Home

De zonnige zijde: wat er wél goed gaat in de natuur

De regen sloeg een week lang tegen de ramen, toen flauwtjes een sprankje zonlicht over het donkere nieuwslandschap scheen. ‘Ontbossing Braziliaanse wouden afgenomen tijdens eerste maand van president Lula’, berichtte persbureau Reuters. Uit satellietgegevens van het ruimteonderzoeksbureau van de regering, Inpe, was gebleken dat in januari 167 vierkante kilometer in de regio was gekapt. Dat is treurig, maar tegelijk wel een daling van 61 procent ten opzichte van januari 2022, de slechtste maand in de achtjarige reeks onder president Bolsonaro.

Eindelijk iets dat goed lijkt te gaan. Precies dat vleugje hoop waaraan je behoefte hebt, wanneer je de ontwikkelingen op het vlak van natuur volgt. Is er tussen alle dagelijkse rampspoed over afnemende biodiversiteit, kwijnende natuurgebieden en uitstervende soorten misschien ook nog iets positiefs te melden?

Over de auteur

Jean-Pierre Geelen werkt op de redactie Wetenschap als redacteur ‘Natuur & biodiversiteit’. Hij schreef onder meer het boek Blinde Vink, hoe ik vogels leerde kijken.

Gelukkig wel. Meer dan genoeg zelfs, als je het maar wilt zien. Dat doen we hier. Disclaimer voor de zwartkijker met de pen in de aanslag voor de brievenredactie: er gaan dingen goed, maar niet altijd is dat louter goed nieuws. Want ja, we weten het: de opmars van de braam, de brandnetel en grassen zou een humuslaag kunnen vormen voor de blije eikel, evengoed is het een signaal van te veel aan stikstof in lucht en bodem waar andere natuur onder lijdt. Zo heeft bijna elke medaille z’n keerzijde. Positieve ontwikkelingen zijn vaak het gevolg van beschermende maatregelen, maar soms ook van klimaatverandering die tegelijk reden tot zorg geeft.

Over de donkere kant van die munt bericht de krant – ‘de media’, zo u wilt – genoeg. Over de zonnige zijde zelden. Goed nieuws is geen nieuws, luidt immers een oud adagium in de journalistiek.

We steken hier welbewust voor eenmaal de kop in het zand, om onbeschaamd het halflege glas als halfvol te zien.

Zo speelt in de verte de fanfare het grote Carnaval der Grote Zoogdieren. Want het is die groep die het de laatste jaren opvallend goed doet – althans: een deel van de 250 soorten zoogdieren in Europa. Niet alleen in Nederland, maar in heel Europa.

De website Our World in Data publiceerde eind vorig jaar een inventarisatie op gezag van de organisaties Zoological Society of London, Birdlife International en Rewilding Europe. Als voorbeeld werd de Europese bizon genoemd, de grootste planteneter op dit continent. Millennialang graasde het beest hier vrij rond, maar de laatste vijfhonderd jaar liep hij hard achteruit, vooral door de jacht. Begin vorige eeuw was hij zo goed als uitgestorven; de laatste tientallen werden gehouden in gevangenschap.

Tot vijftig jaar geleden. ‘De Europese bizon heeft de laatste vijftig jaar een indrukwekkende comeback gemaakt’, schrijft Our World in Data. ‘Dankzij succesvolle instandhoudingsmaatregelen is hun aantal weer toegenomen. Eind 2021 waren het er bijna tienduizend.’ Dat is nog altijd fors minder dan het ooit was, maar de trend is gekeerd, dankzij onder meer het creëren van open weiden waar ze kunnen grazen zonder boerenland te plunderen.

De bizon is niet de enige geluksvogel: ook ‘iconische dieren’ als de bruine beer en de eland, die ooit aan de rand van de afgrond stonden, leven weer op, vooral door herintroductie.

De bever staat onbetwist aan de top van de lijst met 25 winnaars. Hij heeft zijn aantal naar schatting (op basis van 98 bestudeerde populaties) in een halve eeuw tijd 167 keer weten te vergroten: liepen er in de eerste helft van de vorige eeuw nog maar een paar duizend rond in Europa, nu wordt hun aantal geschat op meer dan 1,2 miljoen. Ook in Nederland rukt hij op, nadat hij begin jaren negentig in de Biesbosch en later in de Gelderse Poort en het Maasdal werd geherintroduceerd. Dat verliep zo succesvol (naar schatting zo’n 3.500 tot 5.000 exemplaren nu), dat hij hier en daar weer wordt bejaagd vanwege schade aan dijken en bomen die hij enthousiast knagend zou veroorzaken. Verhoudingsgewijs staat de explosieve stijging van het aantal bevers net boven die van de Europese bizon.

Onder de 25 stijgers van de afgelopen halve eeuw bevinden zich verder onder meer de grijze zeehond, de ingekorven vleermuis (of wimpervleermuis) en de Iberische wilde geit.

Nog meer mooi nieuws: maakte de Iberische lynx in 2013 nog een daling door, dankzij fokprogramma’s en uitzetting heeft de katachtige de stijgende lijn hervonden. Zozeer zelfs, dat de internationale organisatie IUCN hem van de Rode lijst met ernstig bedreigde dieren heeft geschrapt.

