Het voelt alsof iedereen ’m nakijkt, merkt huisarts Alexander, alsof er ‘een soort geurtje’ om hem heen hangt. Alexander is op de markt voor de deur van de huisartsenpraktijk waar hij werkt op weg naar ‘een uitstekende visboer’, om zoals elke week vis te halen. Maar alles voelt anders nu. De regionale krant heeft een artikel over hem geschreven, over de huisarts van die ene praktijk die door het Regionaal Tuchtcollege is berispt omdat hij te weinig heeft gedaan om een zelfmoord van een patiënt te voorkomen. Het tuchtcollege, gevreesd door veel artsen, is de bijzondere vorm van rechtspraak in de zorg waarin beroepsgenoten uitspraak doen of een zorgverlener zich aan de zorgrichtlijnen heeft gehouden.
Op de markt lopen tientallen patiënten van Alexander rond. ‘Wat zullen die nou tegen elkaar over mij zeggen?’, vraagt hij zich af.
Ook nu nog, de zaak is helemaal afgerond, wil Alexander niet met zijn echte naam in de krant. Hij vreest de reacties die zijn medewerking aan het artikel kunnen oproepen.
Michiel van der Geest is de zorgverslaggever van de Volkskrant en verdiept zich in alle vormen van zorg: van ziekenhuizen tot huisartsen, van gehandicaptenzorg tot Big Pharma, van gezondheidsverschillen tot valgevaar.
Want de tuchtzaak tegen Alexander is een geruchtmakende zaak in de zorg. Meteen na de uitspraak krijgt de huisarts vele bossen bloemen van collega’s om hem te steunen, Volkskrant-columnist Danka Stuijver neemt het in haar column voor hem op, hetzelfde gebeurt in tijdschrift Arts & Auto. De Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) neemt contact met hem op; of hij nog ondersteuning nodig heeft voor een eventueel hoger beroep.
Strekking van die steunbetuigingen: de tuchtzaak tegen Alexander staat symbool voor wat er mis is met het huidige tuchtrecht. En dat heeft grote gevolgen voor zowel de patiënt als de zorgverlener. Wat is er aan de hand?
Eerst de zaak zelf: in juli 2020 schrijft een patiënt zich bij huisarts Alexander in. Al snel blijkt dat de patiënt last heeft van psychische klachten en slapeloosheid. De huisarts schrijft medicatie voor om rustiger te worden, en verwijst hem naar een ggz-praktijk. Maar de psychische problemen worden snel erger. Halverwege augustus volgt het eerste gesprek met een psycholoog van de ggz-instelling. Die dagen laten de ouders van de patiënt (die hem inmiddels in huis hebben genomen) een ambulance komen en nemen zij meermalen contact op met de huisartsenpost: de paniekaanvallen worden erger, de onrust neemt toe. Desalniettemin constateren de medewerkers van de post: van suïcidegevaar is geen sprake.
Op de vroege ochtend van 17 augustus meldt de patiënt zich weer (met zijn ouders) bij de huisartsenpost, een nieuwe paniekaanval. De dienstdoende dokter probeert de crisisdienst om 7.30 uur ’s ochtends van de ggz te bereiken, maar die neemt niet op. De post-dokter adviseert de patiënt zich om 8 uur te melden bij huisarts Alexander. Die stuurt de familie weg, hij heeft pas om 9.50 uur plek voor de patiënt.
Na het consult neemt ook Alexander contact op met de crisisdienst voor een crisisbeoordeling. Hij krijgt de telefonist te pakken met de mededeling dat hij wordt teruggebeld. In dat telefoontje meldt de crisisdienst dat ze de patiënt niet willen beoordelen, omdat de patiënt al onder behandeling staat bij een ggz-praktijk, en dat daar de beoordeling dus moet plaatsvinden.
Alexander belt de ggz-instelling, de psychiater blijkt op vakantie. Een teamleider belt later terug. Er is op dat moment geen mogelijkheid voor een crisisbeoordeling, meldt de teamleider, maar zij zal op haar beurt weer contact opnemen met de crisisdienst en de patiënt. Als Alexander later op de middag de familie van de patiënt probeert te bellen om te horen of de patiënt al is gebeld door de ggz-instelling, krijgt hij de voicemail, die hij inspreekt. Verder neemt hij geen contact op. Aan het eind van de dag belt de moeder van de patiënt naar de huisartspraktijk: haar zoon heeft zelfmoord gepleegd.
Het Regionaal Tuchtcollege in Eindhoven oordeelt dat de huisarts nalatig is geweest in het zorgvuldig inschatten van de ernst van de psychische gesteldheid van de patiënt, en dat hij ‘doortastender’ had moeten optreden ‘richting crisisdienst en psychologenpraktijk’ (een instelling waaraan overigens ook psychiaters waren verbonden, red), dat hij ‘nadrukkelijker’ had moeten aandringen op een crisisbeoordeling, en dat hij betere nazorg had moeten verlenen. Alexander krijgt een openbare ‘berisping’, een relatief zware straf in het tuchtrecht.
