Home

Hoe Lotte de Beer het stof van de Weense Volksoper afblaast: ‘Kunst mag zorgeloos zijn’

Publiek op leeftijd. Humor die lijkt te zijn verstild in de jaren vijftig. Seksistische grappen, racistische clichés. Het viel Lotte de Beer niet mee toen ze voor haar nieuwe functie poolshoogte nam in Wenen. Ze was uitverkoren om Direktorin te worden van de Volksoper, een theater voor opera, operette, musical en ballet. Zij, de regisseur die opera’s het liefst flink aanpakt. Die Mozart confronteerde met seksisme en Verdi met kolonialisme. Die shopt in regiestijlen, van realisme in Puccini tot een pikkenparade in Mozart. Zij, de internationaal succesvolle freelancer die nog nooit een operahuis had geleid.

Haar lach kaatst door een repetitieruimte van de Volksoper, een bescheiden theater bezijden het centrum van Wenen, een roze geglazuurde suikertaart. ‘De gevel was aan een nieuwe lik verf toe’, zegt De Beer (41), ‘en dat kleurtje komt van mij. Het zat er amper op of er stond al een boze brief in de krant. Skandalös! Van ons belastinggeld! Hoe durft ze!’

Over de auteur

Guido van Oorschot schrijft sinds 2000 voor de Volkskrant over klassieke muziek en opera. Hij maakt de maandelijkse podcast Klassieke klets.

Ze komt net uit repetities voor een operette die eind maart in wereldpremière gaat. Vanavond danst ze op het Weense operabal. Maar eerst, een half jaar in functie, spreekt De Beer over haar avonturen en ambities. Wat trof ze aan in Wenen? Waar wil ze naartoe met de Volksoper? En knapt de wereld op van muziektheater?

‘Als ik hier over straat loop, voel ik me net Sisi. Ik word vaak herkend. Je merkt dat kunst breed wordt gedragen. Iedereen heeft een mening over de Volksoper. En bijna iedereen weet het beter dan jij.’

‘Ik had al een band met Oostenrijk. Steeds als ik er regisseerde merkte ik: dit voelt goed. Het publiek is prima geïnformeerd. Als je Hamlet speelt, heeft men vijf andere versies paraat. Dat gaat ook op voor Duitsland, maar daar is de kunstwereld nogal, ehm, protestants. Grappig is dat: als atheïst voel ik me thuis in katholiek Oostenrijk. Kunst mag zorgeloos zijn, kitsch is geen zonde.

‘Als directeur heb ik de opdracht: het moet diverser, het moet jonger. Dat moet ook allemaal, maar je kunt niet naar Wenen komen en zeggen: dames en heren, ik weet precies hoe het moet, vanaf nu gaat alles anders. Dan blijft het publiek weg en is mijn missie mislukt.’

‘De Volksoper draait sinds 1898. We hebben 550 man in vaste dienst, plus elk seizoen honderden freelancers. Dat we niet het enige Weense operahuis zijn, komt goed uit. De chique Staatsoper doet de Verdi’s en Wagners met dure sterren. Het Theater an der Wien wrijft onbekende parels op. Ik kan me richten op alles ertussenin. Bij ons komen kunst en vermaak op een natuurlijke manier samen.

‘Ik stel mezelf voortdurend de vraag: hoe sla ik een brug tussen nostalgie en utopie? Tussen publiek dat er al was en publiek dat nog niet weet dat het moet komen. Het begin is er. Laatst deden we een operette van Offenbach, in een komische enscenering van het Britse collectief Spymonkey. Ik zag verdacht veel jonge mensen, hadden we een scholierenvoorstelling ofzo? Nee, zei een medewerker, dit is je nieuwe publiek, Lotte. Wen er maar aan.’

‘Toen ik begon heb ik het personeel toegesproken. Ik zei: we werken hier met mensen met allerlei achtergronden, culturen en religies. Sommigen van jullie werken er al een halve eeuw, anderen zijn net begonnen. En dan treffen we elkaar in een repetitielokaal en gaat het, pats, over intieme zaken als seks, liefde, geweld, dood, depressie. Misschien gaan we over elkaars grenzen heen, misschien beledigen we elkaar. Hoe gaan we daarmee om?

‘Ik wil toe naar een cultuur waarin we elkaar durven aanspreken. Niet vingerwijzen, geen heksenjacht. Ik heb beloofd dat ik geen enkele vorm van machtsmisbruik zal dulden. Er bestaat geen hiërarchie in waardigheid, of je nou de vloer boent of regisseert.

‘Soms hoorde ik: je mag hier ook niks meer. Ik heb gesprekken gevoerd en uitgelegd: als iets voor jou een grap is, betekent dat nog niet dat het voor de ander een grap is. Het is belangrijk dat je je dat realiseert. Er zijn excuses aangeboden en nu lacht men er samen om.’

