N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Hij speelde viool, kraaienvals. Hij kon geweldig goed verhalen vertellen, zelfverzonnen griezelverhalen. Op vrijdagmiddag trok hij de gordijnen dicht en dan begon het. Hij bulderde, fluisterde, schaterlachte, liet opeens een stilte vallen. Je hield je adem in en hij smeet, péts, een schoteltje tegen de grond. Je schrok je rot, want je was niets gewend. Ja, Swiebertje, Ja Zuster, Nee Zuster, thuis op televisie, als je ouders een televisie hadden.
Hij had een toeter waarop hij het einde van het speelkwartier aankondigde en op schoolreisje – speeltuin Oud Valkeveen, Artis, het Klimduin in Schoorl – ging die ook mee. Hoorde je het geschetter in de verte, dan wist je niet hoe snel je bij de bus moest komen. O, de autoriteit die hij uitstraalde, het gevoel van veiligheid dat het je gaf, de overzichtelijkheid van de wereld. Er is een foto waarop je hem naast zijn leerlingen ziet staan, in een donker pak met overhemd en das. Hoe oud is hij? Achtendertig? Vierenvijftig?
Hij rookte de hele dag door, Caballero. Was zijn pakje leeg, dan stuurde hij een leerling naar de winkel om een nieuw pakje te halen. Hij noemde zijn sigaretten gifstengels, maar dat het gif ook in de kinderlongen kwam, daar dacht hij niet aan. Wie wel? Roken in de klas werd pas in 1978 verboden. Had hij zin in koffie, dan ging er een leerling naar zijn vrouw thuis, en wat zo wonderlijk was, die vrouw was zwart. Niet wat je noemt zwart-zwart, maar toch. Zwart. Zulke mensen zag je niet in Monnickendam, waar dit verhaal zich afspeelt. Kwam ze uit Venezuela? De Antillen? Suriname? Definitely Suriname, zegt Mariëtte, dochter van de dokter destijds, de jongste van vijf, of eigenlijk zes, één kind was met zeven maanden geboren en gestorven. De meester en zijn vrouw – „tante Erna” – kwamen bij haar ouders over de vloer, ze hoorden bij de notabelen. Er was een keer een verkleedoptocht voor Koninginnedag, de kinderen van de dokter en de kinderen van de meester liepen mee als Surinamers. De jongens droegen lendendoeken, speren in de hand. Tante Erna had hun gezichten zwart gemaakt met Buismans koffiestroop. Ze wonnen de eerste prijs.
Hij heette Langelaar, Jan Langelaar. Hij kon verschrikkelijk boos worden. Eens sloeg hij zijn vioolstok stuk op het hoofd van een jongen die een tekening van zijn vrouw had gemaakt, met borsten. Een andere jongen kreeg zo’n harde duw van hem dat hij viel, op de vloer van het klaslokaal. „Lummel, kun je niet eens op je benen staan.” Weer een andere jongen had zijn huiswerk niet gemaakt en kreeg voor de klas een klap voor zijn kop. Geen vader of moeder die naar school kwam om erover te klagen.
Hij was meester van de zesde klas, het laatste leerjaar van de lagere school destijds. Hij was ook de bovenmeester. Bovenmeester van de School voor Christelijk Volksonderwijs aan de Binnendijk. Het had evengoed een andere school kunnen zijn, in een andere plaats, en Langelaar had ook Pietersen of De Jong kunnen heten. Voor dit verhaal had het weinig uitgemaakt. In zijn tijd waren bovenmeesters mannen zoals hij. Ze hadden aanzien en gezag. Zij bepaalden waar hun leerlingen na de lagere school naartoe gingen. Er waren geen Cito-toetsen, geen brugklassen. Die zouden pas vanaf 1968 worden ingevoerd en nu was het 1967. De bovenmeester besliste wie voor de huishoudschool of de ambachtsschool was bestemd, wie voor de mulo, de hbs. En meester Langelaar wist het voor zijn leerlingen al aan het begin van het schooljaar. Hij verdeelde de klas in groepen en noemde de kinderen van wie hij weinig verwachtte putjesschepper. Kinderen met hoge cijfers waren minister, koning, koningin. Ze kregen op zaterdagochtend extra les en iedereen vond dat doodnormaal.
Wim belt Gert. Gert belt Ineke. Ineke belt Mariëtte. Mariëtte belt Hans. Met elkaar hebben ze binnen een paar maanden de namen van al hun klasgenoten achterhaald. Nu gaan ze een reünie organiseren
De mensen in dit verhaal zaten van 1961 tot 1967 bij elkaar in de klas op die School voor Christelijk Volksonderwijs. Ze werden geboren in 1955, sommigen in 1954, en het Centraal Bureau voor de Statistiek rekent ze daarmee tot de naoorlogse geboortegolf van 2,4 miljoen kinderen in tien jaar tijd. Babyboomers, die alleen al door hun aantal grote invloed op de maatschappij hebben, nog altijd. Ze hebben nu de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en zitten, zou de Groningse emeritus hoogleraar psychologie Douwe Draaisma zeggen, volop in de reminiscentiefase. Ze kijken terug op hun leven en herinneringen aan hun jeugd dringen zich krachtig op.
Niet toevallig dus dat een van hen, Wim, boerenzoon, onderwijzer, later schooldirecteur, op een nacht in de zomer van 2021 de slaap niet kan vatten en probeert te bedenken welke namen van zijn klasgenoten hij nog kent. Een zus van hem heeft op fietsvakantie met de familie, op e-bikes, verteld over de reünie van haar oude klas. Een reünie? Goh. En nu ligt hij te woelen in zijn bed. De namen van de jongens willen wel naar boven komen. Maar die van de meisjes?