De Europese wolf is in 2018 na 150 jaar op eigen kracht terug naar Nederland gekomen, nadat lang daarvoor de jacht verboden was en in Oost-Europa beschermende maatregelen werden genomen. Toen eind vorige eeuw het IJzeren Gordijn werd neergehaald, lag de weg letterlijk open voor verdere verspreiding naar het westen. De opmars had enige tijd nodig, maar de rentree van de wolf in Nederland kon zodoende al jaren van tevoren worden voorspeld.

Het lijkt erop dat grote (zoog)dieren ook om een andere reden een zonniger tijd tegemoet gaan dan kleinere: Deense onderzoekers concludeerden vorig jaar in het tijdschrift eLife dat van de 157 onderzochte diersoorten uit de hele wereld de grotere beter bestand zijn tegen opwarming van de aarde dan andere. Bizons en bijvoorbeeld beren leven langer en hebben minder nakomelingen, waardoor zij bij extreem weer minder kwetsbaar zijn dan kleinere dieren als muizen of (buidel)ratten. Zulke grote dieren hoeven bij extremere omstandigheden niet al hun energie te stoppen in grote hoeveelheden nakomelingen, en kunnen met voortplanten wachten tot betere omstandigheden. Kleinere zoogdieren hebben minder vetreserves en zijn gevoeliger voor bijvoorbeeld droogte die insecten, bloemen en fruit doen verdwijnen.

Je hoeft maar uit het raam te kijken om het zelf te zien: nijlganzen, de groene halsbandparkieten, aalscholvers en (vanuit de trein of auto te zien op weilanden) grote witte zilverreigers waren nog maar een paar decennia geleden zeldzaamheden; nu zie je ze overal.

Steken we hier de kop niet te diep in het zand? Deels wel. Sommige soorten verschenen hier als ‘exoten’ en biologen zien dat zelden als goed nieuws. Ze verdringen inheemse soorten en verspreiden soms ziekten. Maar de argeloze buitenstaander mag die felgroene schetterende halsbandparkieten best een verrijking vinden.

Voor de harde feiten en inzichten moeten we bij Sovon zijn, de onderzoeksorganisatie die al vijftig jaar met hulp van duizenden vrijwilligers ontwikkelingen in de vogelstand in kaart brengt. ‘Onze vogelbevolking is enorm dynamisch’, stelt de vogelonderzoeksorganisatie in haar Vogelbalans 2022. Zeg maar gerust: het is een gekkenhuis in de vogelwereld. Eerst het slechte nieuws: ‘Slechts een minderheid van de broedvogels (gerekend vanaf 1990) en de water- en wintervogels (vanaf 1980) vertoont stabiele aantallen.’ En: ‘Bij de wintervogels slaat de balans sinds 2010 door naar negatieve trends. De aan land gebonden overwinteraars doen het daarbij slechter dan de watervogels.’

Maar bij dynamiek hoort ook verheugend nieuws: ‘Bij de broedvogels zijn er meer soorten die toenemen dan afnemen. Dit verschil is het meest uitgesproken op de korte termijn, dat wil zeggen de laatste 12 jaar.’ Hoera.

Volgens Sovon is het aantal broedende soorten in ons land sinds de jaren vijftig gestaag toegenomen. Kanttekeningetje: dat kan, mede door de stijgende populariteit van het vogels kijken, ook komen doordat het netwerk van tellers en vrijwilligers beter is geworden, waardoor ook incidentele broedgevallen worden ontdekt en geregistreerd. Tegelijk ziet Sovon ook Europese ontwikkelingen als gevolg van maatregelen. De zeearend, visarend en de kraanvogel profiteren ervan, onder meer door bescherming van zowel de vogels als hun leefgebied.

De sombere berichten over het verdwijnen van weidevogels (het gevolg van intensieve landbouw en bestrijdingsmiddelen) zijn bekend, evenals de afname van het aantal huismussen. Maar daartegenover staat een grote toename van ‘generalisten’, zoals de merel, koolmees en grauwe gans, meldt Sovon. Ook bosvogels zijn ‘behoorlijk toegenomen’ in aantal: met ongeveer een miljoen broedpaartjes.

Nog meer opvallends: ‘Broedvogels met een overwegend Noord-Europese verspreiding doen het gemiddeld helemaal niet slecht.’ Driemaal hoera dus voor de brandgans, grote mantelmeeuw en de boompieper.

De brandgans is ‘in korte tijd van trekvogel in standvogel getransformeerd’, stelt Sovon vast. Doordat ze geen vetreserves meer hoeven op te bouwen om naar Rusland te verkassen, besteden ze ook minder tijd aan grazen. Tegelijk zijn de exemplaren die nog wel naar Rusland trekken ook succesvol, mede doordat het broedseizoen door klimaatverandering is verlengd. Gevolg: de populatie steeg de laatste halve eeuw van 20 duizend naar 1,2 miljoen vogels.

Nog zo’n flexibele geest is de middelste bonte specht, het kleinere broertje van de bekendere grote bonte specht. Door zijn leefgebied te verleggen van eikenbos naar bossen met andere loofbomen, beukenlanen en houtwallen, verrees de specht van nul naar tweeduizend paar in 25 j Source: Volkskrant

Previous

Next