Dient het Internationaal Strafhof te Den Haag (ICC) zich nog tijdens het conflict in Oekraïne strafrechtelijk in te laten door een arrestatiebevel uit te vaardigen tegen de zittende president van de Russische Federatie, Vladimir Poetin? Een dergelijk bevel werd op 17 maart uitgebracht in verband met het oorlogsmisdrijf van kinderdeportatie.
Over de auteur
Geert-Jan Knoops is advocaat en als bijzonder hoogleraar politiek van het internationaal recht verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Vooropgesteld dient te worden dat oorlogsmisdrijven moeten worden onderzocht. De vraag is echter of het ICC, door juist op dit moment dit arrestatiebevel uit te vaardigen, een mogelijk politieke oplossing van het conflict in de weg staat. Bovendien is het niet te verwachten dat Rusland haar koers in dit conflict door dit bevel zal laten beïnvloeden.
Het praktisch rendement van het arrestatiebevel zal nu enkel een mogelijk (verder) diplomatiek en politiek isolement van Poetin zijn, doordat hij niet meer naar landen kan reizen die het ICC ondersteunen. Dit betekent tevens dat deelname van Poetin aan internationale conferenties met politieke leiders ernstig wordt bemoeilijkt, en dus ook het dichterbij brengen van een politieke oplossing van de oorlog.
Het effect van het arrestatiebevel, afgewogen tegen een negatieve impact op een mogelijk diplomatieke oplossing van de oorlog, moet temeer worden betwijfeld als men zich realiseert dat een strafproces tegen Poetin voor het ICC pas mogelijk is als de Russische president fysiek in Den Haag is. Een strafproces bij het ICC kan namelijk niet plaatsvinden bij verstek.
Als de werkelijke impact van een arrestatiebevel op dit moment beperkt is tot een limitering van Poetins bewegingsvrijheid en men dit afweegt tegen een negatieve impact op een diplomatieke oplossing, zou de balans niet in het voordeel van het eerste uitvallen. Naast het aspect van de onmogelijkheid president Poetin bij verstek voor het ICC te berechten, speelt er ook een bewijsrechtelijke uitdaging en mogelijk probleem voor de ICC-aanklager.
De bewijslast voor een arrestatiebevel is relatief laag: de aanklager hoeft alleen maar aan te tonen dat er ‘redelijke gronden’ zijn dat president Poetin betrokken is bij kinderdeportatie. Maar voor een strafproces tegen president Poetin – in de hypothese dat dit in toekomst zou gaan plaatsvinden, mocht hij bijvoorbeeld op enig moment buiten Rusland worden gearresteerd – zal de aanklager van het ICC bewijs moeten leveren waaruit blijkt dat het ‘buiten redelijke twijfel’ vaststaat dat de Russische president opdracht heeft gegeven tot kinderdeportaties.
Daarvoor zijn directe bewijzen nodig, bijvoorbeeld in de vorm van documenten waarin de Russische president daartoe opdracht zou hebben gegeven of door middel van getuigen die dit kunnen bevestigen. Niet te verwachten is dat personen dicht bij Poetin daartoe bereid zouden zijn indien van een dergelijke opdracht al sprake zou zijn.
Voor het eventuele scenario van de aanklager, dat de Russische president stilzwijgend met een dergelijke deportatie zou hebben ingestemd, is evenzeer bewijs nodig: namelijk dat Poetin hiervan heeft geweten, maar niet heeft ingegrepen als hoogste politieke leider. Het is maar zeer de vraag of dit bewijs bestaat. Ook hierom moet men zich afvragen of het arrestatiebevel wel kan resulteren in een haalbaar strafproces en of dit niet meer een symbolische waarde heeft, behoudens dan de genoemde politieke isolatie van Poetin.
De Verenigde Staten, die op dit politiek strijdtoneel juist een voortrekkersrol hadden kunnen spelen, hebben hun kans nu verspeeld. Op 18 maart liet de Amerikaanse president Biden weten dit arrestatiebevel toe te juichen, omdat Poetin volgens Biden ‘overduidelijk oorlogsmisdaden heeft gepleegd’.
Nog in 2002 nam de VS wetgeving aan die het mogelijk maakte voor een Amerikaanse president om ‘met alle middelen’ Amerikaanse burgers te bevrijden die in gevangenschap van het ICC zouden belanden. Deze wetgeving probeerde de positie van het ICC juist te verzwakken.
Toen het ICC voornemens was Amerikaanse militairen te vervolgen voor mogelijke gepleegde oorlogsmisdrijven in Afghanistan, vaardigde de toenmalige Amerikaanse president Donald Trump in juni 2020 zelfs sancties (bevriezen van bankrekeningen en inreisverboden) uit tegen medewerkers van het ICC, onder wie de toenmalige hoofdaanklaagster van het Strafhof. Weliswaar werden deze sancties onder Biden in april 2021 opgeheven, maar de VS bleven zich verzetten tegen het onderzoek van het ICC naar de rol van Amerikaanse militairen in het conflict in Afghanistan en verkozen daarvoor ‘een dialoog met alle actoren binnen het ICC in plaats van sancties’.
President Biden miskent met zijn recente uitlatingen omtrent Poetin de belangrijke rol die de VS als mediator hadden kunnen spelen in het Oekraïne-conflict. Maar belangrijker, zijn kwalificatie van Poetin als oorlogsmisdadiger en het toejuichen van het arrestatiebevel geeft indirect een politieke dimensie aan de ICC-procedure. En juist deze beeldvorming dient vermeden te worden.
Wenst men Poetin te vervolgen, dan zal dit op een volstrekt onafhankelijke wijze dienen plaats te vinden wil een dergelijk proces legitiem zijn. De vraag is echter of het arrestatiebevel tegen Poetin op dit moment niet te vroeg komt.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden