Home

Een moeder dook jarenlang met haar kinderen onder in Oostenrijk. Hoe kwam ze tot zo’n radicaal besluit?

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Reconstructie De Limburgse Miriam en haar twee kinderen waren jarenlang spoorloos. In 2021 belde dochter Floor uit het niets haar oma op, vanuit een dorpje in Oostenrijk: „Mama is ziek. Ze reageert niet meer.”

Al die jaren had Floor het briefje met het telefoonnummer bewaard in haar portemonnee. Alleen bellen in geval van nood. Dat was de afspraak. Nu, op een grauwe januari-ochtend, is het zover. Gek dat je zo kalm kunt zijn in een crisissituatie, denkt ze terwijl ze de cijfers intoetst.

„Hallo?”
Ze herkent Trudy’s stem meteen.
„Oma… Mama is ziek. Ze reageert niet meer.”

Even blijft het stil aan de andere kant van de lijn. Achthonderd kilometer verderop schieten er allerlei vragen door het hoofd van de 70-jarige Trudy Keulers. Maar die komen later wel. „Je moet nú 112 bellen, Floor”, zegt ze. „Zorg dat jullie hulp krijgen.”

Tijdens de feestdagen was er nog niets aan de hand. Ze hadden Kerst gevierd zoals altijd: thuis, met z’n drietjes en veel eten. Floor had zich gewaagd aan het maken van een Schwarzwalder Kirschtorte, een klus die uren in beslag nam. Bakken is een van haar favoriete bezigheden. Ze houdt van het sorteren van de ingrediënten in bakjes en potjes, het afwegen, het volgen van een recept. ’s Avonds had ze met haar moeder Miriam en broertje Mees kerstfilms gekeken, zoals The Holiday, in het Duits nagesynchroniseerd. Met Oud en Nieuw waren ze om twaalf uur met een glaasje champagne op het balkon gaan staan. Bibberend proostten ze op het nieuwe jaar.

Ze wonen al meer dan zes jaar in Oostenrijk. Wat begon als een vakantie, is inmiddels een nieuw leven. Ze zijn eraan gewend onopgemerkt te blijven. Nooit heeft Floor het gevoel dat ze op de vlucht zijn. Ja, er zijn afspraken, zo schreeuwen ze elkaars namen niet over straat. Ze houden afstand van de buren – maar in een uitgestorven Tirools dorp als Litzlfelden is dat niet zo moeilijk.

Vijf dagen per week, van half negen ’s ochtends tot drie uur ‘s middags, geeft Miriam Floor en Mees les aan de keukentafel. De stof plukt ze van internet, of uit Duitstalige schoolboeken. In het weekend gaan ze wandelen, winkelen of kijken ze samen Formule 1.

Ze praten vrijwel nooit over het leven dat ze in Limburg achterlieten. Het leven van een doodnormaal gezin met werkende jonge ouders, met kinderfeestjes, vakanties in Center Parcs en balletles. Niet dat het onbespreekbaar is, maar wat heeft het voor zin, vindt Floor, om te mijmeren over vroeger? Voor een zeventienjarige heeft ze best een leuk leven. Ze maken genoeg uitstapjes en de band met haar moeder en broertje voelt duizend keer belangrijker dan de feestjes en vriendinnen die ze door hun isolement mist. Die band is onvoorwaardelijk.

„Ik denk dat ik in bed blijf.” Miriam klaagt nooit, maar deze ochtend moet ze toegeven dat ze zich ellendig voelt. Ze ligt te rillen onder drie dekens. Ze is misselijk en haar hoofd knalt bijna uit elkaar van de pijn.

Floor is bezig in de keuken als ze geschreeuw hoort uit de slaapkamer. Als ze binnen komt stormen, treft ze Mees verstijfd naast het bed. Miriam is wit weggetrokken, haar hoofd hangt opzij. Floor sjort aan haar armen, slaat haar moeder een paar keer in het gezicht. Als dat niets uithaalt, draait ze zich om naar haar broertje. „Mees, we moeten oma bellen.”

In het doodlopende straatje klinken sirenes. De ambulance is er het eerst. Mannen in gele pakken stormen de trappen op en beginnen Miriam in de slaapkamer te reanimeren. Floor kijkt toe hoe de ene na de andere hulpverlener hun krappe appartement binnenkomt. Ze hoort hun stemmen, ziet hun zware laarzen op het beige tapijt. Ze registreert alles maar ze voelt niks – het is alsof een automatische piloot haar heeft overgenomen. Na een uur, of misschien langer, landt er een traumahelikopter op het besneeuwde grasveld bij het huis. Dit is het dan, denkt ze als ze haar moeder op een brancard leggen en via het balkon naar buiten tillen.

Historisch. Symbolisch. Bij de opening van het NOS Achtuurjournaal van woensdag 6 januari klinken grote woorden. Die ochtend is in een voormalig distributiecentrum in Brabant de eerste prik tegen het coronavirus gezet. Ondertussen verzamelen zich in Washington duizenden boze Trump-aanhangers. Die avond zullen ze het Capitool bestormen omdat ze de uitslag van de presidentsverkiezingen niet accepteren.

In Valkenburg staart Xander Werres naar de tv. De beelden dringen nauwelijks tot hem door. Pas aan het eind van de journaaluitzending, bij een luchtfoto van het Limburgse plaatsje Wijnandsrade, veert hij op. Er volgt een reportage over een vermissing die na ruim zes jaar is opgelost. Een moeder en twee kinderen – broer en zus, spoorloos sinds ze in 2014 onder toezicht kwamen van jeugdzorg – zijn gevonden in een woning in de Oostenrijkse regio Kitzbühel nadat de plaatselijke politie een telefoontje kreeg over een „medische noodsituatie”.

