We moeten nog één bewoner uit bed halen en dat is mevrouw Dobbelaar (90).
‘Probeer jij het maar’, zegt mijn collega. ‘Vaak wil ze niet gewassen worden en haar medicatie weigert ze ook weleens. Het liefst wordt ze gewoon met rust gelaten en dan moet je niet doordrammen, ja? Bij mevrouw Dobbelaar is ‘nee’ echt ‘nee’. Ze kan ook slaan.’
Ik heb mevrouw Dobbelaar nog maar één keer gezien, toen zat ze in de gezamenlijke huiskamer minzaam naar haar medebewoners te kijken vanonder haar half geloken ogen. ‘Ik ga naar mijn kamer’, zei ze, en ze stond op, ‘want hier heb ik uitzicht op jullie en daar is geen barst aan.’
Verder ken ik haar alleen van naam, die bijvoorbeeld op de lijst staat die in de keuken hangt. Achter de namen van de andere bewoners staat: ‘griesmeelpap’, ‘boterhammen zonder korst’, ‘Roosvicee’ of ‘Let op! Diabetes’. Achter mevrouw Dobbelaars naam staat: ‘twee glazen wijn bij de maaltijd’.
Thomas van der Meer is schrijver en werkt in een verpleeghuis. Hij schrijft om de week een wisselcolumn met Erdal Balci. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast.
Met haar medicatie op zak ga ik erop af. Wanneer ik op haar deur klop, krijg ik geen antwoord. Voorzichtig steek ik mijn hoofd om de hoek. Ze ligt roerloos in bed. Ik klop nog eens en dan opent ze haar ogen. Vanuit haar bed kijkt ze naar me, slaat de dekens open en zegt: ‘Kom erbij.’
‘Ik kan niet bij u in bed komen liggen, mevrouw Dobbelaar. Ik moet werken.’
Even later zit ze op het douchestoeltje in de badkamer en sta ik haar haren te wassen. ‘Ik vind dit om te gieren’, zegt ze, en ze slaat haar hand voor de mond en proest het uit.
Voor mensen met dementie is het vaak moeilijk om de dingen zelf te doen, omdat ze problemen krijgen met het herkennen van voorwerpen. Eerder vanmorgen hielp ik meneer Hamer (87) bij het wassen en aankleden. Ik gaf hem zijn bril aan, die hij van alle kanten bekeek.
‘Dat is uw bril, meneer Hamer. Zet maar op uw neus.’
Hij bracht de bril naar zijn gezicht en toen wist hij het opeens weer. ‘O ja, die hoort hier.’ Daarna viel zijn blik op een theelepel die op de rand van de wastafel lag. ‘God, waar is dat dingetje ook alweer voor?’, vroeg hij. ‘Dat dingetje hoort ook ergens.’
Ik had kunnen uitleggen dat die lepel naar de keuken moest, maar ik wilde het niet ingewikkelder maken dan het al was. Ik stak de theelepel in zijn borstzak. ‘Die hoort hier.’
‘O, ja.’
Een andere keer had ik hem heel even alleen gelaten met een tandenborstel en een tube tandpasta, omdat mijn alarmbel ging. Toen ik terugkwam, had hij de onderste helft van zijn gezicht met tandpasta ingesmeerd, alsof hij zich ermee wilde scheren.
Mevrouw Dobbelaar herkent sommige voorwerpen ook niet meer. Ik zie aan haar gezicht wanneer ze het niet begrijpt, dan geeft ze me een afwezige glimlach.
Bij het aankleden houd ik haar een T-shirt voor – een wit T-shirt met smalle blauwe strepen erop. In plaats van haar handen in de mouwen te steken, pakt ze het van me aan, legt het op het bed en strijkt de stof glad. Ik probeer het nog eens, maar ze doet weer precies hetzelfde. Als het uiteindelijk is gelukt haar het T-shirt aan te trekken, gaat ze met haar wijsvinger langs de strepen. ‘Hier kunnen allemaal woorden komen te staan’, zegt ze, en dan begrijp ik het. In de blauwe lijntjes op haar witte T-shirt herkende ze de pagina van een schrift of kladblok – niet een kledingstuk.
Ik vertel mijn collega’s triomfantelijk over mijn succes bij mevrouw Dobbelaar. Ik leg de nadruk op het gegeven dat ze me uitnodigde in haar bed. Oftewel: ze accepteert mijn hulp omdat ik een onweerstaanbare hunk ben.
Plots komt meneer Hamer – die ik vanmorgen met veel zorg en aandacht heb aangekleed – in zijn blootje met zijn rollator de huiskamer binnen geschuifeld. Mijn collega snelt er met een theedoek op af om hem te bedekken, maar het is al te laat: iedereen kijkt.
Vanuit de hoek van de kamer klinkt een verrukt kreetje. Mevrouw Dobbelaar. ‘O!’, zegt ze. ‘Nog zo’n knappe man.’
Source: Volkskrant