In de ochtend moest ik een pakketje naar het postkantoor brengen. Toen ik Frida daarvan op de hoogte bracht was ze dadelijk naar de kast gestiefeld waar haar jas hangt, want haar verlangens zijn in deze levensfase nog praktisch en overzichtelijk.
En volstrekt onbegrijpelijk.
Want toen ik haar na gedane zaken weer in het voorste fietszitje wilde zetten, begon ze te schreeuwen alsof ze naar de slacht werd gebracht en maakte ze van haar lichaam een stokbrood, waardoor ik de riempjes met geen mogelijkheid meer om haar heen kreeg, en we met fiets en al dreigden te kapseizen. Ik kende deze fase, bijna 2, succes ermee, vooral aan het einde van de dag was het soms moeilijk me te beheersen, haar niet toe te schreeuwen dat ik zelf ook liever ergens op een veranda rum zat te drinken in de zoute passaatwind, maar ik wist inmiddels dat je juist dan je gemak moest houden, niet heuen, niet kwaad worden, gewoon met de genade meewerken, wat me trouwens steeds beter afging, want een mens wordt vanzelf wijs en voor schaamte heb je na drie kinderen toch al geen tijd meer, maar nu had ze me toch lelijk te pakken, nog even en we klapten tegen het ijzeren fietsenrek aan, ooo, die tandjes, die tandjes, niet weer.
En daarom was het zo prettig dat die vrouw me te hulp schoot.
Ze was klein van stuk, gekleed in wandeltenue, en richtte zich op laconieke toon tot Frida, alsof ze haar al jaren kende: ‘Heb je d’r geen zin in, meid?’
Nou, die blík van Frida! Woede, verbijstering, hoe durfde deze vrouw zo tegen haar te spreken?
Mijn kleine Medusa.
Maar het werkte wel.
Hop, ze liet zich zo zakken in haar zitje, binnen drie seconden had ik de riempjes eromheen.
‘Werkt altijd’, zei de vrouw vrolijk. ‘Een heel enkele keer roept zo’n kind heel hard nee terug, maar de meesten binden direct in. Vreemde ogen, hè?’
Het was waar, dacht ik, sinds ik kinderen had maakte ik het vaker mee, de helpende hand van vrouwen, vaak zelf moeder, die, wanneer ik weer eens stond te hannesen met een koppige dochter die lekker precies de andere kant op liep, alleen maar even hun arm hoefden uit te steken en zeggen: ‘O, kom je dan gezellig met mij mee?’ en zoef, je kind wist niet hoe snel het terug moest keren naar het moederschip.
‘Vroeger bij ons in de winkel werkte het al zo’, zei de vrouw. ‘Mijn ouders hadden de eerste zelfbedieningszaak van Nederland, in ’61. Daar werd ik voor van school gehaald. Ik was 13. Zelf had ik liever doorgeleerd voor kleuterleidster, maar ja. Ik moest meedraaien, van 7 uur ’s ochtends tot 10 uur ’s avonds. En toen mijn moeder stierf was het helemaal aanpoten, want mijn vader veranderde in een levende dode. Die man was helemaal weg van mijn moeder, dat was zijn afgod. Bij hem was het zo: eerst zijn vrouw, dan de winkel, dan zijn kinderen.’
Ze keek me aan – zo was het nu eenmaal.
Tante Pollewop zat ondertussen rustig in haar zitje te luisteren, alsof er niets was gebeurd. Ik aaide over haar bol. ‘Ja, nu gaat het allemaal heel anders’, zei de vrouw. ‘Ik pas drie dagen in de week op mijn kleinzoon, dan moet ik al om half 7 op. En dan maak ik hem ook meteen wakker, want ik zeg altijd: ik eruit, dan jij ook eruit. Hij is 13 hoor, dus dat kan best.’
Bij het afscheid zwaaide Frida op haar beminnelijkst.
Thuis wilde ze per se melk uit die ene beker, de andere belandde in stukken op de grond. Tijden van geduld en opoffering, later zou blijken hoe zorgeloos ze waren geweest.
Source: Volkskrant