De Moskouse politie verrichtte dinsdag huiszoekingen bij zeven medewerkers van een mensenrechtenorganisatie. Die was eerder al verboden, als zoveel andere Russische groepen. Het tekent de niet-aflatende repressie. ‘Ze willen de beweging uit de weg ruimen. Dat is gedoemd te mislukken.’
Vanaf de hoge witte muur in het trappenhuis van het Sacharovcentrum blikt een levensgroot zwart-witportret van Andrej Sacharov welwillend neer op de bezoekers die de trap bestijgen voor een bezoek aan de permanente tentoonstelling over de repressie in de Sovjet-Unie. Nog wel. Binnenkort sluit het centrum zijn deuren, waarmee een einde komt aan het laatste bolwerk van de mensenrechten in Rusland.
Ruslands bekendste voorvechter van de mensenrechten en Nobelprijswinnaar mag dan in 1989 zijn overleden, zijn gedachtengoed is nog springlevend. ‘De strijd tegen de ideeën van Sacharov is zinloos’, betoogt Jan Ratsjinski, de laatste voorzitter van de onlangs opgeheven mensenrechtenorganisatie Memorial.
Ratsjinski spreekt zijn woorden voor een volgepakte zaal tijdens de presentatie van een nieuw boek over de vervolging van Sacharov door de KGB, de geheime dienst van de Sovjet-Unie. Het is een van de laatste evenementen in het Sacharovcentrum, voorafgaand aan de definitieve sluiting per 24 april, op last van de Russische autoriteiten.
‘Ach, het is een kwestie van lange adem’, zegt de 55-jarige Natalja Samover in de coulissen met een opgeruimde glimlach. Ze is curator van de tentoonstellingen in het Sacharovcentrum, ook van de allerlaatste, onlangs geopend ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Sacharovs vrouw, Jelena Bonner. ‘Wij zijn nog jong, dus ik heb er alle vertrouwen in dat we vroeg of laat ons werk weer zullen kunnen voortzetten. Misschien niet in deze behuizing, maar het zal hoe dan ook gebeuren.’
Andrej Sacharov (1921-1989) is de imposante stam waaraan de meeste huidige Russische mensengroepen zijn ontsproten. De briljante Sovjetkernfysicus maakte naam als de ontwikkelaar van de waterstofbom, maar uitte al snel daarna zijn zorgen over de mogelijke gevolgen van kernproeven. In de jaren zestig leverde hij via de ondergrondse pers steeds meer kritiek op de wapenwedloop en op de vervolging van dissidenten. Dat leverde hem in 1975 de Nobelprijs voor de Vrede op.
De gelauwerde wetenschapper was voor de Sovjetleiding veranderd in ‘staatsvijand nummer 1’ en werd in 1980 verbannen naar de gesloten stad Gorki, het huidige Nizjni Novgorod. In 1986 hief de hervormingsgezinde nieuwe Sovjetleider Michail Gorbatsjov de verbanning op (‘Er zijn geen politieke gevangenen in de Sovjet-Unie’, zei Gorbatsjov) en keerden Sacharov en Bonner terug naar Moskou, waar hij zich tot aan zijn dood drie jaar later geheel wijdde aan de politiek.
Sacharov was via Bonner in 1976 nauw betrokken bij de oprichting van de Moskouse Helsinkigroep. Beiden waren in 1988 medeoprichters van de mensenrechtenbeweging Memorial, die zich inzette voor de nagedachtenis van de slachtoffers van de politieke terreur onder Sovjetdictator Jozef Stalin. Sacharov riep bij de oprichtingsconferentie op de aandacht niet te beperken tot de repressie onder Stalin, maar ook onder diens opvolgers Nikita Chroesjtsjov en Leonid Brezjnev.
Na Sacharovs dood zette Bonner zich in voor het behoud van zijn nalatenschap. Dat leidde tot de oprichting van de internationale Sakharov Foundation en van het Sacharovcentrum in Moskou. Naast de flat waar Sacharov en Bonner woonden kreeg het centrum van de gemeente Moskou twee gebouwen daar vlakbij in bruikleen.
In de jaren negentig kwam de mensenrechtenbeweging in het nieuwe Rusland tot volle bloei. Sommige activisten werden politici tegen wil en dank. Memorial ging verder op de ingeslagen weg, maar kreeg al gauw ook de handen vol aan het documenteren van actuele mensenrechtenschendingen in bijvoorbeeld Tsjetsjenië. Andere groepen concentreerden zich op hulp aan vluchtelingen en ontheemden, gevangenen of slachtoffers van politiegeweld en homohaat. Ook buitenlandse organisaties konden zich in Rusland vestigen, zoals Human Rights Watch, Amnesty International en Transparency International.
Van dat bonte palet is weinig meer over. De mensenrechtenbeweging in Rusland incasseert dagelijks nieuwe klappen. De meeste genoemde organisaties zijn tot ‘buitenlandse agent’ bestempeld, wat het functioneren danig bemoeilijkt en een opmaat is naar verdere repressie, of ze zijn gesloten. Eind 2021 werd de liquidatie van Memorial in gang gezet. Desondanks kreeg de organisatie afgelopen najaar de Nobelprijs voor de Vrede, samen met het Oekraïense Centrum voor Burgerlijke Vrijheden en de Belarussische mensenrechtenactivist Ales Bjaljazki, die onlangs in Minsk is veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf.