Xander kan het nog steeds niet helemaal bevatten. Dit gaat over zíjn kinderen. Over Floor en Mees, die hij al meer dan een decennium niet heeft gezien. Hij wist niet eens zeker of ze nog leefden. Tot gistermiddag, toen er twee agenten voor zijn deur verschenen die hem een telefoon overhandigden. Er was iemand die hem wilde spreken. Hij kreeg Bob Willemsen aan de lijn, hoofd van het Limburgse coldcaseteam. „We hebben ze gevonden”, had de rechercheur tot zijn verbijstering gezegd.

Xander kan het nog steeds niet helemaal bevatten. Dit gaat over zíjn kinderen. Over Floor en Mees, die hij al meer dan een decennium niet heeft gezien

Jaarlijks verdwijnen uit Nederland ruim tweehonderd kinderen. In de meeste gevallen is het de moeder die hen na een relatiebreuk zonder toestemming van de andere ouder meeneemt naar het buitenland – net als bij Floor en Mees. Hun zaak kwam in diverse media weer in de belangstelling toen ze in 2021 in Oostenrijk werden gevonden. Hun moeder, Miriam Adriaanse, koos er na een slepend juridisch proces voor om jarenlang buiten het zicht van de instanties te leven. Hoewel uitzonderlijk, is deze casus een voorbeeld van de vele complexe familiekwesties die zowel de jeugdzorg als het rechtssysteem raken.

Om in beeld te brengen hoe zo’n proces kan verlopen en hoe vergaand de gevolgen kunnen zijn, sprak NRC met verschillende betrokkenen. Interviews met Trudy Keulers en Floor Werres, telefonisch en in Oostenrijk, vormden de belangrijkste basis. NRC had inzage in persoonlijke notities en correspondentie, rechtbankstukken en jeugdzorgdossiers. Passages uit dit artikel zijn voorgelegd aan Bureau Jeugdzorg Limburg, het OM en het NFI. Niet alle onderling geuite beschuldigingen zijn onafhankelijk te verifiëren.

Het begon allemaal met een mailtje.

Die „rotcomputer”, schrijft Miriam op een bewolkte maandagmiddag in oktober 2007 aan haar moeder Trudy, is voor de zoveelste keer vastgelopen. „Ik heb geen brander dus we kunnen zelf geen back-up maken. Moet wel spoedig gebeuren, mijns inziens. Doei.”

De computer is essentieel, weet Trudy. De band met haar dochter is innig, ze spreken elkaar meerdere keren per dag. Ze zijn allebei boekhouder en sinds Miriam twee kleine kinderen heeft – Floor is vier, Mees net zes maanden – werkt ze veel vanuit huis. Trudy antwoordt dan ook meteen. „Dit moet opgelost. Eelco zal morgenvroeg langskomen.”

Eelco was rond 2003 via een zijweg in Trudy’s leven verschenen. Hij woonde bij haar broer in de straat. „Met die jongen ís iets”, had Trudy’s broer weleens gezegd. Wie hem beter leerde kennen, zou merken dat er achter de man met de harde stem en het grote postuur iemand schuilging die veel had meegemaakt. Eelco had een bovengemiddelde kennis van bepaalde zaken. Hij kende delen van het Burgerlijk Wetboek uit zijn hoofd en was bijzonder technisch. Auto’s waren zijn specialiteit.

Op een dag, nadat Trudy tegen haar broer had geklaagd dat de Ford Ka van haar dochter telkens afsloeg, had Eelco haar opgebeld.

„Jij hebt hulp nodig.”
„O ja?”
„Ja, ik kom jouw auto maken.”

Toen Eelco een paar dagen later op de stoep stond, klikte er iets. Het was, in de woorden van Trudy, alsof ze elkaars „ellende herkenden”. Trudy kampte al een tijd met onverklaarbare klachten: ze was misselijk, soms dagen achter elkaar. De relatie met haar echtgenoot, met wie ze een belastingadvieskantoor runde, stond op springen. Dat kon Eelco allemaal niet weten. Toch zei hij bij het weggaan: „Jij zit in een lastig parket. Als je ergens hulp bij nodig hebt, dan ben ik er voor je.”

Niet lang daarna liep Trudy’s huwelijk stuk. Eelco wierp zich tijdens de moeizame echtscheiding op als haar beschermer, en al gauw trok hij bij haar in. Het kwam Trudy op scheve blikken uit haar omgeving te staan. Wat moest ze met die rare snuiter, 24 jaar jonger dan zij? Maar ze besloot zich er niets van aan te trekken. Eelco was een voorbijdrijvend stuk hout waaraan ze zich dankbaar vastklampte.

Zoals beloofd rijden ze de dag na de mail over de haperende computer naar Miriams huis in Bocholtz, een dorp vlakbij de Duitse grens op een kwartiertje van hun eigen woonplaats Wijnandsrade. Terwijl Eelco zich over het apparaat buigt, halen Trudy en Miriam samen Floor uit school.

Eelco was verbaasd over de computerproblemen. Hij kent de pc, hij heeft ’m namelijk nog geen jaar eerder zelf in elkaar gezet. Op verzoek van Xander, Miriams man, had hij Windows 98 geïnstalleerd, een tamelijk gedateerd besturingsprogramma. Het kón g Source: NRC

Previous

Next