Wallert presenteert zijn bevindingen woensdag op het Vermeer-Symposium in het Rijksmuseum in Amsterdam.
Nogal een opwindend idee: een nieuwe Vermeer. Of eigenlijk: tóch een Vermeer. Maar Arie Wallert, gepensioneerd onderzoeker van het Rijksmuseum in Amsterdam, dempt de feestvreugde: ‘Ik weet niet of ik het Philadelphia Museum of Art moet feliciteren of condoleren.’ Het schilderij, al bijna honderd jaar onttrokken aan het zicht van het publiek, verkeert in zeer slechte staat. Volgens Wallert is het daarom ten onrechte afgeschreven.
‘Oude meester hier tot kopie verklaard’, kopte The New York Times op 12 januari 1928. Het was slecht nieuws voor het museum in Philadelphia: hun gitaarspeelster (destijds toegeschreven aan Vermeer) bleek een tweelingzusje te hebben in Londen. Die Londense versie bevond zich volgens criticus Robert R. Tatlock ‘overduidelijk (…) op een veel hoger esthetisch niveau’. Het was beter afgewerkt (‘de impasto is veel rijker en dichter’) en daardoor scherper. Beide gitaarspeelsters konden vanwege dit kwaliteitsverschil onmogelijk dezelfde maker hebben. Daarom concludeerde Tatlock: het schilderij uit Philadelphia ‘houdt geen stand’.
Daarvoor had het nooit argwaan gewekt. In 1909 had het doek, dat toen nog behoorde tot de collectie van John G. Johnson, in het Metropolitan in New York gehangen, samen met vier andere (onomstreden) Vermeers. ‘De schilderijen die worden tentoongesteld, zijn de meest bevredigende voorbeelden van Vermeers kunst’, vermeldt de catalogus.
Dergelijke lof hield begin 1928 geen stand meer. Tatlock had zijn bevindingen in een gezaghebbend wetenschappelijk tijdschrift gepubliceerd. Het schilderij werd verbannen naar het depot. Volgens onderzoeker Arie Wallert was het schilderij voor het museum sindsdien iets hoogst ongemakkelijks: ‘Als een steentje in hun schoen.’
Maar Wallert was nieuwsgierig naar dat ‘steentje’. In 2016 reisde hij met Pieter Roelofs (inmiddels hoofd beeldende kunst van het Rijks) door de VS. Ze gingen ook langs het museum in Philadelphia, speciaal om te kijken naar die nep-Vermeer in het depot, waar weinig over bekend was. Op de museumsite is slechts een korrelige zwart-witfoto te vinden. Wallert deed eerder onderzoek naar de bekende Vermeer-vervalsingen van Han van Meegeren, dus hij was benieuwd wat hij zou aantreffen.
Dat was schrikken: in het doek zit een gat dat oppervlakkig was hersteld. Hij vond het schilderij er duister uitzien: ‘Het heeft diezelfde grauwigheid als de Van Meegeren-vervalsingen, een beetje naargeestig.’ Een jaar later kwam hij terug om zes verfmonsters te nemen. Op een eerste analyse van die monsters dacht Wallert het pigment Berlijns blauw te zien: ‘Dat pigment bestaat pas sinds 1708’. Eerder in zijn loopbaan had Wallert op een paneel dat het Rijksmuseum in 1800 als een Rembrandt had aangekocht Berlijns blauw aangetroffen. Dat schilderij bleek daarom geen Rembrandt te zijn. En deze Gitaarspeelster leek geen Vermeer, want de schilder overleed in 1675.
Maar in de aanloop naar de Vermeer-tentoonstelling, nu in het Rijksmuseum, is Wallert nog eens naar zijn verfmonsters gaan kijken. Bij nadere inspectie bleken de stippels blauw geen Berlijns blauw, maar indigo, een pigment dat Vermeer weleens gebruikte. Bovendien trof Wallert loodtingeel aan. Dat is niet alleen een kleurstof waar Vermeer dol op was (denk aan al die gele jasjes), maar belangrijk voor de datering van het doek: ‘Na 1700 gebruikte niemand het meer.’
