N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Boekenredacteur Rosan Hollak richtte een brief aan de Amerikaanse schrijfster Elizabeth Hardwick. Daarin analyseert ze wat het betekent om als getalenteerde vrouw in de schaduw van een man te leven.
Beste Elizabeth Hardwick,
Had ik u maar gekend. Alhoewel, als ik u ooit was tegengekomen, had ik deze brief nooit kunnen schrijven. Dan was het beeld, dat ik nu van u heb, door de werkelijkheid verdrongen. Dan had ik nooit zo vrijelijk over u kunnen schrijven, zoals u zelf zovele jaren heeft gedaan over de levens van beroemde vrouwen.
Goed, het is een feit, u bent dood. Maar met deze brief wil ik u even tot leven wekken, zoals u zovele vrouwen weer tot leven heeft gebracht. Ik denk aan uw artikelen over de gezusters Brontë, Virginia Woolf, Zelda Fitzgerald en Sylvia Plath. Onlangs las ik Verleiding en verraad, een essaybundel die u al in 1974 publiceerde en nu uit is in vertaling, en werd getroffen door uw observaties.
Sylvia Plath noemt u een ‘lumineus talent’ maar zeker geen ‘aardig mens’ en u beschouwt haar als iemand voor wie zelfmoord ‘een optreden’ was. Over het karakter van Emily Brontë schrijft u dat het ‘bijna onmogelijk was vat op haar te krijgen’ – ze was een mijmeraar, maar kon ook de hond hardvochtig met de vuisten op de ogen slaan. En hoe u de vrouwenpersonages in de toneelstukken van Ibsen analyseert! Ja, ik heb Hedda Gabler op het toneel zien razen en tieren en zag een verveelde, gefrustreerde vrouw met een beschadigd karakter. Maar u noemt haar gewoon ‘wezenlijk laag’ en stelt dat haar levenskracht slechts bestond ‘uit paarden, schieten en leegte’.
Elizabeth Bruce Hardwick (Lexington, 1916 - New YorkCity, 2007) was een literair criticus, romanschrijver en auteur van korte verhalen. In 1959 publiceerde Hardwick in Harper’s Magazine ‘The Decline of Book Reviewing’ – een vernietigende kritiek op de boekrecensies die rond die tijd in Amerikaanse tijdschriften werden gepubliceerd.
Samen met echtgenoot Robert Lowell, Jason en Barbara Epstein en Robert B. Silvers richtte ze in 1963 The New York Review of Books(NYRB) op om zo meer ruimte te geven aan doordachte, diepgravende recensies. Naast haar vele artikelen schreef Hardwick drie romans, meerdere essaybundels en een biografie van Herman Melville.
Tussen 1949 en 1972 was ze getrouwd met Robert Lowell. Hun dochter is Harriet Lowell.
Kortom, ik verslond uw essaybundel. Niet alleen gaf u mij nieuwe inzichten in beroemde schrijfsters en vrouwelijke personages uit de literatuur, wat me vooral trof is hoe u ieder van hen analyseert alsof u een ui afpelt, alsof u steeds dieper pulkt en plukt en schilt tot u de kern te pakken heeft. Met uw scherpe psychologische blik lijkt u alles rondom uw personages te willen vatten: wat hen drijft, waarom ze zijn geworden wie ze zijn, welke positie ze innemen binnen de samenleving, waarom ze zich gedragen of juist misdragen. En terwijl ik u las, bekroop me een gevoel: iets zei me dat u deze observaties slechts kon maken omdat u zelf diep in uw ziel heeft gekeken. Alsof u telkens op zoek bent geweest naar wat al die erudiete, getalenteerde vrouwen met elkaar bindt. Wellicht omdat u zelf ook begreep wat het betekent om een vrije, eigenzinnige geest te zijn en om desondanks toch in de schaduw te leven.
Toen ik uw essays las, wist ik nog maar weinig over uw leven. Ja, dat u werd geboren in 1916 in Lexington, Kentucky, als achtste in een gezin met elf kinderen, en als student vertrok naar New York. En dat u studeerde aan Columbia University, essays en literaire kritieken schreef, en medeoprichter was van The New York Review of Books. En ik wist dat u op latere leeftijd, toen u al in de zestig was, Sleepless Nights (1979) publiceerde, een autobiografische roman die een klassieker is geworden. En, o ja, u was lang getrouwd met de schrijver en dichter Robert Lowell die al in 1977 overleed, terwijl u heel oud werd, 91 jaar zelfs.
Maar meer ook niet. Pas toen ik over Zelda Fitzgerald las, een essay dat u in september 1970 in The New York Review onder de titel ‘Caesar’s Things’ publiceerde en dat in Verleiding en verraad is opgenomen, stuitte ik op iets waarvan ik dacht: dit schrijft u niet zomaar. U besprak een nieuwe biografie over Zelda en schilderde haar af als anarchistisch, briljant, labiel, geestesziek – iemand die goed was in dansen, schrijven en schilderen, maar die niet kon bloeien naast haar beroemde man, F. Scott Fitzgerald, zelfs door hem werd kleingehouden. En toen was er een zin, zeg me niet waarom, noem het een gevoel, een ingeving, waardoor ik bespeurde dat u iets over uzelf prijsgaf. U schreef dat Zelda en Scott leefden ‘als een soort tweeling, als man en vrouw of broer en zus’ en concludeert: ‘Als het om kunstenaars gaat zijn dit soort intense relaties eigenaardig tegenstrijdige, onbestemde samenwerkingen: de twee delen hun indrukken, hun temperament, de strijd om iets te creëren, om de macht die afstraalt van kunst, om reputatie, prestatie, stabiliteit, om een eigen uniek-zijn – vooral dat laatste. Toch is maar één van de tweeling ‘echt’ als kunstenaar, als persoon met een bijzondere aanspraak op de wereld, op de toegeeflijkheid van de samenleving.’
