‘Acteren is een merkwaardig beroep, waarin de acteur zijn intrek neemt in iemand anders’, schrijft Deborah Levy in het tweede deel van de autobiografische trilogie die haar de afgelopen jaren groot succes bracht. Een trilogie die inmiddels in vele talen werd vertaald en overal verscheen met dezelfde uitgesproken omslagen: een blauw, een geel en een rood boek. Titels: Dingen die ik niet wil weten (2013), De prijs van het bestaan (2018) en Onroerend goed (2021).
Aan het woord in die boeken is een vrouw (‘die erg op mij lijkt’) die in de eerste persoon vertelt over de fasen van haar leven. Over haar jeugd in Zuid-Afrika, over haar vrienden en reizen, dochters en schrijfschuurtjes, over gedroomde huizen en verdwenen vrouwelijke personages. Ze vertelt en essayeert via de omweg van dingen, plekken en andere schrijvende stemmen, zoals die van Jean-Paul Sartre, Marguerite Duras, Virginia Woolf en George Orwell, wiens essay ‘Why I Write’ het uitgangspunt was voor het eerste deel.
Voor het schrijven van deze drie boeken, vertelt Deborah Levy in de lobby van het hotel in Rotterdam waar ze een weekend verblijft voor een optreden, moest ze haar intrek nemen in een ‘ik’ dat ze zelf was, maar tegelijk ook niet. Een personage, vergelijkbaar met wat ze schrijft over de acteur. Over acteren heeft Levy veel nagedacht, voordat ze romans, gedichten en deze recente autobiografische boeken begon te schrijven was ze toneelschrijver.
Ze vertelt hoe ze zelf onlangs een interview afnam: met actrice Tilda Swinton. ‘Over de boeken waar ze van houdt, over wat haar inspireert – Swinton is een groot lezer, het was fantastisch om met haar te mogen praten. Het enige waar ik zenuwachtig voor was, was of het opnameapparaatje het wel deed.’ Het was Tilda Swinton die naar aanleiding van haar samenwerking met Pedro Almodóvar ooit zei dat het werken met zo’n regisseur wiens werk je bewondert is als stepping through the looking glass: ‘Opeens ben jíj het, die in zijn wereld rondloopt.’
Precies dat moeten de jonge vrouwen in het Rotterdamse Bibliotheektheater gevoeld hebben toen ze na afloop van Levy’s optreden vragen mochten stellen aan de door hen bewonderde auteur: alsof ze door de spiegel stapten en in haar wereld terechtkwamen. Want wat deed Levy? Ze weigerde categorisch om generaliserend te antwoorden, ze tilde het meest persoonlijke element uit iedere vraag, ging dáárop in en nam op die manier haar intrek in de wereld van de vraagstellers. Gul, empathisch en stellig tegelijk.
‘Zoek zelf naar wat waar is’, drukte ze haar publiek op het hart. ‘Antwoorden krijg je niet van een ander, antwoorden liggen bij jezelf.’ Daarin echoot het cruciale onderwerp van haar autobiografische werk: het vinden van de eigen stem.
‘Om me te ontdoen van de conventie van de meeste autobiografieën, waarin een verteller, wijs en vervuld van nostalgie, terugkijkt op een leven en alles chronologisch van begin tot einde beschrijft. Ik kan dat soort boeken niet uitstaan, ze vervelen me. Zo saai! Ik wilde het anders. Ik wilde dat deze boeken levendig zouden zijn, vitaal, en dat ze zich afspeelden in de tegenwoordige tijd. Ze vertellen geen volledig verhaal en ik schrijf niet in chronologische volgorde. Ik begin in het heden en spring terug, het begrip ‘living autobiography’ leek me passend. Het gaat om een mix van reisverhalen, herinneringen, filosofie, genderpolitieke elementen, beschrijvingen van mensen en voorwerpen.’
‘Veel van mijn inspiratie komt van James Baldwin, die essays schreef in de eerste persoon, heel direct en heel persoonlijk. Verder van Virginia Woolf. In haar essays en haar romans spreekt dezelfde stem, maar de essays zijn vertrouwelijker. Niet droog en theoretisch, wat essays zeker in haar tijd vaak waren, maar met een sterke formele én intieme stem. Ze heeft echt het genre veranderd, ze was dapper in de manier waarop ze essays schreef.’
‘Dagboeken zijn natuurlijk fragmentarischer. Ik schrijf ook dagboeken en vaak komen daar mijn ideeën uit voort. Ik gebruik ze niet voor gevoelens, ik gebruik ze voor plaatsen, stemmingen, notities over dingen die me opvallen. Zo heb ik vandaag in de trein van Parijs naar Rotterdam geschreven dat het fijn was om te staan in plaats van te zitten terwijl ik mijn koffie dronk. Vroege ochtend, een barretje op het Gare du Nord, koffie en een croissant, en dan staan aan de bar, midden in de ruimte. Op het moment dat je het opschrijft weet je niet of het banaal is of op een of andere manier belangrijk, dat is wat je moet proberen uit te vinden. Het wijst zich altijd.’
‘Ja, zeker. Omdat… voor mijn generatie waren het altijd mannen die verondersteld werden het denkwerk te doen, de afdeling gevoelens was die van vrouwen. Veel vrouwen hebben daarop gereageerd door overdreven academisch en theoretisch te gaan schrijven, uit een soort protest tegen die onzinnige verdeling. Daar moeten we weer voorbij.
