En weer is het Pieter Omtzigt die grommend zijn tanden erin heeft gezet. We weten dat hij niet loslaat, ook al klinkt er gepiep en gejammer.
Dit keer gaat het over Nederlands als voertaal aan de universiteiten en hogescholen. Begin februari werd, na een debat over de onstuitbare internationalisering, met ruime meerderheid in de Tweede Kamer een motie van Omtzigt aangenomen waarin hij minister van Onderwijs Robbert Dijkgraaf verzocht de artikelen 1.3.5 en 7.2 van de Wet op het hoger onderwijs te verduidelijken en te handhaven, zodat Nederlands weer de standaardvoertaal is in het hoger onderwijs. Hij vroeg de minister binnen een week te laten weten hoe hij die motie zou gaan uitvoeren.
Dat antwoord bleef uit. Daarom stelde Omtzigt de minister schriftelijke vragen. Afgelopen vrijdag kreeg hij antwoord. Het zijn ontwijkende antwoorden. Dijkgraaf benadrukt vooral dat hij een uitgebreide Kamerbrief over ‘de beheersing van de internationale studentenstromen’ aan het schrijven is.
Ja, hij ziet de problemen. Ja, hij kent de wet. Ook artikel 7.2 van de Wet op het hoger onderwijs die voorschrijft dat het reguliere onderwijs in het Nederlands wordt gegeven. En ook artikel 1.3.5, dat het bevorderen van de Nederlandse uitdrukkingsvaardigheid verplicht. Op die wetsartikelen zijn uitzonderingen mogelijk, zegt Dijkgraaf, en daarom kan de Onderwijsinspectie er moeilijk op handhaven. Dus werd de uitzondering regel en worden er geheel Engelstalige studies aangeboden, zoals in Wageningen, Enschede, Tilburg, Maastricht en Delft volop gebeurt. En ja, Dijkgraaf weet ook dat wetgevingsjurist Peter Kwikkers, die betrokken was bij de totstandkoming van de wet, meent dat die wel kán worden gehandhaafd, maar dat het simpelweg niet gebeurt; de wet wordt welbewust overtreden.
Dijkgraaf zit klem. Het lijkt erop dat hij de boel traineert en op kousenvoetjes danst rond de bestuurders in het hoger onderwijs, die hij niet wil mishagen. Ook hij ziet dat de instroom van buitenlandse studenten overloopt, nu vier van de tien eerstejaars uit het buitenland komen (CBS). Aan onze universiteiten studeerden in 2016 nog 41.603 buitenlandse studenten; in 2022-2023 zijn het er 85.239 (universiteitenvannederland.nl). Vandaar de mudvolle collegezalen, de hoge werkdruk voor docenten en het nijpende tekort aan huisvesting. Maar, zei Dijkgraaf in het debat, ‘we willen ook geen braindrain’. Braindrain? Van de 115 duizend buitenlandse studenten in het totale hoger onderwijs vertrekt de overgrote meerderheid straks weer. Er studeren zo’n 20 duizend Nederlanders in het buitenland. Dat is geen levendige uitwisseling meer.
De argumenten voor nóg meer internationalisering kennen we: onze wereldwijde academische reputatie, onze internationale concurrentiepositie. Ook de tegenargumenten zijn bekend: de teloorgang van het Nederlands als taal van de wetenschap en het intellectuele debat, de teruglopende taalvaardigheid van studenten en de matige kennisverwerving als je studeert in een taal waarin je je krom uitdrukt (net als je docent). En: hoe eerlijk is het voor de belastingbetaler dat bij numerusfixusstudies Nederlandse studenten concurreren met buitenlandse? En dat studenten uit de EU vanaf 2025 hier studiefinanciering krijgen?
We hoeven niet alle Engelstalige studies op te heffen; internationale masters zijn nuttig en nodig. Maar bied allereerst weer alle bachelors óók in het Nederlands aan. Misschien moet Dijkgraaf nog eens formuleren waartoe ons hoger onderwijs allereerst dient: om mensen zich te laten ontwikkelen en voorbereiden op de toekomst. De meeste studenten blijken geen briljante wetenschappers en de meesten zullen hier werken. We hebben leraren, artsen, psychologen, rechters, advocaten, ambtenaren, journalisten en opvoeders nodig die zich uitstekend in het Nederlands uitdrukken en die taalvaardigheid overdragen op de volgende generatie. Als Dijkgraaf daar nou eens voor durfde te kiezen.
Source: Volkskrant