Thuisgekomen kreeg ik de vraag of het skiën leuk was geweest. Ik moest bekennen dat ik dat eigenlijk niet wist. Ik was op de piste vooral bezig geweest met niet doodgaan, iets wat zo veel concentratie had gevergd dat er geen enkele ruimte was geweest om een interne peiling te houden of het nou leuk was of niet. Feit is dat ik na elke gecontroleerde val de helling af, meteen terug klungelde naar het skiliftje, hongerig naar nog-een-keertje. Er zullen hier mooie psychologische theorieën over bestaan. Mijn hypothese: mijn ego kon door mijn totale focus op zelfbehoud tevreden achteroverleunen, derhalve had ik technisch gezien even niet bestaan, zodat ik mijn geluksbeleving alleen naderhand kon afmeten aan mijn lichaamsreacties, waarbij de hartkloppingen waren geïnterpreteerd als opwinding, en de opluchting dat ik nog leefde als genot.
Ik was de week begonnen op de kinderweide, om er weer een beetje in te komen. Mijn zoontje had niet mee gewild. Terecht, want die was door zijn bouw, rubberen botten en gebrek aan verstand al meteen toe aan olympische afdalingen. Serieus: dat trolletje gaat boven aan een berg staan, en schiet dan als een raket naar beneden, zonder noodzaak tot afremmen of bijsturen. Zijn moeder (brons op de super-G in Lillehammer 1994) zwiert daar ontspannen achteraan.
Meneer Van Luyn echter is bedachtzamer, en belangrijker nog: breekbaarder. Ik begon tussen de peuters. Dat lijkt vernederend, maar als ik ergens trots op ben, is het mijn totale gebrek aan trots wanneer ik iets wil leren. En aan het eind van de dag kon ik mooi de pizzapunt inruilen voor parallelbochten (voor wie nooit geskied heeft: laat maar).
De volgende dag durfde ik een hellinkje aan, en na de lunch (Bratwurst en Skiwasser) een serieuze piste. Nog diezelfde middag kreeg ik, tussen de doodsangst en de concentratie door, de slag te pakken. Ik begon een beetje om me heen te kijken. Blauwe luchten, witte toppen, en een piste die begon op een woeste vlakte en later door een zonovergoten Teutoons woud slingerde. Ik begon te ontspannen. Te genieten, zelfs.
Grote fout.
Ik had nog getwijfeld, bij de skiverhuur. Mijn vrouw skiet altijd zonder helm, want dat gaat maar zweten en jeuken. Uiteindelijk had ik toch maar zo’n stom doppie op mijn hoofd gegespt. Mijn zoontje moest het tenslotte ook van mij, en ik wilde solidair zijn.
Met die beslissing was ik, eenmaal zonder waarschuwing gelanceerd in het luchtledige, erg blij. Ik weet niet meer hoe het kwam, maar ik was volledig los van de grond gekomen, en kon niets anders dan wachten op de smak die ik wist dat zou komen.
Die geschiedde ruggelings, waarbij met een luide ‘urgh’ alle lucht uit mijn longen werd geslagen. Het hoofd knalde erachteraan. Even bleef ik roerloos liggen, ledematen uitgespreid over de sneeuw, terwijl mijn systeem rebootte en alle vitale functies werden getest. Na een halve minuut bevond ik mezelf in orde, krabbelde ik overeind en vervolgde ik mijn weg. Onderaan wilde ik meteen nog-een-keertje.
Mijn vriend de hersenchirurg vertelt me dat ze elk voorjaar een paar patiënten op de afdeling hebben, die verdwaasd rondbanjeren met hun kamernummer en hun naam in dikke stift op hun rug gekalkt, want beide kunnen zij zich niet herinneren. Zij zijn de mensen die zonder helm skiën. ‘Huisartsen, allemaal’, voegt hij eraan toe.
Source: Volkskrant