Home

‘We woonden erg achteraf. Als wij in de verte iemand zagen, zeiden we: kiek, doa is unne miens!’

Catharina van Buggenum is de jongste uit een gezin met tien kinderen. Ze is nooit getrouwd en altijd bij haar ouders blijven wonen, evenals een zus en drie broers. Haar leven draaide om haar familie, het werk op de boerderij in een verlaten landschap in midden-Limburg. En daarna, nadat de boerderij van de hand was gedaan, om de kapelaan in haar dorp. Een flapuit is de geboren en getogen Limburgse niet, ze houdt haar antwoorden op vragen graag kort en bondig.

‘Ik denk niet terug. Ik ben meer bezig met de dag van vandaag.’

‘Ik kan niet zoveel meer doordat ik bijna niets meer zie. Borduren, kaarten en televisie kijken gaan niet meer, dat deed ik altijd graag. Ik zit de hele dag op deze stoel.’

‘Dat valt niet mee. De dagen duren lang, vooral in de winter. Ik ben blij dat het lente is en ik ook weer eens buiten kan zitten, of misschien een klein wandelingetje kan maken.’

‘Oh nee, ik ben de enige. We waren met tien kinderen, zes jongens en vier meisjes. Mijn broer They is op zijn 46ste verongelukt, hij was uit een boom gevallen. Twee zussen zijn al op hun 63ste en 64ste overleden. Mijn ouders zijn 83 en 85 geworden. Als jongste weet je dat je waarschijnlijk alleen achterblijft en zo is het ook gegaan. Ik denk dat ik zo oud ben geworden omdat ik elke avond voor het slapengaan een glaasje bloedwijn (rode wijn met toegevoegde ijzer en calcium, red.) drink, iets anders kan ik niet bedenken. Bloedwijn is heel gezond. Ik ben nog nooit ziek geweest.’

‘Ik ben geboren in Pey-Echt. Ik was nog heel klein toen we in 1923 gingen verhuizen naar de Hollander. Zo werd het gebied vlak bij de Peel genoemd, naar een van de eerste boeren die er neerstreken. Mijn ouders waren bij de eerste vijf. De grond moest nog ontgonnen worden. Dat hebben ze zelf gedaan, om er een boerenbedrijf te kunnen beginnen. De boerderij bouwde mijn vader helemaal zelf. We hadden twaalf koeien, twee paarden, een paar varkens, kippen, aardappelen, groenten, suikerbieten, rogge en haver. We hadden alles. Een deel van de oogst werd verkocht. Onze boerderij lag helemaal alleen.’

‘We wisten niet anders of we werkten als kinderen mee op de boerderij. Dat was heel gewoon. Mijn oudste zussen werkten het hardst. Iedereen had zijn vaste taak. Mijn vader was buiten de baas, mijn moeder binnen.’

‘Ik moest elke ochtend de koeien melken. Dat ging nog met de hand. De melk werd met paard en wagen opgehaald en naar de fabriek gebracht. Als de aardappelen klaar waren om geoogst te worden, moest ik ze rapen. En in huis hielp ik met poetsen en bedden opmaken.’

‘Op mijn 7de ging ik naar de lagere school en daarna heb ik nog twee jaar huishoudschool gedaan. Ik hield niet van school. Ik moest heen én terug wel 1,5 uur lopen. Dat vond ik niet leuk. We liepen met tien kinderen over paadjes, door de weilanden en langs het bos. We maakten ook weleens een omweg, soms verdwaalden we en duurde de tocht nóg langer. Als het slecht weer was of koud, zoals in de winter, bleef ik vaak thuis. Dat mocht van moeder.’

‘Bijna nooit. Alleen de bakker, en af en toe de voddenman en de scharensliep. Die kwamen op de fiets. Er waren geen wegen, alleen paadjes, dus er kwam geen verkeer langs. Op zondag zagen we in de verte soms een wandelaar voorbijkomen. Dan riep een van mijn broers of zussen: ‘Kiek, doa is unne miens!’ en dan gingen we achter het raam staan kijken. Dan was ik wel blij iemand te zien. Verder was het stil.’

