Home

De laatste dag van de kapper

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

De vliegende kapper Rob Hoeksema (69) was een halve eeuw een geliefde en toegewijde kapper – hij vloog zelfs per helikopter naar zijn klanten. Onlangs stopte hij. „Ik zeg nu: tot ziens, terwijl ik weet: ik zie je nooit meer. Dat doet pijn.”

Rob in Haarstudio Nieuw Londen, 31 december 2022, zijn laatste dag in de zaak.

De kapper ziet er moe uit. Hij was om vijf uur wakker vanochtend. „Bepaalde dingen besef ik nu wel”, zegt hij. De laatste keer naar de zaak rijden, de laatste keer hier de lichten aandoen. „Ik probeer er niet te veel aan te denken, want dat maakt het moeilijker.” Om zichzelf af te leiden concentreert hij zich heel hard op het koffiezetapparaat in het keukentje, achterin de zaak. Voorovergebogen, in zichzelf: „Even kijken, bonen bijvullen, ja, dat heb ik gedaan.” Een piepje. „Cappuccino.”

Dit is de dag waar hij al jaren tegen opziet.

De kapper heet Rob Hoeksema. Hij is bijna zeventig. De eerste helft van zijn leven speelde zich af op Terschelling, waar hij zijn eerste kapsalon had. De tweede helft, vanaf begin jaren negentig, hier in Haarstudio Nieuw Londen, in de Zakkendragerssteeg, in het centrum van Utrecht. Hij werd landelijk bekend als ‘de vliegende kapper’, dat verhaal zal hij inmiddels aan al z’n klanten weleens verteld hebben. Hij heeft veel verhalen, en de mensen in zijn stoel vertellen hem hun verhalen. Dat kan hij als de beste, zegt zijn vriendin Astrid (59): de hele dag in de zaak staan en praten, met de laatste klant van de dag net zo geestdriftig als met de eerste, tot hij ’s avonds thuiskomt en dan soms zegt: alsjeblieft, even níét praten.

Ik kom hier al zo’n vijftien jaar, en het ging bij mij precies als met de andere klanten die ik voor dit stuk sprak. Iedereen stapte op een dag op de bonnefooi binnen omdat in rode kapitalen op het raam staat „Dames & heren kapsalon, met en zonder afspraak”. Iedereen trof een man in iets te warme kleding voor het moment, vaak een overhemd met een vest of fleecetrui eroverheen, een lichte spijkerbroek, een man met een zwart brilmontuur en grijswit haar die gemoedelijk naar een stoel wees en zei „Ga zitten”, een man die nooit – echt nóóit, in al die jaren – zei dat het niet kon. Hij zei hoogstens eens „Moet je nog een boodschap doen?” en dat betekende dat je over een halfuurtje welkom was.

Rob voor de zaak in Utrecht op 31 december 2022, zijn laatste dag. Foto Dieuwertje Bravenboer

Hij sloeg je een kappersmantel om en maakte een praatje. Na de pointe van een anekdote stopte hij even met knippen, keek je aan in de spiegel en zei: „Weet je wel, zo.” Hij kon vriendelijk-plagende grapjes maken. „O, zit u er ook nog”, tegen een vrouw die met een Weekend of een Party onder een droogkap zat. Een klant die wel een kopje thee lustte en dat hij dan die van hem aanbood, halfleeg en koud geworden. „Hier, neem deze maar, dan neem ik verse.”

Niemand zag hem ooit gestresst. Hij wist van al z’n vaste klanten precies wanneer ze zouden komen, vaak eerder dan ze het zelf wisten. Dan liep je naar binnen en zei hij: „Ik had je al verwacht.” Als je na het afrekenen de deur weer uit liep, riep hij „Succes, hè!” en dan wist je niet waarmee precies.

Bijna iedereen raakte gehecht aan hem, en hij aan bijna iedereen.

Zijn opa was kapper, zijn vader was kapper. Een tante was kapper, zijn zus ook. Maar zijn eigen zoons gingen iets anders doen. Hier stopt het.

Het is 31 december 2022. De laatste dag van het jaar is zijn laatste dag als kapper, als laatste in een familie van kappers.

Hij heeft nog niks gegeten. „Het eerste wat ik meestal doe, is een kop koffie hier.” Astrid heeft oliebollen gehaald bij de Lidl, tien voor drie euro. Ze heeft ballonnen opgehangen en draagt frisdrank en bier de trap op. Vanmiddag is er een bescheiden receptie.

Ze zegt tegen me dat het een lange weg geweest is. „Maar je moet op een dag stoppen. Ook fysiek. Hij gaat nu gewoon door, maar volgende week ligt-ie op bed hoor, dan kan-ie niet meer voor- of achteruit.”

Het is negen uur geweest. Rob zet de radio aan, NPO Radio 5, en wast nog een koffiekopje af.

De eerste afspraak komt binnen. Het is een vrouw, halflang donker haar, begin veertig. Hij neemt haar jas aan, ze vraagt hoe het met hem gaat, en hij zegt: „Ja, goed.” Je hebt er wel zin in? vraagt ze. Hij aarzelt. „Ja, mja… zín?”

Geheel naar verwachting duurt het niet lang voor het eiland ter sprake komt. De vrouw is gisteren teruggekomen van vakantie, met haar man en twee zoontjes, maar ze is er wat ziekjes geworden. „Waar zaten jullie dan?” vraagt Rob als ze net zit. Texel, zegt ze, De Koog. „Ja, daar moet je ook niet zitten.” Zijn ze nou al eens op Terschelling geweest? Nee, nog niet, zegt ze, wel Ameland. „Nou, dan heb je de twee minst mooie al gehad.” Zijn top-5, van vijf naar één: „Texel, dan Ameland, dan Schier, dan Vlieland en dan Terschelling. Voor een weekend is Vlieland heel leuk. Er zijn ook mensen die zweren bij Texel, maar die zijn nog nooit op die andere eilanden geweest.”

