Home

‘Er zit klittenband aan mij, mijn hele leven komen mensen naar mij toe’

Toos van Zee-Van Helden heeft zich in haar eenkamerappartement omringd met talrijke ingelijste foto’s van dierbaren en herinneringen aan een actief leven als vrijwilliger. In die rol kon ze alsnog haar talenten ontwikkelen. Het zit haar tot op de dag van vandaag dwars dat ze na de mulo niet verder mocht leren. ‘Voor een meisje was dat in die tijd genoeg.’ Ze noemt zichzelf ‘een vrouw van de oude stempel’, omdat ze als vrijwilliger veel naar anderen heeft omgekeken.

‘We hadden het goed. Mijn vader had een vaste baan bij de spoorwegen, als stationschef van Roermond. We konden vrij reizen. Na de zomervakantie mochten de kinderen in mijn klas op de lagere school vertellen wat ze hadden gedaan. Ze waren bijvoorbeeld naar de bioscoop geweest. Als iedereen zijn verhaal had verteld, zei de meester: ‘En nu mag Toos.’ En dan vertelde ik dat we met de trein naar Scheveningen waren gereisd, voor een dagje aan het strand. De kinderen keken mij aan: helemaal naar Scheveningen? Dat was ver in die tijd. Dan voelde ik mij heel rijk.

‘Mijn ouders zijn opgegroeid op een boerderij. Mijn moeder wilde wel met mijn vader trouwen, maar niet met een boer. Ze wilde een man die elke dag om zes uur klaar was met werken. Met wat strubbelingen is mijn vader uit het bedrijf gestapt. Mijn vader kocht een stuk land waarop hij een huis bouwde en waar ruimte was voor een moestuin en kippen. We aten uit de tuin. Het was een heel andere tijd, iedereen leefde op zijn eigen terreintje en als familie hielp je elkaar.’

‘Het raakt mij elke keer weer diep. Dan denk ik vooral aan familieleden. Mijn dochter Thea draag ik elke dag met mij mee, zij stierf op haar 59ste aan kanker. En mijn kleinzoon Tim, die overleed aan een hartstilstand toen hij in groep 8 zat van de basisschool. Maar ik denk ook aan pater Tops, die lange tijd een paar huizen verder woonde. Hij kwam eerst elke week een kop koffie drinken, nadat mijn man was overleden werd dat elke dag. We raakten bevriend. Toen hij niet lang meer te leven had, vroeg hij of ik aan zijn sterfbed wilde zitten. Hij was bang en wilde niet alleen zijn. Er zit klittenband aan mij, mijn hele leven komen mensen naar mij toe. Als zij zich thuis voelen bij mij, voel ik mij een rijk mens.’

‘Ze was vroeg geboren, met zeven maanden. Ze at slecht en is altijd klein gebleven. Marriet was altijd mistroostig. Op een doordeweekse ochtend werd ik gebeld door de school waar ze als onderwijzeres werkte. De klas zat op haar te wachten. Mijn man is naar haar huis gereden, belde aan, klopte op het raam, maar er kwam geen reactie. Hij was zo verstandig de politie te bellen. Ze lag op bed en bleek een eind aan haar leven te hebben gemaakt, 35 jaar oud.’

‘Ergens wel. Elke dag kwam ze alleen thuis. Ze had weleens gezegd dat ze het niet eerlijk vond dat ik altijd zo veel mensen om mij heen had. Ik denk dat ze heel eenzaam was en daar niet mee kon leven.’

‘In het begin van de oorlog heb ik op brutale wijze Theo leren kennen, mijn latere man. Met een groepje vriendinnen ging ik op zoek naar iemand die ons dansles kon geven. Die vonden we een café. Theo was opgegroeid in Den Haag en was als rijksambtenaar overgeplaatst naar Roermond. De vrouw van het hotel waar hij verbleef, wees hem op het café waar werd gedanst. Hij kwam een paar keer kijken. Omdat ik slecht dansen kon, danste ik altijd met de leraar. Theo liep op hem af en vroeg of hij mij mocht overnemen. Daar was ik kwaad over, wat dacht die Hagenaar wel wie hij was? Bovendien had ik al een vriendje.’

‘Later in de oorlog stond Theo’s moeder, die weduwe was, ineens bij ons voor de deur met haar zoon Jan. Samen waren ze uit Den Haag naar Roermond gereisd. Of Jan bij ons kon onderduiken, om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. Dat zag mijn moeder niet zitten, ze vond het veel te gevaarlijk, met vijf kinderen in huis. Op mijn verzoek mocht Jan één nacht blijven slapen. Ik zei dat ik de volgende dag een onderduikplek voor hem zou zoeken. Ik klopte aan bij het klooster van de redemptoristen in Roermond, en werd bij pater Bleijs (leider van het Limburgs verzet, red.) geroepen. Hij beloofde een plek voor Jan te zoeken. Hij gaf mij een halve krantenpagina en zei wanneer ik op het station van Weert moest zijn met Jan. Daar zou ik iemand moeten zoeken met de andere helft van de pagina. Op het station stond inderdaad een man met een stuk krant dat als een puzzelstukje aan de mijne paste. Hij nam Jan mee. Oh, wat heb ik in de zenuwen gezeten. Ik snap niet dat ik zo oud geworden ben.

