Pas als je erop gaat letten, valt op hoeveel rambo’s er zijn. Die uit het Zwarte Woud bijvoorbeeld, in de zomer van 2020: ‘Duitse Rambo jaagt Nederlandse toeristen stuipen op het lijf’ (Hart van Nederland). En de voortvluchtige ex-militair en zuiderbuur, weer een jaar later: ‘Strenge grensbewaking Nederland om ‘Rambo’ in Belgische bossen’ (De Telegraaf).
Of de Spaanse klopjacht op de ‘Galicische Rambo’ (ook De Telegraaf), van vorige winter. En uiteraard die van vorige week: ‘Vijf jaar durende jacht op ongrijpbare ‘Rambo’ eindelijk voorbij’ (NOS). Vooruit, die meest recente ramboverschijning betrof nu eens geen psychisch verwarde voortvluchtige man met wapenfetisj, maar gewoon een roodharig vosje. Het dier, een exoot, ‘terroriseerde’ het Australische Pilliga-natuurreservaat en ontliep meer dan tienduizend vallen van de parkwachters.
Bor Beekman is sinds 2008 filmredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft recensies, interviews en langere verhalen over de filmwereld.
Misschien is dit het hoogste wat je kunt bereiken als schrijver: dat je schepping een soortnaam wordt, een begrip. Ook alle mensen die nooit ook maar één film uit de in 1982 opgestarte Rambo-filmreeks zagen, laat staan dat ze de bronroman lazen, hebben toch een behoorlijk idee hebben van wat dat dan is, een rambo.
In zijn essay Rambo and Me uit 2012 memoreert de Canadees David Morrell hoe hij eind jaren zestig in een groengele Rambo-appel hapte, op zoek naar een krachtige naam voor het hoofdpersonage van zijn debuutroman First Blood. Rambo – dat paste wel bij de door posttraumatische stress gekwelde Vietnam-veteraan, een man die een guerrilla-oorlog begint als het politieapparaat van een Amerikaans stadje hem opjaagt in het bos. De door de Vietnamprotesten geïnspireerde actiethriller over de psychisch verwarde elitesoldaat bleek een bestseller, meteen na de eerste publicatie in 1972. En Rambo schopte het van obscuur Zweeds appelras tot officieel geboekstaafd zelfstandig naamwoord, als soortnaam met een kleine letter: een ‘stoere dommekracht’ is een rambo volgens Van Dale, ‘naar de filmheld Rambo, gespeeld door Sylvester Stallone’.
De verfilming van First Blood (regie: Ted Kotcheff), deze maand veertig jaar oud, draait vanaf volgende week weer in de Nederlandse bioscopen, in een speciaal vanwege het jubileum gerestaureerde kopie. En net als bij die andere nog altijd actieve filmpoot van hoofdrolspeler Stallone, over bokser Rocky Balboa, loopt er een cesuur tussen het origineel en de vele vervolgdelen. De eerste Rambo was de beste, net als de eerste Rocky: twee films over underdogs. Typische verschoppelingen van de Amerikaanse samenleving van de jaren zeventig waren het, antihelden. Maar voor de Hollywood-vervolgdelen uit de jaren tachtig werden ze opgepompt tot een patriottische karikatuur, zo meer passend bij de Amerikaans exceptionalisme ronkende tijdgeest. Rocky vocht het staartje van de koude oorlog uit in de ring (Rocky IV), Rambo deed de moedjahedien voor hoe je de Russen uit Afghanistan kon verdrijven (Rambo III). En Ronald Reagan zag dat het goed was.
De Amerikaanse president voerde het filmpersonage op als leidraad in speeches (‘een belastingplan in de geest van Rambo’) en poseerde met een ‘Rambo is a republican’-bumpersticker. ‘Boy, nadat ik gisteravond Rambo zag weet ik wat me een volgende keer te doen staat’, merkte Reagan in 1985 op bij de vrijlating van 39 Amerikaanse gijzelaars in Libanon, niet wetend dat de microfoon in zijn Oval Office al aan stond. ‘Rambo-jets’, kopten de kranten toen de Verenigde Staten in 1986 luchtaanvallen uitvoerden op Libië.
De getraumatiseerde groene baret John Rambo, in First Blood nog mentaal geknakt door de Vietnamoorlog en uitgemaakt voor hippie (‘get a haircut!’), gold nu als de personificatie van het voortaan weer onoverwinnelijk geachte Amerikaanse militaire apparaat. Donald Trump, of eigenlijk diens fans, voerden de cultus weer wat verder door hun held op de poster van Rambo II te plakken. De ‘Rambo Trump Flag’, met Trumps hoofd boven Stallones torso en bazooka, vormt al jaren een van de bestverkopende Make America Great Again-accessoires.
‘Rambo is volkomen neutraal’, beweert Stallone al decennia lang in interviews. Wat wij – of Amerikaanse presidenten – op de fictieve figuur projecteren zegt volgens de acteur hooguit iets over ons, niet over zijn weinig spraakzame en ‘apolitieke’ rol. Rambo’s geestelijk vader Morrell ging een eind mee in de theorie. En de auteur liet zich verleiden door het lucratieve aanbod om vervolgromans te schrijven naar de tweede en derde Rambo-films, zelfs al stierf Rambo eigenlijk aan het slot van zijn eerste boek (en bijna in de eerste film – het einde werd aangepast toen het testpubliek Rambo’s dood als domper ervoer). Maar Morrell trok een grens bij Rambo: Last Blood. ‘Ik schaam me dat mijn naam hiermee geassocieerd wordt’, reageerde de bestsellerauteur op Twitter na het zien van de film uit 2019. En later ook in het tijdschrift Newsweek: ‘Ik voelde me na afloop vernederd en ontmenselijkt.’