In september gingen we samen naar Terschelling. Ik wilde zien waar de eerste veertig jaar van zijn leven zich hadden afgespeeld. Hij wist toen net een paar weken dat hij aan het eind van het jaar zou stoppen.

Als ik ernaar vroeg, zei hij altijd dat zijn laatste dag geen leuke dag zou zijn. „Het liefst doe ik een Tommy Coopertje”, zei hij eind 2021. De Britse komiek stierf op het podium, tijdens zijn act, hij zakte gewoon ineen en viel via de rode gordijnen de coulissen in.

Astrid zei dit najaar tegen me: „Ik heb een tijdje gedacht: op een dag krijg ik een telefoontje dat Rob is omgevallen met schaar in de hand, en dat was het.”

Het liefst doe ik een Tommy Coopertje

Zij wilde al langer dat hij zou stoppen, ook toen hij er nog niet over wilde nadenken. „Dus nu heb ik d’r maar een hondje gegeven”, zei hij begin 2022 tegen me, half grappend. „Dan is ze even stil.” Floris, een bordercollie, was sindsdien regelmatig in de zaak.

Nu was er dus toch een pensioendatum. Hij had inmiddels een paar weken aan het idee kunnen wennen. In zijn Citroën C5 richting het noorden, maandagochtend vroeg, vertelde hij hoe hij het voor zich zag. Hij zou z’n geliefde 45 jaar oude Pointer-stoel meenemen, die midden in de zaak staat. „Ik ben bezig met een tuinhuisje, dat ik daar lekker even met een pijpje in die stoel kan zitten.” Dan neemt hij daar een Juttertje, ja, dat zag hij wel voor zich, of een Cuarenta y Tres, vanillezoete Spaanse likeur. „Ik ga er niet knippen. Honderd procent níét. Dit wordt voor mezelf.” Hij zou een avondje vaker kunnen gaan bridgen – of een middag, het kan ook op een middag straks.

„Weet je”, zei hij, „het is voor mij ook een proces om hiernaartoe te groeien. Dat ik moet stoppen. Of nou, ik móét niet stoppen, ik gá stoppen. Beter zo dan dat ik straks opeens wat krijg. Dan kun je niet goed afscheid nemen van de mensen.”

Later, op de boot, zei hij: „Tegen sommige klanten zeg ik de komende tijd ‘tot ziens’, terwijl ik weet: ik zie je nooit meer. Dat doet me wel pijn.”

Hier kwam het meestal op uit als het ging over waar hij dan precies tegenop zag: dat hij z’n klanten zou missen. Als je zo lang in de zaak staat, krijg je vanzelf hele levens mee. De mensen gaan trouwen, krijgen kinderen, worden ziek. Hij herinnert zich ‘Tante Jo’, ‘Oma Lombok’, Jan en Jolette – allebei blind. Twee nonnetjes die nog altijd komen. Of de man, laatst nog, die hij belde omdat hij hem al even niet in de stoel gehad had, en die zei: ik ben blij je nog te horen, Rob, want dinsdag ben ik er niet meer.

Van al te veel zelfreflectie moest Rob niets hebben. Hij bleef de amicale kapper: altijd een praatje klaar, een luisterend oor ook, maar liever niet te diep afdalen in de ziel. „Zelfs ik ken hem niet helemaal”, zei Astrid een keer tegen me. „Hij ís gewoon Rob de kapper. Het is zijn bestaansrecht, zijn manier van contact maken.”

Wat het eiland daarmee te maken heeft, begreep ik toen we die dag lunchten bij Karen, zijn ex-vrouw. Ze woont er nog, vlak bij de vroegere kapsalon, tegenwoordig een eetwinkel met take-away koffie, belegde broodjes, Terschellingse cranberry-thee en bier van brouwerij Schoemrakker. Rob en Karen gaan nog goed met elkaar om. Zij zei het zo: als je op een klein eiland de kapper bent – of de arts, bijvoorbeeld – dan ben je dat ook als je op de tennisbaan staat, op straat, op elk feestje waar je komt. Zo wordt het vanzelf je identiteit, binnen en buiten de zaak.

Robert Theo Hoeksema werd geboren op 9 februari 1953, boven de zaak van zijn vader, aan het begin van de Torenstraat in West-Terschelling, direct waar de boot aankomt en vertrekt.

Hij had al vroeg bijbaantjes. Tussen z’n zesde en negende haalde hij vis op in de haven voor Sijpie, de viswinkel verderop in de straat. Dan trok hij een loodzwaar ijzeren karretje met harde, rubberen banden naar een aangemeerde boot en kreeg hij mee wat er op z’n vrachtbrief stond. Doosjes makreel, kratten rolmopsen, vatten haring.

De visboer was ook klant van de kapsalon – al was hem wel verzocht altijd pas aan het eind van de dag te komen, dan konden ze daarna meteen goed ventileren.

Vanaf zijn twaalfde was hij tijdens schoolvakanties hulpkok in hotel Helvetia in Groningen, aan het Hereplein. „Daar is een oom van mij die is directeur van het hotel en daar konden ze best een jonge jongen gebruiken”, schreef hij in die tijd in een schriftje voor een schoolopdracht. „Toen kreeg ik een jasje aan en een broek met van die ruitjes erin en een Source: NRC

Previous

Next