‘Toen ik deze boeken begon te schrijven, kon ik het zelf eigenlijk niet geloven. Was het wel goed dat ik dit schreef, zou het iemand interesseren? Wat ik ontdekte, was dat als we ons leven schrijven zoals we het écht voelen, het nooit saai kan zijn, dan is het interessant, altijd. Het is moeilijk, het is niet: ‘o, ik ben zo verdrietig’ – dat is geen schrijven. Maar iedereen, echt iedereen, die erin slaagt om te schrijven hoe het voelt, leven, van dag tot dag, schrijft iets boeiends. Voor mij was het de grote ontdekking.’
‘De schrijver moet niet meer voelen dan de lezer voelt, zoals de acteur niet meer moet voelen dan het publiek. Dat bewerkstelligen is een kwestie van techniek, literaire techniek. Je moet gevoel ruimte geven maar ook formaliteit en afstand creëren. Het is een complex spel, want voor gevoelens hebben we maar een beperkt vocabulaire en het wordt snel sentimenteel. Gevoelens zijn wild, je moet ze vangen en nieuwe woorden en nieuwe stemmingen vinden om ze vorm te geven.
‘In Dingen die ik niet wil weten vertel ik over het verdriet dat de hoofdpersoon overvalt als ze met een roltrap omhooggaat. Ze begrijpt het gevoel niet, maar vandaaruit wordt ze overvallen door gedachten aan haar kindertijd – daar kan ik dan over schrijven. We hoeven onze gevoelens niet altijd te begrijpen. In literatuur is het zelfs vervelend, slaapverwekkend, als we ze meteen begrijpen. Het gaat om de opbouw, er hangt iets in de lucht, je keert ernaar terug, het groeit.’
‘Nee, ik moest daarnaar zoeken. Ik moest een stem vinden die zowel zacht als taai, hard, vriendelijk, ruimhartig was, een stem die veel dingen tegelijk kon zijn. Die moet je ontwikkelen, je begint en gaat dimensies toevoegen. Ik dacht bijvoorbeeld na over zelfportretten in de beeldende kunst – ik werd er vandaag nog aan herinnerd omdat hier in Nederland nu die Vermeertentoonstelling is. Kijk naar het Meisje met de parel, een schilderij dat natuurlijk niet beschouwd wordt als een zelfportret van de schilder. Toch heeft die er, zoals in alles wat hij maakte, iets van zichzelf in gelegd. Hij boort een waarheid aan in zichzelf. Dat doet een schrijver ook.
‘Voor elk boek moet je een andere stem vinden. Iedere schrijver heeft eindeloos veel mogelijkheden. Vrouwen worden van oudsher verondersteld ofwel enorm krachtig te zijn, ofwel fragiel en kwetsbaar, en ook schrijvende vrouwen presenteren zich historisch gezien vaak als het een of het ander. Alsof dat de enige smaken zijn, alsof we zo weinig keuzes hebben in hoe we ons tonen, hoe we ervaren, voelen en denken.’
‘In fictie heeft een schrijver zijn ‘avatars’, personages die de verschillende eigenschappen en preoccupaties van de schrijver representeren. Bij een autobiografisch boek is dat anders. Ik moest zoeken naar een manier om ook andere stemmen toe te laten, want je wilt niet dat er alleen maar één stem, één personage aan het woord is, dat wordt claustrofobisch. Om een lezer te interesseren, maar ook om mijzelf te blijven interesseren, heb ik andere personages nodig om de subjectiviteit van de hoofpersoon te bevragen. Zoals de vriendin in Onroerend goed die zegt: jij hoort juist thuis in de stad, je bent zo sociaal en een diva! Dan ga je je als lezer afvragen: is dat zo?’
‘Dingen kunnen ons veel vertellen omdat we er veel op projecteren – angst, verlangen, onzekerheid, wensen, liefde. Ik ben geïnteresseerd in hoe we samenleven, niet alleen mensen onderling maar ook mensen met hun omgeving. Hoe verhouden we ons tot de spinnen in ons huis? In mijn schrijfschuurtje was ik omgeven door spinnen en de appels kletterden in de herfst op mijn dak; daar móét ik over schrijven, net als over mijn kindermeisje in Zuid-Afrika of de nieuwe liefde van mijn beste vriend. De interactie, daar stel ik vragen over.’
‘Ik moest uitvinden hoe ik niet-chronologisch kon schrijven. Het zijn geen boeken waarin een heel leven wordt verteld, ik pik de dingen eruit die ik interessant vind. Gaandeweg ontdek ik dan de compositie, terwijl ik werk. Marguerite Duras schreef Het materiële leven, een geweldig boek dat leest alsof het schrijven ervan haar makkelijk afging, maar dat is een truc. Je kunt zien dat ze ín het schrijven de waarheid van dat boek vindt. Je ruikt de rook van het schrijven in die scherpe, korte zinnen. Meesterlijk.’
‘Elke schrijver moet op zeker moment het gevoel hebben: dit kan interessant zijn voor lezers. Schrijven vraagt om een ego dat groot genoeg is om daar vertrouwen in te hebben. Je neemt ruimte in en dan voel je wanneer het werkt: wanneer je contact maakt met lezers.’
‘Ik zou nooit zeggen dat ik mijn stem ‘als vrou Source: Volkskrant