Home

‘Identiteit’ als begrip vond ik altijd al hol

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Het generatieconflict, dat leek me nu voorbij, voorgoed voorbij. Al die mee-gamende vaders, moeders die hun kroost continu tracken. Maar ik heb te vroeg gejuicht, want in de instituties doet die generatiewisseling er de laatste tijd juist wel toe.

Twee weken geleden besprak kunstcriticus Hans den Hartog Jager in deze krant de jongste ontwikkelingen in het Stedelijk Museum. Hij verwijt mensen als Jan Dibbets en Christiaan Braun dat zij geen begrip opbrengen voor de eis meer diversiteit en inclusie in de moderne kunstwereld te brengen; want ooit waren deze „plucheplakkende oude zakken” nog „jong en aanstormend” en zelf „volop aan het ‘cancelen’”, aldus Den Hartog Jager. „Dat heette toen weliswaar geen cancelen maar ‘avant-garde’.”

Wat je zegt, dat was je zelf. Of, zoals kunstcriticus Anna Tilroe het verwoordde in haar kritiek op Den Hartog Jager: „Hij maakt er in een bizarre wending een machtsstrijd tussen generaties van.”

Ook toen ik zelf jong was, zeg vijfentwintig, geloofde ik niet erg in dat generatieconflict. Want als je tijd van leven hebt, word je vanzelf oud, en krijg je je eigen haat en nijd uitgeserveerd op het bordje dat nu voor jou bestemd is als senior. Die generatiedynamiek, dat is een luie verklaring.

Zelf krijg ik weleens het verwijt dat ik niet veel enthousiaster reageer op alle nieuwe, nauwelijks nog bij te houden ontwikkelingen in de gender- en seksualiteitensfeer. Ooit als twintiger schurkte ik tegen de Rooie Flikkers aan; waarom omarmde ik nu niet voluit het non-binaire, de panseksualiteit en al het fraais dat er schuilt onder de vlag van lhbtiqa+.

De insinuatie: omdat ik zelf ondertussen een ‘ouwe zak’ ben – helaas niet plucheplakkend. Het is misschien een kleinigheid, maar na je vijftigste stopt het denken niet: ideeën blijven komen, en als het goed is, veranderen.

Zo’n begrip als ‘identiteit’ waarvan nu zowat elk debat vergeven is, vond ik als jongere al hol en nietszeggend. Er was een tijd dat de gezaghebbende stem altijd wit was en man en heteroseksueel, zonder dat het zo benoemd werd. Denk aan J.L. Heldring. Ik verlang niet terug naar dat spreken in het algemeen. Maar tezelfdertijd was er Renate Rubinstein, die geen particulariteit uit de weg ging. Nooit verwoordde ze haar ideeën onder het kopje ‘men’.

Natuurlijk doet het ertoe wie er spreekt: wie zichzelf en de wereld serieus neemt, zal er zoiets als een persoonlijkheid op na moeten houden, en die is nooit eenduidig. Lezers, kijkers en toeschouwers kunnen die dan meewegen. Identiteiten zijn niet allesverklarend: het zijn richtingaanwijzers, geen passe-partout voor het leven.

Jong? Oud? Je zal jezelf bedoelen over veertig jaar.

U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.

Source: NRC

Previous

Next