N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Tegen alle verwachtingen die ik ooit over mijn leven koesterde in, vond ik mezelf op Oudejaarsdag terug op de keukenvloer, met op het aanrecht een stapel bladerdeegvellen en worstjes, die ik tot pigs in a blanket ging draaien voor de kinderen van vrienden die straks ongetwijfeld niets zouden eten, maar zich wel voorover de kerstboom in zouden storten. De broodkorsten van mijn rondscharrelende dreumes onder de bank, mijn afbladderende nagellak, de beef wellington, de cranberryvlekken op het kleed, de schitterende ogen en rode konen van de kinderen, zo éngelachtig, maar in werkelijkheid aankondigers van de zoveelste woedeaanval om een in mollige handjes verkruimeld kerstkransje, de vuile was, de dode bloemen en de moeheid die als een mes door alles heen sneed. Ik had graag willen huilen, maar dat heeft niet veel zin als je voornamelijk als zakdoek voor het verdriet van je kinderen door het leven gaat. Zakdoeken huilen niet. Dus zat ik stil op de vloer, met mijn glitterjurk aan en een glas wijn in mijn hand, mijn leven te overdenken en moed te verzamelen om alles op te ruimen. Een klassiek beeld, dat wist ik zelf ook wel.
Mijn hele leven had ik dedain gevoeld voor de vrouwen die het zo van zichzelf verloren. Vrouwen die het gezin consciëntieus dienden en daarbij de lat steeds hoger legden, culminerend in een rits keiharde exercities in december. Een kersttafel die flonkerde door gouden couverts, kaarslicht en zelfgenoegzaamheid. De kinderen in ironische glittercolberts en wolken tule. Een cadeautje voor alle gasten. En ondertussen in de aanloop naar de avond drie keer schril uitvallen, met venijnig lawaai de vaatwasser leegruimen en badend in zelfmedelijden de wc poetsen.
Tijdens een zwak moment was het dus toch bij me naar binnen gekropen: het idee dat ik mijn waarde aan mijn sociale omgeving, en de samenleving, kon bewijzen door de perfecte gástvrouw te zijn: moederlijk, zorgend en overdonderend in kwaliteit.
Het is mijn moeder, die er een zo mogelijk nog hogere maatstaf op nahield en met militaire precisie, maar ook vaak bozig en nerveus, etentjes bij ons thuis voorbereidde. Het is de huisvrouw in de film die, geharnast in zijde, nog even een servet schikt in haar kleine woonkamerparadijs terwijl ze een woedende traan onderdrukt. Het is iedereen op een bepaald deel van het internet.
De vijfentwintigjarige Sarah die urenlang zat te lezen aan een tafel, onverschillig voor kilo’s vaat in de gootsteen, zou me haten.
Dit is een keurslijf dat ik mezelf, onder aanmoediging weliswaar, heb aangetrokken. En nu moet ik het met geweld weer afschudden, voor ik op dat plekje in de hel beland dat voor vrouwen is bestemd die zichzelf niet langer helpen.
De bel ging. Ik streek mijn jurk glad en opende de deur. Een vriendin kwam binnen met man en kind. Ze gingen zitten. Het kind keek aanmatigend naar de pigs in a blanket.
Ik begon toch weer te redderen. Er moest nog een tafelkleed komen, de oesters open, eerst een glaasje dan maar. Ze pakte mijn arm. „Laat het”, zei ze zacht.
Nou ja, toen was zij mijn zakdoek.
Sarah Sluimer schrijft elke week een column. Ze is de auteur van boeken, essays en toneelstukken.
U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.
Source: NRC