Een andere cruciale ontdekking van Wallert: de gitaarspeelsters zijn niet zomaar tweelingzusjes. Het gaat qua compositie (enkele wijzigingen, zoals de kapsels, daargelaten) eerder om een schilderkunstige kloon. Leg je de contouren van de twee gitaarspeelsters over elkaar, dan zijn slechts kleine verschuivingen in de lijnen te zien. Plooi na plooi (en er zijn nogal wat plooien) zag Wallert exact hetzelfde patroon, dezelfde vlakken verf.
‘Deze schilderijen moeten aan de hand van dezelfde werktekening zijn gemaakt. Die is met hulp van een papier met pigmentpoeder twee keer overgetrokken op de schilderdoeken,’ concludeert Wallert. Dat deden 17de-eeuwse schilders vaker als ze een tekening hadden die ze goed beviel. Ook de kleine afwijkingen passen in dit scenario: soms verschoof zo’n werktekening per ongeluk.
Een ander scenario, dat iemand een schilderij dat Vermeer al had gemaakt nauwkeurig heeft overgetrokken, vindt Wallert onwaarschijnlijk: ‘Dan moet dat voor 1700 zijn gedaan door iemand die verdomd goed schilderde en precies dezelfde pigmenten gebruikte. Maar waarom? Er was toen echt geen vraag naar kopieën naar schilderijen van Vermeer.’
Of Vermeer zelf deze overtrektechniek ooit heeft toegepast, is niet bekend. En als hij al twee versies maakte, waarom is het exemplaar in Philadelphia dan van zo’n matige kwaliteit? Daar vond Wallert een mogelijk antwoord op. Hij ontdekte in een verfmonster uit het blauwe kleed op tafel ‘drie submicron-deeltjes ultramarijn’, een kostbaar pigment dat Vermeer veel gebruikte en gemakkelijk oplosbaar is. Die blauwe deeltjes zijn volgens Wallert restanten van een ontbrekende verflaag, de laag die de verfijning bracht die we kennen van Vermeer: ‘Het doek is afgeschrobt. Misschien om een vieze vernislaag te verwijderen.’
Wanneer dat is gebeurd, is niet duidelijk. Al in 1908 schrijft kunsthistoricus Cornelis Hofstede de Groot over het schilderij: ‘de verf is dun’. Wallert: ‘Misschien moeten we het een halve Vermeer noemen? Het is echt sneu. Ik moet er niet aan denken dat ik restaurator in dat museum was, hoe los je dit op?’
Wallert heeft zijn bevindingen gedeeld met het Philadelphia Museum of Art. In een eerste reactie houdt het museum zich op de vlakte. Directeur Sasha Suda laat aan de Volkskrant weten dat het museum ‘dankbaar is voor eerdere en voortdurende wetenschappelijke bijdragen aan het discours rond het schilderij (...) dat is geïdentificeerd als een kopie naar Vermeer’. Ze hoopt dat er in de toekomt meer discussies en wetenschappelijke inzichten ontstaan over het ‘mysterieuze schilderij’.
Pieter Roelofs van het Rijksmuseum wil pas na de presentatie van Wallert reageren. Wallert zelf zet zich alvast schrap voor de reacties: ‘Ik verwacht niet onmiddellijk enthousiaste bijval. Gezien de eerste reacties uit ons vakgebied toen Arthur Wheelock het schilderij St Praxedis aan Vermeer toeschreef, een toekenning die inmiddels redelijk is geaccepteerd, verwacht ik eerder dat ze met stenen gaan gooien.’
De (onomstreden) Gitaarspeelster van Vermeer uit het Kenwood House in Londen is niet te zien op de Vermeertentoonstelling in het Rijksmuseum in Amsterdam. Dat komt door de kwetsbaarheid van het kunstwerk: het is nooit opnieuw opgespannen en zit nog op het originele spieraam.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden