Het schiet lekker op zo, met dat stikstofdossier. Een week na de verkiezingen is dit de stand van zaken: coalitiepartijen trekken het beleid openlijk in twijfel, de grootste boerenbelangenorganisaties hebben hun eisen met ferme taal weer opgeschroefd en niemand die nog gelooft dat er in april een Landbouwakkoord ligt. De heer Remkes zal wel denken: ik had de afgelopen zomer beter op vakantie kunnen gaan.
De enorme hoeveelheid tijd, geld en energie om het stikstofbeleid van de grond te krijgen, heeft vooralsnog slechts geleid tot een hoop zure gezichten. En de sfeer lijkt er niet beter op te worden. Met zoveel onmin zou het kabinet er ook voor kunnen kiezen om het hele plan op te doeken. Dan kan minister Van der Wal een briefje uitsturen met de mededeling: ‘Waarde dames en heren van het boerenbedrijf, we hebben de kwestie volstrekt verkeerd aangevlogen, zeker met dat merkwaardige stikstofkaartje. Alles gaat linea recta de prullenbak in; het stikstofbeleid is van tafel. Succes verder!’
Die 25 miljard euro uit het stikstoffonds kan vervolgens een andere bestemming krijgen. Als boeren zo mordicus tegen uitkoop zijn, prima. Dan kan dat geld mooi ergens anders heen. Naar de Belastingdienst bijvoorbeeld, die met dat budget een nieuw type belastingheffing kan optuigen. Deze gedachte kwam in mij op na het lezen van het boek Er is leven na de groei, geschreven door econoom Paul Schenderling. Hij pleit voor een milieuheffing op consumptie in combinatie met een flink lagere belasting op arbeid. Het enige effectieve en eerlijke klimaatbeleid is volgens hem het begrenzen van de almaar groeiende economie met ons consumptiegedrag.
Het boek van Schenderling zet aan tot een kritische blik op het huidige klimaatbeleid; alle goede bedoelingen ten spijt is dit weinig effectief, traag en ook vaak onrechtvaardig. Dat laatste is funest voor de draagkracht in de samenleving. Waarom zouden boeren hun bedrijf moeten opdoeken en bouwbedrijven projecten moeten stilleggen, terwijl Schiphol links en rechts stikstofemissierechten opkoopt? Ook het duurder maken van producten als vlees en vliegtickets is om die reden gebrekkig. Zo’n maatregel raakt vooral het armere deel van de bevolking, terwijl het rijkere deel zich een slag in de rondte kan blijven consumeren.
Schenderling stelt voor de jaarlijkse belastingaangifte voortaan te vergezellen van een voorlopige aanslag milieubelasting, gebaseerd op het inkomen en verbruik. Die belasting zou progressief moeten zijn; hoe hoger je persoonlijke uitstootniveau, des te hoger het belastingtarief. Door vervolgens de milieuheffing te compenseren met een fors lagere belasting op arbeid, blijft de welvaart van de meerderheid van de Nederlanders intact. Alleen de rijkste 10 procent van de bevolking zou per saldo meer moeten betalen. Ondertussen zorgt de lagere heffing op arbeid voor een herwaardering van praktische beroepen en worden kwaliteitsproducten die zijn gemaakt door vakmensen goedkoper.
De samenleving die door Schenderling wordt geschetst na invoering van zijn maatregelen, doet behoorlijk utopisch aan. Toch prikkelt zijn boek de verbeelding. Wat als we inderdaad de economie zouden omgooien? Zijn we daartoe bereid en hebben we als samenleving het vermogen tot zulke grote veranderingen? Gelukkig samenleven binnen de grenzen van de aarde; het klinkt naïef.
In oktober schreven minister Adema en Van der Wal nog aan de Kamer dat de staat van de natuur bepalend is in de gesprekken met de sector. Dat klinkt niet minder naïef.
Source: Volkskrant