N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Provinciale Staten Zeven maanden volgde NRC op de tribune het stikstofdebat van de provincie Zuid-Holland. Vergeefs wacht men op duidelijkheid van het Rijk. „Het is lastig om grip te krijgen.”
De boer heeft het geprobeerd. Rustig blijven. Niet boos worden. Maar na drie zinnen breekt zijn stem. In de commissiezaal in het Provinciehuis van Zuid-Holland is het doodstil. Hij zegt: „Drie jaar lang en nóg geen oplossing”. Hij kijkt de Statenleden aan en vraagt hun om langs te komen, op zijn bedrijf bij de Nieuwkoopse Plassen, aan de rand van het natuurgebied. Dan kunnen ze zélf zien hoe hij en zijn buren bezig zijn met stikstofreductie. En wat onzekerheid over je toekomst betekent. Vanaf de publieke tribune klinkt applaus.
Vier jaar geleden zat NRC ook op die tribune. Toen met de vraag: wat doen de Provinciale Staten eigenlijk? De belangstelling van de burger was maar matig voor wat de 55 Statenleden eigenlijk deden. Zoals lang gebruikelijk bij de verkiezingen speelde de discussie of deze bestuurslaag niet overbodig was.
Dáár heeft nu, anderhalve week voor de verkiezing, niemand het meer over. Dat het toezicht op veel ruimtelijke-ordeningstaken – wegenbouw, woningbouw, de aanleg van windmolenparken – bij de provincies ligt, is tot veel mensen doorgedrongen. En sinds de boerenprotesten is duidelijk dat provincies ook verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het stikstofprogramma. Hoe gaan de provinciale volksvertegenwoordigers te werk?
Eind juni, in de week waarin de boerenprotesten opnieuw aanzwellen, zit NRC op de tribune in Zuid-Holland. Twee dagen eerder zijn boze boeren door de politiebarricades bij het huis van stikstofminister Christianne van der Wal (VVD) gebroken, mest is uitgereden op snelwegen, voor een stadhuis zijn autobanden in brand gestoken, en bij de provinciehuizen van Gelderland en Flevoland wordt gedemonstreerd.
Maar voor het Provinciehuis in Den Haag, aan het Malieveld, is het rustig. Er staat één politiebusje. Binnen, op de tribune, zitten drie boeren. Ze zullen er de hele vergadering van de commissie Klimaat, Natuur en Milieu (KNM) blijven zitten, ook nadat ze hun verhaal hebben gedaan. Zo zitten er vaker boeren op de tribune als het over stikstof gaat, soms met hun kinderen. Eén keer hoort NRC Staatsbosbeheer inspreken.
Gewone belangstellenden – of andere media – zijn er zelden bij KNM, ondanks de toegenomen rol van de provincie. Sommige Statenleden vinden die luwte wel fijn. Robert Klumpes van GroenLinks zegt: „Het is daardoor minder waan van de dag dan in de Tweede Kamer. We kunnen hier heel inhoudelijk zijn.” Hij noemt zichzelf liever volksvertegenwoordiger dan politicus. „Naar mijn beste vermogen vertegenwoordig ik het volk, al zit dat niet altijd op de tribune.”
De provincies hebben twaalf maanden, tot 1 juli van dit jaar, de tijd om uit te zoeken hoe zij de uitstoot van stikstof gaan halveren en de kwaliteit van bodem en water op orde gaan brengen. Hoe grond wordt herverdeeld, waar gebouwd kan worden, en ook waar boeren en bedrijven – vrijwillig of met dwang – uitgekocht moeten worden om de natuur te herstellen, is aan de provincies. Hun plannen dienen de provincies in bij het Rijk, dat vervolgens geld toewijst.
De commissie KNM heeft het over wat er op hen afkomt. Erwin Hoogland (VVD) noemt stikstof „het meest ingrijpende onderwerp, nog ingrijpender dan de energietransitie. Dit raakt het platteland in zijn geheel, de agrariër én de burger.” En: „Wij staan aan de lat van de uitvoering.” Hij voegt toe: „Tenzij we het verkloten. Dan neemt het Rijk het over.”
De Statenleden besluiten dat ze het iedere maand over stikstof zullen hebben, buiten de reguliere agenda van KNM om. Normaal gaat het in die commissie over wat te doen met steeds drogere zomers. Over de bestrijding van rivierkreeften die dijken ondergraven of de reuzenbalsemien die welig tiert in de Biesbosch. Over de komst van een geluidswal langs de steeds drukker wordende A4.
Ze besluiten extra te vergaderen, deze mensen die – in tegenstelling tot Tweede Kamerleden – in deeltijd volksvertegenwoordigers zijn.
CDA’er Jaco Kastelein bijvoorbeeld, is boer. Zijn negentig melkkoeien staan tegen de grens met de provincie Utrecht. En twintig uur per week – dat staat er officieel voor – is hij Statenlid. Hij voelt zich „wel eens eenzaam” in de Staten, vertelt hij in de schorsing van KNM: „Er gaapt soms een kenniskloof.” Omdat hij meemaakt wat stikstofreductie in de praktijk betekent. Als de tribune op de laatste vergaderdag in februari vol zit met boeren, zijn dat collega’s en buren.