Een paar dagen daarna belt hij Gert, met wie hij vroeger speelde, de zoon van een huisschilder. Ze kwamen beiden uit grote gezinnen, tien kinderen, dat schiep een band. Hele middagen zaten ze samen langs de E10 naar Amsterdam en noteerden het merk van de auto’s die voorbijkwamen. Volkswagen, Volkswagen, Daf, Volkswagen. Het waren er een paar per uur.
„Gert, Wim hier, Wim Roos, ken je me nog?”
„Wim! Dat is lang geleden. Hoe gaat het met je?”
Gert belt Ineke, dochter van de tabakswinkelier destijds, tevens verkoper van singles en lp’s. Gert weet dat Ineke in de oude binnenstad van Monnickendam woont, als een van de weinigen uit hun klas. De huizen daar zijn voor hen te duur geworden, er wonen nu rijke Amsterdammers. Zij heeft haar huis, nou ja, huisje, halfsteens muren zonder spouw, kunnen kopen van een oudoom. Gert en zij zijn stadsgids en leiden toeristen rond.
„Hoi Ineke, met Gert.”
„Hoi Gert, wat kan ik voor je doen?”
Ineke belt Mariëtte, van de dokter. Die woont in Amsterdam. Mariëtte belt Hans, zoon van de groepscommandant van de politie destijds. Hans woont ook in Amsterdam, al heeft hij altijd in Den Haag gewerkt, op verschillende ministeries. Hij is politicoloog. Met elkaar hebben ze binnen een paar maanden de namen van al hun klasgenoten achterhaald, het zijn er veertig. Nu gaan zij ook een reünie organiseren.
Wouter van de notaris is overleden. Jaap van de kolenboer is ook overleden, net als Cor en Margo en Jenny. Niemand van hun oud-klasgenoten weet precies waardoor. Er gaan geruchten over hodgkin, een hartaanval, depressie. Wouter had als kind polio gehad. Zijn rechterarm was verlamd en als hij iets op het bord moest schrijven slingerde hij hem een, twee, drie omhoog. Rennen kon hij ook niet. Hij waggelde. Zijn klasgenoten zeggen dat hij er nooit mee werd gepest of zo. Alleen uitgelachen. Een enkeling zegt: „Het was vreselijk.” Maar uit niets blijkt dat er een verband met zijn vroege dood is.
Van die veertig kinderen van toen zijn er vijfendertig in leven. Zeventwintig geven zich op voor de reünie, en die zevenentwintig mensen, vijftien vrouwen en twaalf mannen, zijn voor dit verhaal geïnterviewd, bij hen thuis. En ja, het eerste wat opvalt als je bij hen komt is hun welvaart. Putjesschepper of minister, de meesten bezitten een huis waarvan de waarde de afgelopen decennia met tonnen is gestegen.
Vaak is het een rijtjeshuis in de nieuwbouw van Monnickendam of een plaats in de buurt – bijna niemand is ver weg gaan wonen – en ze hebben het in de jaren tachtig gekocht voor rond de 150.000 gulden, met een premie. Dat deed het kabinet-Den Uyl destijds: woningbezit bevorderen met premies. Kijk hoe dat voor hen heeft uitgepakt. Hun huis is nu zeker 350.000 euro waard. Dus staat er bij iedereen een nette auto voor de deur, vaak nog een tweede, en is onlangs de keuken vernieuwd. Op de vloer ligt parket en vanaf de loungebank kan comfortabel naar het breedbeeldscherm van de televisie worden gekeken. Ook hebben nogal wat mensen na hun pensioen een camper aangeschaft. En e-bikes.
Er zijn er maar twee die sociaal huren en je zou denken dat die vroeger putjesschepper waren. Maar nee. De sociale huurders zijn de dochter van de dokter en de dochter van een accountant. De enige twee die gymnasium hebben gedaan.
De voormalige klasgenoten bij de reünie. Foto Dieuwertje Bravenboer
Het is vrijdagochtend 25 februari 2022, Wim, Gert, Ineke en Hans zitten in eetcafé de Ouwe Blauwe aan de haven van Monnickendam om de reünie voor te bereiden. Maar eerst is er koffie met appeltaart. Hans vraagt aan Wim wat er in zijn paspoort staat als zijn geboorteplaats. „Hoezo?”, vraagt Wim.
„Ik vroeg me af of je een Monnickendammer bent. Jullie woonden toch in Katwoude?”
„Klopt”, zegt Wim. „Katwoude was toen de kleinste zelfstandige gemeente van Nederland.” In maart 1971, vertelt hij, had een hotel op Schiphol een publiciteitsstunt bedacht. Alle inwoners van Katwoude mochten gratis een nacht komen logeren. Op het Journaal was te zien dat ze met gemak in één bus pasten. Wim draait zich om naar Gert en zegt: „Jij woont in Ransdorp, daar kenden we vroeger toch helemaal niemand? We wisten niet eens waar het lag.” Hij lacht.
Gert, de zoon van de huisschilder, trok na zijn huwelijk bij zijn vrouw in, de dochter van een boer in Ransdorp. Tien kilometer naar het zuiden, het voelde als een emigratie. „Koeien, koeien, koeien”, zegt hij tegen Wim. „Dat was het enige waarover bij Source: NRC