In het vijfde deel reist de bejaarde, half versleten doch nog immer dodelijke Rambo naar Mexico, een gedegenereerd oord vol hulpbehoevende vrouwen en sadistische verkrachters, al of niet in dienst van een Mexicaans drugskartel. Een extreem gewelddadige film, die zich laat kijken als een 100 minuten lange campagne voor de muur tussen de Verenigde Staten en Mexico (‘de brute stoerheid van weleer heeft plaatsgemaakt voor regressie en cynisme’, schreef de recensent van de Volkskrant). Wat schrijver Morrell nog het meest stak was dat hij zijn Rambo nu echt helemáál niet meer herkende: ‘Hij had net zo goed John Smith kunnen heten, het had voor de film niks uitgemaakt.’
Stallone reageerde met een op Instagram gepost collage-filmpje van negatieve reacties na de eerste First Blood-vertoningen in 1982. Rambo-haters, was de boodschap, waren er toen ook al. En kreeg gelijk van de fans, die gewoon weer uitliepen. Datzelfde jaar in Cannes, waar de acteur zich als eregast van het festival liet interviewen voor een volle zaal, ging Stallone in op de totstandkoming van de eerste Rambo. Hoe hij destijds pas de ‘elfde keuze’ was voor First Blood, ondanks zijn succes met het zelf geschreven Rocky (1976): ‘Niemand wilde Rambo spelen, dus kwamen ze bij mij.’
Zo hadden Robert De Niro, Steve McQueen, Clint Eastwood, Paul Newman, James Caan en Al Pacino al bedankt voor de verfilming, die al jaren rondging van de ene naar de andere Hollywood-studio en maar niet van de grond kwam. Dat lag aan het boek, volgens Stallone: ‘Het verhaal is veel te negatief. Rambo doodt iederéén in de roman. Ik zei: wat als hij nou eens geen monster was? Wat als hij een man was met een gebroken hart, die zich verstoten voelt door Amerika?’
En zo werd de routineus moordende Rambo uit het boek, die zich eigenlijk wel weer op z’n plek voelt in de ‘jungle’, voor de film ontdaan van z’n verontrustende ambivalentie. Nog wel een door de oorlog beschadigde vechtmachine, maar toch ook een ‘goede’ man die onder alle omstandigheden mensenlevens spaart. Iemand, kortom, voor wie het publiek kon juichen. Veteranen herkenden zich in de emotionele slotscène van First Blood, waarin Rambo – die eindelijk de woorden vindt om zijn frustratie te uiten – de oorlog afzet tegen zijn bestaan in de burgermaatschappij, waar men hem als een paria behandelt. ‘Daar kon ik een vliegtuig besturen, of een tank. Ik had een uitrusting die miljoenen waard was. Hier lukt het me niet eens om een baantje als parkeerwachter te krijgen.’
Rambo werd een fenomeen. Maar de donkerte van het personage bleef gereserveerd voor het boek. ‘Als ik ooit zomaar een goede film zou willen maken’, dacht Quentin Tarantino afgelopen zomer hardop in een podcast, ‘dan zou ik David Morrells First Blood nemen. Niet de film die er al is. Ik zou het bóék verfilmen Met Adam Driver als Rambo en Kurt Russell als sheriff. De dialoog is fantastisch: altijd als ik het boek lees móét ik ’m hardop voordragen.’
Wie nu hoopt op deze nieuwe en spraakzamere Rambo, moet weten dat de 59-jarige cineast vastbesloten is te stoppen met filmen na zijn al aangekondigde tiende speelfilm. ‘Maar als het me enkel te doen was om iets goeds te maken zou ik het doen. First Blood ligt er voor het oprapen.’
Ook Stallone doet nog geen afstand. De veronderstelling dat Rambo: Last Blood zijn laatste Rambo betrof, gezien die overduidelijke hint in de titel, corrigeerde hij nog voor de première. De 76-jarige acteur, mompelend tot zijn publiek: ‘Dat weet je maar nooit.’
Misschien wel het belangrijkste onderscheid tussen het eerste Rambo-avontuur en de latere vervolgdelen is het oplopende aantal doden. In First Blood (1982) worden heel wat verwondingen aangericht, ook met dat speciaal voor de film ontworpen gekartelde rambo-mes – nog altijd een verkoophit. Maar John Rambo doodt zelf helemaal niemand, of we moeten die ene sadistische agent die uit een helikopter dondert meetellen. Het op internet bijgehouden aantal ‘kills’ van John Rambo liep vervolgens wel drastisch op in de vervolgdelen. Van 58 in Rambo: First Blood Part II (1985) naar 78 in Rambo II (1988) tot 83, het record, in Rambo (2008), waarin de held naar Birma trok.
Het verder niet zachtzinnige Rambo: Last Blood (2019) hield het wa Source: Volkskrant