Ik vond het een treffende, tevens pijnlijke observatie, er schuilde iets persoonlijks in waardoor ik wilde weten: waar komen die woorden vandaan?
Ik begon meer van u te lezen, waaronder Slapeloze Nachten, bestelde de biografie A Splendid Intelligence (2022) en las The Dolphin Letters (2019), waarin uw correspondentie met Robert Lowell, en met andere bevriende schrijvers en uitgevers, van de jaren 1970 tot 1979 is opgenomen. En ja, vooral door die brieven – die overigens tot na uw dood ergens in een enveloppe lagen en pas een paar jaar geleden werden uitgegeven – begon ik iets over u te ontdekken, iets waardoor ik de essays die u heeft geschreven deels in een ander licht ben gaan zien.
En, ik zeg het maar meteen, ik zie u als iemand die bij uitstek schreef over de kracht van het vrouwelijk intellect en zal zeker niet beweren dat u uw eigen leed heeft willen projecteren op de levens van Zelda Fitzgerald, Virginia Woolf of Dorothy Wordsworth. Maar ik las wel, tussen de regels door, dat u vanuit eigen ervaring de strijd van uw vrouwelijke personages in een door mannen gedomineerde wereld beschrijft.
In 1970 werd u namelijk verlaten, na twintig jaar huwelijk, door Robert Lowell, oftewel ‘Cal’ – zijn koosnaam, naar de Romeinse tiran Caligula. Hij ruilde u – hoe ordinair, hoe voorspelbaar – in voor een jonger exemplaar. Het gebeurde tijdens zijn verblijf in Engeland waar hij op een feestje bij zijn uitgever de 38-jarige Lady Caroline Blackwood tegen het lijf liep, een oude bekende, een Anglo-Ierse aristocrate en schrijfster, ex-vrouw van schilder Lucian Freud en echtgenote van componist Israel Citkowitz. In de weken ervoor had u al zo’n vermoeden daat er iets aan de hand was. Achtergebleven op Manhattan met dochter Harriet hoorde u opvallend weinig van uw man. En toen de onheilstijding u bereikte, was u aanvankelijk niet eens zo onder de indruk.
Tja, dit was nu eenmaal Cal. En ach, Caroline, die kende u wel, niet echt iemand om serieus te nemen. Bovendien had uw man, vanwege zijn bipolaire stoornis, tijdens zijn manische periodes wel vaker affaires met jongere vrouwen. U ging ervan uit dat hij wel, met hangende pootjes, terug zou keren. Zo overtuigd was u van uw zaak dat u op 25 juni 1970 in een brief aan uw goede vriendin, de schrijfster Mary McCarthy, schreef: ‘Ik wist dat Cal een meisje had en dat maakte me wel van streek, maar pas vanmiddag wist ik dat het Caroline was. Ik voelde me zo opgelucht dat ik in lachen uitbarstte! Ik belde hem op in haar huis en hij sprak ruim een uur met me (…) lachend en grappend terwijl hij zei dat ik al mijn alimentatie opmaakte aan dit telefoontje.’
Links schrijfster Virginia Woolf, rechts schilderes en schrijfster Zelda Fitzgerald.
Ja, u deed er luchtig over, liet u niet kennen, maar in de daarop volgende brieven veranderde toch uw toon. Al de volgende dag schreef u aan Cal, die u terloops nog even ‘een groot Amerikaans schrijver’ noemde en vergeleek met Herman Melville, dat hij terug moest komen. ‘Je bent een groot verlies voor onze cultuur, doelloos rondhangend in een verwend, zelfzuchtig leven.’ U wees hem op zijn verantwoordelijkheden als vader van een tienerdochter – ‘Harriet is kapot en zwaar depressief’. En niet alleen dat, u meende zelfs te kunnen voorspellen hoe zijn leven zou verlopen: ‘Op dit moment voel je je misschien arrogant en strijdbaar, maar je bent ook een persoon, en je kunt dit leven niet leiden. Als dit zal opbreken, wat zeker het geval zal zijn, zal je alles vernietigd hebben wat je hier hebt opgebouwd.’ U ging zelfs nog een stapje verder en schreef: ‘Ik beteken veel voor je, en dat weet je. Ik heb niet alleen je leven gered maar ik gaf je ook vrijheid en liefde en humor. (…) Ik minacht je situatie. Ik ben er niet jaloers op, ik verafschuw het. Hoe kan ik jaloers zijn op Caroline? Ze is charmant, pathetisch en onecht.’
Dat laatste, dat vond ik wel verdrietig om te lezen. Ondanks uw terechte woede, las ik hier de woorden van een vrouw die niet gelooft dat haar man haar echt kan verlaten. In uw geval ook niet zo gek aangezien uw Cal, ondanks zijn manische avontuurtjes, er inderdaad nog nooit vandoor was gegaan. Maar toch, u stelde zich in uw brief op als een alwetend wezen dat een ander meent te Source: NRC