Praten over gedachten aan zelfdoding kan bij 113 Zelfmoordpreventie. Bel 0800-0113 of 113 voor een gesprek. U kunt ook chatten op www.113.nl
Wat duidelijk moet zijn, zegt Alexander aan het begin en aan het eind van het gesprek, dat het leed van de nabestaanden en dat van de patiënt vele malen heviger zijn dan dat van hemzelf. Maar toch vindt hij het belangrijk zijn verhaal te doen, omdat hij zich zorgen maakt over het tuchtrecht in de huidige vorm.
Na de uitspraak volgt voor Alexander een weekend ‘waarin ik twijfelde aan alles wat ik had gedaan’. Had hij echt te weinig inspanning geleverd, geen betrokkenheid getoond? ‘Tot ik de uitspraak ging fileren, en dacht: hoe reëel is dit nou? Toen vond ik m’n evenwicht weer terug.’ Hij besluit, mede door de steun van de LHV, in hoger beroep te gaan.
Alexander: ‘Er stonden in de uitspraak een aantal zaken die zulke vergaande implicaties hadden voor hoe je als huisarts je praktijk zou moeten voeren. Zaken die nog steeds voorkomen: alle zorgverleners om de huisarts heen schuiven zaken terug op het bord van de huisarts, en als het dan misgaat, wordt alleen die verantwoordelijk gehouden. Ik werd vermalen door tweedelijns-ggz-organisaties waar op het moment suprême geen psychiater beschikbaar was of tot een consult bereid.’
Na een jaar volgt de uitspraak in hoger beroep van het Centraal Tuchtcollege: er was sprake van ‘een zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden’. Alle strafmaatregelen tegen Alexander komen te vervallen, hij heeft niet verwijtbaar gehandeld.
Het medisch tuchtrecht, dat nu 25 jaar bestaat in z’n huidige vorm, kent belangrijke problemen, zegt Joep Hubben, hoogleraar gezondheidsrecht en kenner van het tuchtrecht. ‘De gezondheidszorg wordt steeds ingewikkelder. Qua inrichting van de zorg, qua technologie, maar ook wat betreft het aantal hulpverleners dat betrokken is bij de patiënt. In die samenwerking tussen beroepsbeoefenaren is het complex vast te stellen wie nou waar een steek heeft laten vallen.’
Bij dit soort ‘keten’-vraagstukken helpt de inrichting van het tuchtrecht niet mee. Hubben: ‘Een zaak komt pas op gang als een klager een klacht indient tegen één of meerdere personen. Voor een patiënt is het steeds onoverzichtelijker wie er precies betrokken is in de keten. Als de klager dan de verkeerde persoon boven de klacht zet, of niet alle namen, loop je het risico dat het misgaat.’
In de zaak tegen huisarts Alexander is er nooit onderzocht of de crisisdienst of de ggz-praktijk wellicht fout zaten, zij waren immers niet aangeklaagd door de nabestaanden van de patiënt. Hubben: ‘Het zou mogelijk moeten zijn dat het tuchtcollege de omvang van de klacht uitbreidt, zodat naast de aangeklaagde ook andere personen onderzocht kunnen worden. Als je bij de ggz-instelling niet de tekortkomingen kan onderzoeken, wordt het schieten in de mist.’
De zaak van huisarts Alexander was voor artsenfederatie KNMG de aanleiding om nogmaals de noodklok te luiden over de stand van het tuchtrecht. Voorzitter René Héman: ‘Het komt steeds vaker voor dat wij ons niet herkennen in de uitspraken van het tuchtcollege, omdat ze niet aansluiten bij dagelijkse praktijk. Dat betekent ook dat de lerende werking van het tuchtrecht verloren gaat.’
Het tuchtrecht is in eerste instantie niet bedoeld om te straffen (hoewel een belangrijk onderdeel), maar om de kwaliteit van de zorg te bewaken.
En dat is niet altijd het geval. Bij huisarts Alexander niet, maar bijvoorbeeld ook niet bij een specialist ouderengeneeskunde die wegens grote schaarste aan personeel als enige verantwoordelijk was voor vierhonderd verpleeghuisbewoners, meermaals om nieuwe collega’s had gevraagd, die niet kreeg, maar wel een berisping omdat ze in de enorme werkdruk een fout had gemaakt. Héman: ‘Er is binnen het tuchtrecht te weinig oog voor de werkdruk onder artsen. In tijden van schaarste kun je niet altijd de zorg leveren die je zou willen.’
Bovendien is de motivatie van de uitspraken geregeld gebrekkig, signaleert Hubben. Zo noemt hij de casus van een bedrijfsarts, die een berisping krijgt van het regionaal tuchtcollege omdat hij een cliënt onheus bejegend zou hebben. De bedrijfsarts gaat daartegen in hoger beroep. Het centraal tuchtcollege zwakt de straf niet af, maar gaat zelfs over tot een doorhaling van de inschrijving van de arts. De man mag zijn beroep niet meer uitoefenen.
Hubben: ‘De ene keer een berisping, de andere keer gaat het hoofd eraf. Dat is een enorme stap, maar onbegrijpelijk vanwege de gebrekkigheid van de argumentatie.’
Die onvoorspelbaarheid heeft grote gevolgen. Huisarts Alexander: ‘Het creëert angst, waardoor collega’s het vak verlaten. Dat draagt natuurlijk allesbehalve bij aan goede zorg.’
En het leidt tot ‘defensieve’ geneeskunde, waarbij zorgverleners voor de zekerh Source: Volkskrant