verdelen over de brigades. De mortiercompagnie gaat met nieuwe mortieren naar de luchtmobiele brigade en we gaan investeren in raketartillerie. Hetzelfde doen we bij de logistiek.’
Waar ook veel in wordt geïnvesteerd: combat net radio’s en battlefield management systems. Of in gewoon Nederlands: communicatiesystemen die de militairen op het slagveld in staat stellen met elkaar te communiceren. Wijnen: ‘Je ziet het van buiten niet, maar als alles wat we hebben aan elkaar geknoopt wordt, maakt ons dat heel sterk: een gevecht van verbonden wapens. Dan kun je snel van sensor naar shooter gaan. Dat is wat de Oekraïners relatief zo sterk maakt: ze zien iets, en reageren. De Russen zijn ongelooflijk traag, al leren ze nu in snel tempo bij.’
De transformatie naar eenheden die ‘zoals ze zijn’ ingezet kunnen worden, is een grote, zegt Wijnen. Ook hier is de druk vanuit de Navo om er een tandje bij te doen sterk. ‘De Amerikanen kijken naar wat de Navo in huis heeft en zien dan overal op papier tekens, icons, die een eenheid voorstellen. Maar als je daaronder kijkt, zie je dat het aan veel ontbreekt. Want we hebben niet voor elke eenheid de artillerie, de luchtverdediging, de logistiek, om het werkbaar te maken. En de buren ook niet. Er zijn tekorten. Dus moeten wij gaan zorgen dat wat we hebben, ook echt werkt. De Amerikanen zeggen dan: fill the f***ing icon.’
Nederland en Duitsland zetten een nieuwe stap in de samenvoeging van hun strijdkrachten. De 13de Lichte Brigade uit Oirschot gaat donderdag op in de Duitse 10de Pantserdivisie. Daarmee valt het overgrote deel van de gevechtseenheden van de Nederlandse landmacht onder Duits bevel.
Binnen de NAVO werken beide landen al decennia samen. Het leidde ertoe dat in 1995 het Duits-Nederlandse legerkorps werd opgericht dat het hoofdkwartier heeft in Münster. In de jaren daarna groeide de samenwerking tussen beide landmachten. De 11 Luchtmobiele Brigade maakt sinds 2014 onderdeel uit van de Division Schnelle Kräfte en twee jaar later werd de 43 Gemechaniseerde Brigade uit Havelte onderdeel van de 1ste Duitse Pantserdivisie.
De trend tot samensmelting is versneld door de oorlog in Oekraïne. Verdere integratie moet de strijdkrachten van beide landen versterken. Er wordt samen opgeleid en geoefend. Het moet er ook toe leiden dat gezamenlijk materieel wordt ingekocht. Dat is goedkoper, maar moet er tevens voor zorgen dat er veel minder verschillende wapensystemen komen waardoor samenwerking makkelijker wordt.
Dat de eenheden van de landmacht opgaan in de Duitse divisies betekent niet dat de zeggenschap uit handen wordt gegeven. Nederland blijft beslissen over de inzet van zijn militairen. In de politiek is grote steun voor de bundeling van krachten. Niet alle onderdelen van de landmacht gaan overigens samen met de Duitsers. Zo blijft het Korps Commandotroepen zelfstandig opereren.
De integratie in grotere Duits-Nederlandse verbanden, die al in 1995 begon met een binationaal legerkorpshoofdkwartier maar die de afgelopen tien jaar in een stroomversnelling kwam, heeft vooral praktisch nut, zegt Wijnen. Het stelt Nederland met zijn drie brigades in staat op divisieniveau met de Duitsers te opereren, het krikt de kwaliteit van de eenheden op en heeft andere immateriële en materiële voordelen. ‘Het wordt makkelijker om samen te vechten als je dat doet met partners waarmee we trainen en die we al kennen. Niet voor niks zitten we in Litouwen met de Duitsers. We kunnen elkaar goed begrijpen, over en weer. En we zijn complementair: de Duitsers zijn iets degelijker, wij zijn misschien wat wispelturiger en dan komen creativiteit en soliditeit bij elkaar.’
Gezamenlijke trainingen, dezelfde operationele concepten, dezelfde operationele behoeften – idealiter zou dat moeten leiden tot vergelijkbaar materieel. ‘Wat mij betreft identiek’, zegt Wijnen. Hij geeft een voorbeeld van het luchtmobiele voertuig, ‘een klein voertuig dat niks mag wegen maar alles moet kunnen’.
‘Hoewel mijn Duitse collega en ik allebei zeiden ‘we willen een identieke behoeftestelling’, kwamen de staven eropuit dat de behoefte op een aantal punten in Nederland echt anders was dan in Duitsland, en omgekeerd. Dus toen hebben we op vrijdagavond een meeting belegd, en gezegd: aan het eind van deze vergadering ligt er één set doelstellingen. Op vier punten waren er verschillende inzichten. Uiteindelijk volgden we de Duitse voorkeur op twee punten en op twee andere punten de Nederlandse. Het is goedkoper, dezelfde reserveonderdelen. Logistiek is het gemakkelijker. Iedereen snapt de voordelen, maar we kunnen het toch niet nalaten om dat ene piefje Nederlands te laten zijn. Stop ermee, zou mijn oproep zijn.’
Hoewel de integratie met de Duitsers bij sommigen romantische gedachten oproept over een ‘Europees leger’, is de werkelijkheid prozaïscher. En dat geldt zeker voor de politieke besluitvorming over inzet – die volledig nationaal blijft. ‘Paniek op Sint Maarten omdat er een orkaan is geweest? Dan halen we die eenheid er gewoon uit en gaat die echt naar Sint Maarten. Geen Duitser die daar wakker van ligt.’
Wijnen hoopt dat de grote strategische verandering waarvan hij spreekt, ook de rest van de maatschappij bewuster maakt van de rol die zij speelt of kan spelen in het waarborgen van de veiligheid van Nederland. Termen als whole of society approach en all hazards veiligheidsstrategie passeren de revue als hij spreekt over resilience, oftewel: weerbaarheid.
Net zoals de Navo niet rechtstreeks terugkeert naar het militaire concept uit de Koude Oorlog, maar een veel lichtere en modernere versie daarvan, zo ziet Wijnen dat ook met weerbaarheid. Dus geen mobilisabel leger meer van 200 duizend mensen, en geen ‘mobilisatiecomplexen vol defensiematerieel’. Maar slimmere oplossingen om in crisistijd snel te kunnen opschalen.
Twee speerpunten daarin zijn het zogeheten ‘dienjaar’, dat nu voorzichtig in testvorm is begonnen en dat jongeren wil verleiden na hun middelbare school een jaar te tekenen. Het tweede is nauwere samenwerking met het bedrijfsleven dat – tegen betaling en volgens vooraf gemaakte afspraken – zo nodig bijspringt in een noodsituatie.
Een kleine professionele krijgsmacht heeft geen groot voortzettingsvermogen, zegt Wijnen. ‘Maar kijk je naar Oekraïne, dan moet je dat wat langer kunnen volhouden.’ Daarvoor vestigt hij zijn hoop op het te ontwikkelen ‘schillenmodel’. De eerste schil zijn de militairen die op een snelle reactietijd staan. De tweede schil zijn militairen in ondersteunende functies. ‘Die krijgen in zo’n model een papiertje: in geval van spanning ga jij dat doen.’ De derde schil de reservisten, in alle smaken en vormen, en daar komen dan de dienjarigen bij. De vierde schil: het bedrijfsleven, waarmee defensie een ‘opschaalcapaciteit’ Source: Volkskrant