Een op de tien Nederlanders heeft afgelopen jaar (gevoelens van) discriminatie ervaren. Zij kunnen zich melden bij antidiscriminatiebureaus. Dat gebeurt zelden omdat ze onbekend zijn. Daar moet snel verandering in komen, vindt ook de minister.
Een vrouw die contact zoekt met een makelaar om een huis te kopen, ziet tot haar verbazing dat die makelaar alle post hierover aan haar vriend adresseert. Een man van Marokkaanse afkomst ergert zich eraan dat sommige van zijn collega’s hem en andere werknemers in het bedrijf met een migratieachtergrond standaard aanspreken met ‘Achmed’, ook al heten ze helemaal niet zo.
Het zijn twee van de kleine vijfhonderd meldingen van discriminatie die het afgelopen jaar zijn ingediend bij antidiscriminatievoorziening Vizier. De organisatie werkt voor 54 gemeenten in Overijssel en een deel van Gelderland en is daarmee een van de achttien ADV’s. Samen bestrijken zij bijna heel Nederland en ontvangen ze jaarlijks zo’n zesduizend meldingen van (gevoelens van) discriminatie op basis van bijvoorbeeld afkomst, religie, seksuele voorkeur, een lichamelijke beperking, leeftijd of zwangerschap.
In 2009 is wettelijk vastgelegd dat iedere Nederlander die zich gediscrimineerd voelt terecht moet kunnen bij een onafhankelijke antidiscriminatievoorziening in zijn omgeving. Bijvoorbeeld in het kantoor van Vizier in Zwolle, dat, onzichtbaar vanaf de buitenkant, gevestigd is in een uit rode bakstenen opgetrokken bedrijfsverzamelgebouw achter het station. Aan het eind van de gang op de vierde verdieping huurt de organisatie er sinds eind vorig jaar twee ruimtes van bij elkaar net 50 vierkante meter.
‘De meeste van de kleine dertig antidiscriminatiekantoren zitten op zulke wat verscholen plekken’, vertelt directeur Carla van Dijk van Vizier, zij is tevens bestuurslid van Discriminatie.nl, de koepel van antidiscriminatiebureaus. Het komt dan ook niet vaak voor dat iemand er spontaan binnenloopt met een discriminatieklacht. De meeste melders vullen eerst online een formulier in op discriminatie.nl, dat de meldingen na een regio doorleidt. Bellen is ook mogelijk. Bij Vizier kan melden eveneens op de eigen site.
De antidiscriminatievoorzieningen zijn nog maar matig bekend bij het publiek. Het is eigenlijk gek, vindt Van Dijk, dat zo’n belangrijk maatschappelijk thema als discriminatie welhaast onzichtbaar wordt afgehandeld.
Minister Hanke Bruins Slot (Binnenlandse Zaken) vindt ook dat dat anders moet. Zij ziet een grotere rol weggelegd voor de antidiscriminatiebureaus in een tijd dat ‘discriminatie en racisme steeds zichtbaarder thema’s zijn geworden in onze samenleving’. Het moeten gemakkelijk vindbare en toegankelijke expertisecentra worden, waar burgers terechtkunnen voor hulp en ondersteuning als zij zich ongelijk behandeld voelen. ‘Ze hebben een enorme bak kennis in huis. Die kan beter benut worden’, zegt Bruins Slot. ‘Inwoners van Nederland weten de antidiscriminatiebureaus niet goed te vinden. Daar moeten we wat aan doen.’ Daarvoor wil de minister binnenkort een uitgebreide publiekscampagne opzetten.
Door de huidige onbekendheid krijgen de antidiscriminatiebureaus nu maar een fractie binnen van de gevoelens van discriminatie die in de samenleving spelen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek becijferde dat het afgelopen jaar 11 procent van de Nederlanders (van 15 jaar of ouder) een vorm van discriminatie hebben ervaren, dat zijn zo’n 1,6 miljoen personen. Onder Nederlanders met een Marokkaanse, Surinaamse of Caribische achtergrond is dit percentage het hoogst: bijna eenderde van hen voelt zich gediscrimineerd, het vaakst door ongelijke behandeling of discriminerende opmerkingen. In dat licht gezien zijn die jaarlijkse zesduizend meldingen bij de antidiscriminatiebureaus er wel heel weinig.
Een deel van de mensen die discriminatie ervaart, voelt niet de behoefte het te melden, weet Van Dijk. ‘Maar door onze onbekendheid missen we zeker signalen, omdat mensen ons niet weten te vinden.’
Met een aantal van haar medewerkers zit Van Dijk deze ochtend in de Zwolse kantoorruimte van Vizier. Daarin staan drie bureaus aan elkaar geschoven. Met een simpele, zwarte kantoorkast is dat de totale inrichting. De andere ruimte dient als spreekkamer. ‘Ons beperkte budget gaat duidelijk meer naar onze klachtenbehandelaars dan naar kantoorkosten’, zegt Van Dijk. ‘En dit is voor ons al een enorme vooruitgang vergeleken met onze vorige werkruimte die maar de helft zo groot was’, zegt klachtenbehandelaar Naomi Cairo, vanachter haar laptop.