Er zijn ook anderen van wie het andere werk het ambt als Statenlid raakt: ondernemers, ambtenaren bij verschillende ministeries, een oprichter van een milieuorganisatie. Dat mag: provinciale politici behandelen net als gemeenteraadsleden vaak onderwerpen die hen persoonlijk raken. Maar bij Kastelein raakt zijn persoonlijk belang steeds vaker het algemeen belang. Hij stelt zich niet meer verkiesbaar.
In de commissievergaderingen twijfelt Kastelein over de rekenmethodes waarmee de stikstofdepositie wordt vastgesteld, stelt daar gedetailleerde vragen over. Net als Henk de Vree (PVV), een gepensioneerd ondernemer. Steeds weer wil De Vree weten op basis van welke metingen welke conclusies getrokken worden. De Aerius Monitor, die inzicht geeft in de emissie en depositie van stikstof, noemt hij „een wankele bodem”.
„We zijn constructief hoor”, zegt hij tijdens het avondeten in de kantine van het Provinciehuis. „Maar met dit model kunnen we niet uit de voeten. Dus zijn we terughoudend bij ‘grijp maar in’. Schade kun je niet terugdraaien: bedrijven die worden gewist, boeren die weg moeten. En dan?”
In oktober zegt De Vree in de commissievergadering: „We kijken uit naar het schaakbord van Gedeputeerde Staten, er ontbreken nogal wat stukken.” In december zegt hij: „We zijn pas in het stadium van de grove piketpaaltjes en mooie plaatjes.” Hij wil meer duidelijkheid, meer informatie. Maar de gedeputeerden kunnen die niet altijd bieden.
Dát is wat er in zeven maanden duidelijk wordt vanaf de tribune in Zuid-Holland: volgens het Rijk is de provincie aan zet als het gaat om stikstof, maar de Gedeputeerde Staten weten in al die maanden niet wat het Rijk nu exact wil. De Statenleden weten daarom niet welke plannen ze moeten vaststellen, en wat ze als volksvertegenwoordigers moeten controleren. Terwijl dat wel hun taak is.
Carla van Viegen (Partij voor de Dieren), oud-agent bij de bereden politie, vraagt er soms om: „Wanneer is het Rijk nu aan zet, wanneer de provincie?” Ze zegt: „Het is lastig kaders te stellen als er zoveel onduidelijk is.” Ze wijst erop dat de Staten het hoogste orgaan zijn, zoals ook de Tweede Kamer dat is en een gemeenteraad. De Statenleden moeten beslissen.
Maar wat als de plannen er niet zijn? ICT-ondernemer Jacco Schonewille (ChristenUnie/SGP) kiest ervoor om te hameren op „mensen en middelen, de meest schaarse resources”. Hij vertelt: „Ik kan alleen kaders stellen als er een concreet plan is. Ik kan niet controleren, want ik weet niet waar ik aan moet refereren.”
„Wat er is, verandert steeds”, zegt ook Herbert Zilverentant (VVD). Hij heeft in december het stokje overgenomen van fractiegenoot Hoogland, die naar het oosten van het land is verhuisd. Zilverentant was twaalf jaar raadslid en vier jaar wethouder. Geen onervaren politicus dus. Maar ook hij zegt: „Het is lastig grip te krijgen.”
In oktober is er nog opluchting in de commissie KNM. Het is de dag dat Johan Remkes, bemiddelaar tussen het kabinet en de boeren, met zijn advies komt. Hij adviseert de grootste uitstoters rond natuurgebieden aan te pakken, de zogenoemde piekbelasters. Gedeputeerde Jeanette Baljeu (VVD), die verantwoordelijk is voor het Zuid-Hollandse stikstofbeleid, noemt zijn presentatie „heel bijzonder”. Gedeputeerde Meindert Stolk (Landbouw, CDA) noemt het „een verademing”. En gedeputeerde Berend Potjer (Natuur, GroenLinks) zegt dat Remkes „duidelijk” is: „Er is geen tegenstelling tussen landbouw en natuur.” Maar de gedeputeerden waarschuwen de Statenleden dat het Rijk over bijvoorbeeld het aantal piekbelasters en eventuele uitkoopregelingen, „nog een ei moet leggen”.
Twee maanden later begint de decembervergadering met een verzuchting van CDA’er Kastelein dat er 26 documenten waren ter voorbereiding, met name Rijksbrieven. En sommige zijn alweer achterhaald. Gedeputeerde Baljeu zegt dat het college er „ook nog steeds van aan het bijkomen is”. Ze zegt: „De brieven geven allemaal richting, maar het is wel lastig exact te bepalen welke. Er zijn veel goede voornemens, maar soms ontbreekt het doel.”
De brieven geven allemaal richting, maar het is wel lastig exact te bepalen welke
Jeanette Baljeu gedeputeerde (VVD)
De gedeputeerden hebben een ‘startdocument’ opgesteld, het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied. Baljeu heeft het over „versie 0.5” en „een eerste opzet”. Versie 1.0 moet voor juli klaar zijn. Maar daarv Source: NRC