Dinsdagochtend verrichtte de Moskouse politie huiszoekingen bij zeven Memorial-medewerkers, onder wie voorzitter Jan Ratsjinski, die in Oslo de Nobelprijs in ontvangst nam. Ze werden ondervraagd in het kader van een nieuwe strafzaak wegens ‘rehabilitatie van het nazisme’. De database van Memorial met miljoenen namen van slachtoffers van de politieke terreur in de Sovjet-Unie bevatte enkele (inmiddels verwijderde) namen van mensen die tijdens de Tweede Wereldoorlog zouden hebben gecollaboreerd met de Duitsers. Een van de oprichters van Memorial, Oleg Orlov, werd bovendien beschuldigd van ‘discreditatie van het leger’, waarop tot drie jaar gevangenisstraf staat.
In januari werd ook de Moskouse Helsinkigroep op last van de rechter opgeheven en sommeerden de autoriteiten het Sacharovcentrum de gebruikte onderkomens te ontruimen. Sindsdien is koortsachtig gewerkt om het archief van Sacharov in veiligheid te brengen. Met de sluiting verliest de mensenrechtenbeweging in Moskou een belangrijke ontmoetingsplek, waar niet alleen tentoonstellingen en seminars plaatsvonden, maar ook de laatste eer werd bewezen aan, bijvoorbeeld, Boris Nemtsov, de oppositieleider die begin 2015 vlak bij het Kremlin werd doodgeschoten.
‘Ze hebben zich ten doel gesteld de mensenrechtenbeweging uit de weg te ruimen’, zegt Valeri Borsjtsjov (79), al sinds de jaren zeventig nauw betrokken bij het werk van de Helsinkigroep en in de jaren negentig betrokken bij het schrijven van de nieuwe Russische Grondwet. ‘Ze zijn begonnen met Memorial, daarna volgden wij, daarna het Sacharovcentrum. De mensenrechtenactivisten zitten hun in de weg, ze willen van ze af.’
Voor mensenrechtengroepen is de situatie in het huidige Rusland slechter dan zelfs in de jaren zeventig, zegt Borsjtsjov. ‘Er zijn meer arrestaties en politieke gevangenen dan toen, en de vonnissen zijn zwaarder. In de jaren zeventig kon je zeven jaar krijgen voor ‘anti-Sovjetpropaganda’. Nu kan dat oplopen tot tien jaar en zelfs meer, dus de terugval is heel aanzienlijk. Ze hebben alles onderdrukt en je kunt nu nauwelijks nog enig verzet verwachten. Bij het minste of geringste verdwijnt iemand meteen in de gevangenis. De controle is heel streng.’
Zelf begon Borsjtsjov zijn activisme ooit als lid van een comité dat opkwam voor de rechten van gelovigen in de Sovjet-Unie en nauw samenwerkte met de Helsinkigroep. Die was opgericht om een oogje te houden op de naleving door de Sovjet-Unie van de Helsinki-akkoorden, de in 1975 vastgelegde basisprincipes voor veiligheid, samenwerking en mensenrechten in Europa. De eerste persconferentie van de groep werd belegd in de flat van Sacharov. De Sovjetleiding deed er alles aan om het initiatief in de kiem te smoren door middel van bedreigingen, verbanningen en arrestaties. Sommige leden, onder wie Ljoedmila Aleksejeva, werden gedwongen te emigreren.
Ondanks de niet-aflatende repressie bleef de groep zo goed en kwaad als dat ging functioneren, tot er in 1982 nog slechts twee leden op vrije voeten waren en werd besloten de organisatie op te heffen. Drie jaar later liet Gorbatsjov de teugels vieren en in 1989 werd de Helsinkigroep nieuw leven ingeblazen. Na de ineenstorting van het communistische regime en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie keerde Aleksejeva terug naar Rusland, waar ze van 1996 tot haar dood in 2018 de organisatie leidde. ‘De mensenrechtenbeweging speelde een grote rol in het groeiproces van het nieuwe, democratische Rusland’, zegt Borsjtsjov. ‘Daarom ook is die totale vernietiging van de beweging die we nu zien zo’n pijnlijke realiteit.’
Daar zag het jarenlang niet naar uit. In tegenstelling tot andere mensenrechtenorganisaties was de Helsinkigroep nooit gebrandmerkt als ‘buitenlandse agent’. Ljoedmila Aleksejeva onderhield tot aan het eind van haar leven contacten met het Kremlin, steeds in de hoop dat die vroeg of laat hun vruchten zouden afwerpen.
Zelfs zocht president Vladimir Poetin haar in 2017 thuis op om haar persoonlijk te feliciteren met haar 90ste verjaardag. Aleksejeva greep die gelegenheid onmiddellijk aan om gratie te vragen voor een man tot levenslang was veroordeeld. ‘Oké, ik zal erover denken’, beloofde Poetin, die Aleksejeva voor de camera dankte ‘voor alles, wat u gedurende vele jaren heeft gedaan voor heel veel mensen in ons land’. Toen ze het jaar daarop overleed, prees Poetin haar opnieuw voor haar mensenrechtenwerk en kwam hij persoonlijk afscheid nemen in het zaaltje van het Journalistenhuis, waar Aleksejeva lag opgebaard. Valeri Borsjtsjov stond naast de kist.
Meteen nadat Russische troepen op 24 februari vorig jaar Oekraïne waren binnengetrokken, kwam de Moskouse Helsinkigroep met een scherpe veroordeling. Die kritiek leidde niet direct tot represaillemaatregelen en uiteindelijk wer Source: Volkskrant