Cairo is een van de acht klachtenbehandelaars van Vizier bij wie de melders van discriminatie in deze regio terechtkomen. Als een melder de Zwolse kantoorruimte van de organisatie of die in Arnhem, Nijmegen en Enschede niet kan bereiken, bijvoorbeeld vanwege een lichamelijke beperking, kunnen klachtenbehandelaars ook naar diegene toegaan. ‘Soms willen mensen ons hun verhaal vertellen omdat ze twijfelen of ze echt gediscrimineerd zijn’, vertelt Cairo. ‘Sommigen hebben al genoeg aan het gesprek, aan een luisterend oor, anderen willen advies en hulp bij het nemen van volgende stappen.’
Bij ernstige gevallen waarbij strafbare feiten zijn begaan adviseert een klachtenbehandelaar aangifte te doen bij de politie, en helpt daar ook mee als de melder dat wil. Ook begeleiding voor een gang naar het College voor de Rechten van de Mens is mogelijk.
De verhalen die de klachtenbehandelaars horen bewegen soms mee met de maatschappelijke ontwikkelingen: toen er demonstraties plaatsvonden van Black Lives Matter kwamen er relatief veel meldingen binnen van discriminatie op huidskleur, ten tijde van corona werden de antidiscriminatiebureaus overspoeld met klachten over uitsluiting op basis van bijvoorbeeld het niet beschikken over een vaccinatiebewijs. Constant blijven volgens Cairo de meldingen over zogenaamde grapjes op de werkvloer, waar werknemers last van kunnen hebben. ‘Dan vragen we: heb je wat je mij nu vertelt ook gemeld bij je leidinggevende? Soms hebben ze dat niet. Dan zeggen we: doe dat eerst. Indien gewenst helpen wij met het opstellen van een mail.’
Als de melder het wil, gaat de klachtenbehandelaar ook mee naar een gesprek met diens baas. ‘Soms reageert zo’n leidinggevende boos, ontkennend’, zegt Cairo. ‘Maar er zijn er ook die ons vervolgens vragen of wij een training kunnen geven in hun bedrijf.’ ‘Want dat doen veel antidiscriminatiebureaus ook’, vult Van Dijk aan. ‘Trainingen geven en preventieprogramma’s ontwikkelen.’
Dat de antidiscriminatiebureaus ondanks dergelijke activiteiten weinig bekendheid genieten, ligt ook een beetje aan hun zelf. Ze zijn ongelijksoortig en hebben elk een eigen naam - van het piepkleine Meldpunt Discriminatie Deventer voor één gemeente tot grote als Vizier en Radar (49 gemeenten in Zuid-Holland en Brabant), die meerdere kantoren hebben. Dat draagt niet bij aan een herkenbaar beeld, beseffen de organisaties.
Daarom gaan ze dat veranderen. Vanaf volgend jaar opereren alle antidiscriminatiebureaus onder één vlag, van de website discriminatie.nl. Het moet de vindbaarheid en bekendheid van de organisaties verbeteren, zoals de minister wil.
‘Dan is het ook de bedoeling dat medewerkers van andere organisaties zoals bibliotheken en welzijnswerk gaan doorverwijzen naar ons als ze verhalen horen over uitsluiting of ongelijke behandeling’, zegt Van Dijk. ‘Het zou ook mooi zijn als bijvoorbeeld vroedvrouwen zwangere vrouwen al vertellen dat zij bij ons terechtkunnen, mochten zij te maken krijgen met zwangerschapsdiscriminatie.’
Voor de prominentere rol die antidiscriminatiebureaus willen gaan spelen, moet er nog één belangrijke zaak beter worden geregeld: geld. De antidiscriminatiebureaus vinden dat ze veel te weinig budget krijgen van de gemeenten om hun wettelijke taak te kunnen vervullen. En dat terwijl het Rijk de bijdrage voor discriminatiebeleid voor de gemeenten in 2021 heeft verdubbeld, van 37 cent tot 77 cent per inwoner.
Alleen: dit bedrag komt maar mondjesmaat terecht bij de antidiscriminatiebureaus. Het is zogenoemd niet geoormerkt geld, dat gemeenten bijvoorbeeld ook aan lantaarnpalen kunnen besteden.
‘Het grootste gedeelte van mijn tijd ben ik kwijt aan het leuren bij gemeenten voor meer geld’, zegt Van Dijk. ‘Er zijn gemeenten die geen cent van de rijksbijdrage voor antidiscriminatiebeleid aan onze bureaus geven – in sommige provincies, zoals Limburg, zijn zulke witte vlekken. Andere, vooral kleinere gemeenten, geven ons er slechts een klein deel van. Daardoor verschilt de aanpak van discriminatie per regio, dat zou niet zo mogen zijn.’
Om niet langer afhankelijk te zijn van de goede wil van gemeenten willen de antidiscriminatiebureaus dat de overheid die 77 cent per inwoner rechtstreeks naar hun brancheorganisatie stuurt, die het geld over de regio’s kan verdelen. Daarvoor is een wetswijziging nodig en dat kan lang duren. Daarom vragen de organisaties het Rijk om de gemeenten tot die tijd te verplichten om het daarvoor bestemde geld ook echt aan de antidiscriminatiebureaus te geven.
Minister Bruins Slot ziet dat het knelt. Daarom laat zij onderzoeksbureau Berenschot onderzoeken hoe de antidiscriminatiebureaus ‘gepaster’ gefinancierd kunnen worden.
Dat een klein deel van de gemeenten helemaal niet is aangesloten bij een antidiscriminatievoorziening, terwijl dat wettelijk verplicht is, bevreemdt de onderzoekers van Movisie en het Kennisplatfom Inclusief Samenleven die recentel Source: Volkskrant