‘Het bureauwerk en de vergaderingen leken me doodsaai. Ik dacht: dat offer moet ik dan maar brengen. Nu merk ik dat het me dezelfde energie geeft als het bedenken van een operaconcept. Uiteindelijk draait het om hetzelfde: goede kunst maken. En dat lukt het best als iedereen met plezier werkt.

‘Maar op kantoor worden ze soms gek van mij. In contracten wil ik de ruimte bieden aan specifieke artistieke wensen. Zo was er een regieteam dat absoluut betrokken wilde worden bij een eventuele herneming. Ik begreep dat, per slot van rekening is de ene zanger-acteur de andere niet. Soms verandert daardoor een hele scène. Ander voorbeeld: het operakoor. Je kunt bij een hedendaagse regisseur niet meer aankomen met een koor als anonieme meute. Dat je repeteert met groep A, de generale doet met groep B en de première met groep C.’

‘We hebben een solistenensemble van 45 zangers. Vanaf het begin heb ik impresariaten op het hart gedrukt: stuur óók auditanten van kleur. De dialoog in een repetitielokaal moet niet worden gevoerd door uitsluitend mensen met dezelfde achtergrond. Bovendien moet elk publiek zichzelf op het toneel kunnen herkennen.

‘Hoofdafspraak: we nemen niemand aan op wie we niet artistiek verliefd zijn. Maar voor diversiteit doen we wel beter ons best. Ik heb nu bijvoorbeeld een zanger die soms rollen niet krijgt omdat hij niet slank is. Terwijl hij geweldig zingt en acteert. Waarom zou een dikker mens geen vurige minnaar kunnen spelen? Dat komt in het echte leven toch ook voor?

Hoe Lotte de Beer landt in Wenen

Intelligent. Snelle leerling. Een natuurtalent. Praat met Peter Gallaun en de lof voor Lotte de Beer vliegt je om de oren. Terwijl de trombonist haar in de vergaderkamer toch geregeld het vuur na aan de schenen legt. Gallaun speelt sinds 1984 in het orkest van de Volksoper en vertegenwoordigt de musici tot in de raad van commissarissen.

‘De Volksoper moet mee met de tijd’, zegt hij. ‘Maar behoedzaam, anders jaag je het publiek de zaal uit. Lotte heeft daar een neus voor, ze weet precies hoe ver ze kan gaan. Ook representatie kun je aan haar toevertrouwen. Ze ging praten met een afgehaakte sponsor en kwam terug met het dubbele bedrag.’

Ook de Oostenrijkse media hebben haar ontdekt. De Beer schuift aan in tv-programma’s en kreeg van de schrijvende pers een gunstig kerstrapport. ‘Succesvol begin’, meende de Kronen Zeitung. ‘De Staatsoper wordt al een tikkeltje jaloers’, schreef de Tiroler Tageszeitung.

‘Laatst friste ik een oude regie op van de operette Die Fledermaus. Komen we aan bij een seksscène. Aan de ene kant: een jonge sopraan. Aan de andere kant: twee Volksoper-veteranen. Ik zeg: ‘Ik ga intieme dingen vragen, geef een seintje als je je niet op je gemak voelt.’ Komt een gelouterde diva naar me toe: ‘Lotte, ik begrijp het niet, het is toch maar toneel?’ Haar perspectief was: grijp me bij mijn tiet, anders kan ik die scène niet spelen!’

‘De hoogtijdagen van het regietheater in de opera zijn voorbij. Het was een stroming die wilde becommentariëren en confronteren. Het heeft mogelijkheden geopend, maar de vreugde werd weg gedogmatiseerd. Dat was misschien prima in stabiele tijden, maar de huidige zijn onzeker. Het milieu, de oorlog, hoe we met elkaar omgaan. Dat vraagt om een ander soort kunst. Kunst die entertaint en je de hand reikt, waarbij je samen huilt en lacht.

‘Ik zal een regie nooit beginnen met een decor van grijs doek en een aardappelzak. Dan denkt een deel van het publiek meteen: niks voor mij. Ik begin liever met oh! en ah! En dan smokkel ik later dat paard van Troje wel binnen met een pittige scène of scherpe gedachte.

‘Ik ben geen wereldverbeteraar. Ik betwijfel zelfs of de wereld ooit beter wordt. Maar als we het niet proberen, heeft het leven geen zin. Kunst kan de wereld niet veranderen, maar kunst kan wel troosten. Als iedereen denkt: alles is kut, dan wordt het alleen nog maar kutter. Bijt dan liever metéén je polsen door.’

Zaterdag 25 maart regisseert Lotte de Beer haar eerste wereldpremière als directeur van de Weense Volksoper. In haar opdracht schreef de Duitse componist Moritz Eggert de operette Die letzte Verschwörung, het laatste complot. De Beer: ‘Het wordt hilarisch. Alle complottheorieën blijken namelijk waar. De aarde ís plat. We wórden geregeerd door reptielen. We gaan lachen om de absurde werkelijkheid.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. < Source: Volkskrant

Previous

Next