Home

Er staat veel druk op parttimers om meer uren te maken, maar ‘de hele samenleving is ingericht op vrouwen met een deeltijdbaan’

Deeltijdwerkers worden gezien als belangrijk arbeidspotentieel. Als zij meer uren zouden werken, zouden personeelstekorten als bij toverslag verdwijnen. Maar bij thuiszorgorganisatie Sint Maarten zien ze: dat is zo makkelijk nog niet.

Kom bij de thuiszorgmedewerkers van Sint Maarten niet aan met termen als ‘deeltijdprinsesjes’. Want dan vertellen ze je maar al te graag over de iPad, die ’s ochtends al om half 7 wordt aangezet om te controleren of mevrouw Jansen de nacht is doorgekomen. Over de stoma’s die ze om 7 uur staan te verschonen. En over hoe ze vervolgens moeten racen om alle cliënten van Ootmarsum tot Weerselo voor 11 uur gedoucht en gekapt ‘achter de koffie’ te hebben.

Nee, zelf vinden ze er weinig vorstelijks aan, hun deeltijdbaan.

Toch staat Marieke Ubbink van stichting Het Potentieel Pakken vandaag voor de twaalf Twentenaren met de vraag of ze misschien nog wat méér zouden willen werken. Of zoals ze dat zelf behoedzamer verwoordt: ‘om een open gesprek te voeren over contractuitbreiding’. Dat doet Ubbink op verzoek van de werkgever. Want terwijl binnen de zorgorganisatie 33 vacatures openstaan en er alleen al in de regio Dinkelland-Tubbergen jaarlijks voor 6 ton aan zzp’ers moet worden ingevlogen voor openstaande diensten, bedraagt de gemiddelde werkweek hier slechts 21 uur.

De Twentse zorginstelling staat daarin niet alleen. Juist in kraptesectoren wordt relatief veel in deeltijd gewerkt. Waar in de gehele beroepsbevolking de helft parttime werkt, is dat in de zorg 82 en in de kinderopvang 86 procent. In de strijd tegen het personeelstekort wordt daarom steeds vaker gewezen naar deze parttimers: zij zouden meer uren kunnen maken. Eén op de tien deeltijdvrouwen wil dat volgens de Emancipatiemonitor ook wel.

Minister Van Gennip (Sociale Zaken) riep werkgevers vorige week dan ook op hierover in gesprek te gaan. Het kabinet overweegt zelfs een bonus voor wie meer gaat werken. Maar dat tussen droom en daad nog heel wat opvattingen in de weg staan, blijkt wel tijdens de ‘dialoogsessie’ van Ubbink.

‘Ga staan’, zegt ze bijvoorbeeld. ‘Als je denkt dat je meer geld overhoudt als je meer werkt.’ De medewerkers blijven zitten. ‘Nou, de Belastingdienst houdt er vooral meer aan over’, grapt er één. Nog zo’n stelling van Ubbink: ‘Het is voor vrouwen moeilijker om meer te werken.’ Daar zijn de twaalf vrouwen het dan weer roerend over eens. Want de ene man is militair, de ander boer en weer een ander directeur. Die kunnen niet zomaar minder werken om voor de kinderen te zorgen.

Ubbink is op dreef nu. ‘Wie gelooft’, zegt ze. ‘Dat alle tekorten in de zorg zijn opgelost als zorgpersoneel één uur extra per week zou werken?’ Een medewerker is beslist: ‘Als het zo gemakkelijk zou zijn, hadden ze het allang gedaan.’

Zo gemakkelijk is het dus ook niet. Dat ondervond ook degene die de som vijf jaar geleden maakte. Wieteke Graven werkte toen nog bij consultancybureau McKinsey en had berekend dat parttimers in de zorg 48 minuten langer zouden moeten werken om de personeelstekorten op te lossen. Voor docenten zouden 34 minuten volstaan. Het rapport was bij het verschijnen controversieel. ‘Deeltijd werd toen echt gezien als een persoonlijke keuze’, aldus Graven. Maar nu personeelstekorten het land tot stilstand brengen, krijgt haar stichting, Het Potentieel Pakken, subsidie voor projecten in de zorg, het onderwijs en de kinderopvang.

Opvallend genoeg is het nu Graven zélf die beleidsmakers en werkgevers waarschuwt voor al te hoge verwachtingen. Met de ingesleten deeltijdcultuur is immers niet zomaar te breken. ‘Iedereen moet daarvoor veranderen’, aldus Graven. ‘De werkgever, de cliënt, de deeltijdwerker zelf, haar gezin, en het systeem eromheen. Want de hele samenleving is nu ingericht op die vrouw met een kleine deeltijdbaan.’ Parttimers simpelweg vragen om meer uren te werken, werkt dus niét. ‘Je moet vragen: ‘Wat heb jij nodig om meer te kunnen werken?’

Het antwoord op die vraag is bij zorginstelling Sint Maarten dat medewerkers het kunnen combineren met ‘thuis’ en ‘betere roosters’, zo gaven ze aan in een enquête. In dat geval zou 45 procent mogelijk meer willen werken, in theorie genoeg om een aanzienlijk aantal vacatures op te vullen. Maar dat vraagt dus wel om betere roosters. Nu wordt de zorg geleverd tussen 7 en 12 uur ’s ochtends en 7 en 11 uur ’s avonds. Handig voor de patiënt, maar voor de thuiszorgmedewerkers betekent het dat zij voor de 21 uur die ze nu werken al vijf keer per week moeten opdraven.

Aan planner en projectleider Carmen Blokhuis de taak om de zorgvraag beter te spreiden over de dag zodat personeel in minder dagen meer uren kan maken. Voor elke handeling onderzoekt ze nu in hoeverre die aan een tijdstip verbonden is. Een verbandje bijvoorbeeld kan ook ’s middags verwisseld. ‘En hoe erg is het als meneer moet ontbijten in zijn badjas?’

De grootste uitdaging is om de cliënten mee te krijgen, denkt de projectmanager. ‘Hun wens is altijd leidend geweest voor de inrichting van de zorg, maar dat is niet meer houdbaar. Ik kan niet meer collega’s maken, mijn collega’s kunnen, als ze dat willen, alleen meer uren maken.’

Ook de zorgmedewerkers zelf moeten wennen aan het idee, blijkt tijdens de dialoogsessie. ‘Als ik straks 85 ben, wil ik ook niet in de middag worden gewassen’, zegt een oudere medewerker. ‘Als ik zover ben hoop ik dat er überhaupt nog iemand is die mij wil helpen’, werpt een ander tegen. Een 23-jarige thuiszorgmedewerker is wél onverdeeld enthousiast. ‘Ik wil mijn 32 uur best ophogen naar 36 uur’, zegt ze glimlachend. ‘Maar dan mogen jullie mij niet meer bellen als er straks weer eens een dienst openstaat.’

Source: Volkskrant

Previous

Next