‘Maar er zouden meer spannende momenten volgen. In december 1944 bereikte ons op een ochtend het bericht dat de Duitsers bij huiszoekingen in Roermond dertien ondergedoken mannen hadden aangetroffen die aan de Arbeitseinsatz waren ontkomen, en executeerden. Mijn vader zat in onze kelder ondergedoken. We besloten hem diezelfde dag meteen in veiligheid te brengen. We woonden vlak bij de Duitse grens. Iets over de grens woonde een zus van mijn vader, die getrouwd was met een Duitser. Daar zouden we hem naartoe brengen. We verkleedden vader als vrouw: een pruik met lang haar, een jurk aan, damesschoenen en een gebreide hoofddoek om. Onze buurvrouw leende haar slee uit. Met mijn zusje Itie trok ik vader op de slee door de sneeuw de grens over. We moesten onderweg de brug over de Roer over. Dat was heel gevaarlijk, want er stonden wel twintig Duitse soldaten te patrouilleren. Mijn moeder had ons gezegd: ‘Itie kan goed bidden, dus zij moet bidden, en Toos, jij moet praten.’ We werden aangehouden en ik vertelde de soldaten dat we onze ‘alte Mutti’ naar familie gingen brengen. Mijn zusje had goed gebeden, want aan vader vroegen ze niks en we mochten door. Daarna hebben we meteen Theo op dezelfde manier, ook verkleed, de grens overgebracht.

‘In de oorlogsjaren, en de periode erna, heb ik Theo goed leren kennen. Hij was een man die zijn verantwoordelijkheid nam en bleef interesse in mij tonen. Hij hielp mij bijvoorbeeld met brieven aan instanties schrijven, als oudste een van mijn taken in ons gezin. Ik kon schrijven, hij kon typen. Mijn moeder zei op een dag: ‘Toos, je moet hem niet zo aan het lijntje houden. Hij houdt zo veel van jou. Geef hem een kans, of laat hem gaan.’ Ze had gelijk. In 1947 zijn Theo en ik getrouwd.’

‘Theo werd gedetacheerd op een kantoor van het ministerie van Landbouw in Tilburg. De gemeente had voor ons een kamer gevorderd in een groot huis waar maar twee mensen woonden. Bij de kennismaking vroeg de vrouw of ik sokken kon breien. Ik zei maar ‘ja’ en vroeg thuis meteen aan mijn moeder of ze steken wilde opzetten. Ik heb altijd twee linker handen gehad en wilde na de mulo graag doorleren. Maar dat vonden mijn ouders niet nodig. Ik dacht het te zullen winnen met mijn standvastigheid, maar de beslissing werd voor mij genomen. Het maakte mij kwaad, ik had nog zo’n honger naar kennis. Honger, dat was het ja.’

‘Ik ben dankbaar dat ik veel kansen heb gekregen om iets voor anderen te betekenen.’ (Ze wijst naar een ingelijste oorkonde en de toekenning van een ‘gouden speld’ voor jarenlang ‘belangeloos vrijwilligerswerk’). ‘Ik ben in veel organisaties en besturen actief geweest. Dat was mijn werk. In 1966 vroeg het bisdom van Den Bosch of ik met mijn man de Pax Christi-voettochten wilde organiseren. Dat hebben we vijftien jaar lang gedaan. Elk jaar, in de herfstvakantie, konden eindexamenleerlingen van hbs en gymnasium uit het hele land meedoen aan een vierdaagse wandeltocht van Tilburg naar Den Bosch. Met wel 250 jongeren, verdeeld over twaalf groepjes maakten we de voettocht. Theo en ik regelden alles: onderdak, eten, een gespreksleider per groep, de route. Dat was veel werk. Het idee was dat de jongeren konden praten over hun leven na het examen en alles wat hen bezighield. Het was, zeg maar, een inwijding in het volle leven.’

‘Het is een belangrijke leerschool voor mij geweest. Ik heb leren organiseren, toespraken houden, samenwerking tot stand brengen. De gesprekken met jongeren tijdens de voettochten gaven mij een bredere kijk op mensen. De een kan zeggen: dit is groen, de ander: dit is blauw. Mensen kunnen hetzelfde heel verschillend bekijken. Mijn moeder vroeg weleens of ik nog iets in het huishouden deed. Maar daar heb ik nooit iets aan gevonden. En ik had er geen talent voor; als ik iets bakte werd het of te hard of te zacht. Laat mij maar midden in het leven staan en werken.’

geboren: 24 maart 1922 in Roermond

woont: in een woonzorgcentrum in Tilburg

familie: een zus (96), drie kinderen (één overleden), zeven kleinkinderen (één overleden)

weduwe: sinds 2001

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next