‘Nee, dat kan ik niet zeggen. Het is nooit bij mij opgekomen.’

‘Ik heb eigenlijk nooit een vriendin gehad. We leefden met het gezin. De saamhorigheid was groot.’

‘Jawel, met zijn allen op de fiets naar mijn geboortedorp Echt, bij familie op bezoek. Verder waren we op de boerderij. Ja, op zondag gingen we naar de kerk, in een houten barak in het bos. Dan kwam de pastoor met de auto uit Weert voor de vijf boerengezinnen van Hollander een mis opdragen in de barak. Hij was de enige die we kenden met een auto. En één keer per week gingen we naar het dorp om boodschappen te doen bij de kruidenier, voor etenswaren die we zelf niet hadden, zoals boter en suiker. Ook kochten we in het dorp stoffen om kleding van te maken.’

‘Ik ben altijd op de boerderij gebleven, ook nadat mijn ouders in 1963 waren overleden. Drie broers en een zus bleven ook. Met zijn vijven hebben we het bedrijf nog twaalf jaar voortgezet. Daarna hebben we de boerderij verkocht en zijn we met elkaar in een huis in Heythuysen gaan wonen. Mijn zus overleed niet lang daarna, dus ik bleef over met drie broers.’

‘Mijn broer They is ingetreden in een klooster, vier zijn er getrouwd.’

‘Dat komt doordat we zo achteraf woonden. Daar kwam je niemand tegen.’

‘Nee, zo moeten ze dat niet doen. Ze kunnen beter gewoon zelf iemand zoeken. Ik weet dat de boer die nu op onze boerderij woont, aan het programma heeft meegedaan, boer Frank, de geitenboer.’

‘Mijn broers werkten buiten op het land, mijn zus en ik deden het huishouden. Ieder had zijn taak. Niemand was de baas. We waren allemaal de baas. Dat leidde wel tot ruzie, maar ik weet niet meer waar die over ging.’

‘Ik praat niet veel. Dat deden we thuis ook niet.’

‘Ik ben in het dorp bij kapelaan Grond gaan werken, in de huishouding. Ik was 52 jaar en voor het eerst verdiende ik mijn eigen geld. Daarvoor kwamen alle inkomsten van de boerderij op een grote hoop. Veertig jaar lang heb ik voor de kapelaan gewerkt. Hij is twee jaar geleden overleden, 80 jaar oud. Een man met een goed karakter. We hadden een goede band, ik mis hem erg. ’

‘Het is gewoon zo gegaan.’

‘Oh nee, helemaal niet. Dat is niet van mijn tijd. Ik heb nooit een computer gehad en kan er niet mee omgaan. Dat heb ik ook nooit willen proberen. Een computer had ik ook helemaal niet nodig.’

‘Een levensinzicht?’

‘Ik zou niet weten wat. Ik heb het altijd goed gehad. Ook tijdens de oorlog. Daar heb ik weinig van gemerkt. Aan het eind van de oorlog namen de Engelsen onze boerderij een paar weken in beslag. We werden verspreid over het dorp, bij familie en vrienden. Verder heb ik geen last gehad van de oorlog. Ons leven ging gewoon door. In de verte hoorde je soms het geluid van bommen. We hadden twee onderduikers, twee gewone jongens uit Roermond. Ook kwamen mensen uit de stad bij ons langs om eten vragen, dat gaven we, want we hadden genoeg. We hoefden er niets voor te hebben. Dus nee, tegenslagen heb ik niet gekend. Een levensinzicht kan ik niet bedenken.’

geboren: 2 juni 1922 in Pey-Echt

woont: in een woonzorgcentrum in Haelen

beroep: boerin en huishoudster

familie: 25 neven en nichten

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next