N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Kledingontwerp Ontwerpers kunnen veel invloed uitoefenen op hoe duurzaam een kledingstuk is. Hoe sterk is het materiaal dat je neemt, en hoe makkelijk is het te recyclen? Toch blijft het kiezen tussen twee kwaden.
Aan weinig bezigheden heeft Natascha van der Velden zo’n grondige hekel als aan strijken. Onbegrijpelijk vindt de zelfstandige kledingonderzoeker het, dat de mensheid in het jaar 2023 zijn tijd nog vergooit met zo’n stomvervelend klusje. „Het kost ook superveel energie. Dan denk ik: we hebben zóveel techniek, waarom gebruiken we die niet om kleding te maken die minder kreukt?”
Lees hier alle stukken over de special Kledingindustrie
Dat hoeft niet moeilijk te zijn, weet Van der Velden, die in 2016 promoveerde op het verduurzamen van de kledingindustrie. „Je kunt bijvoorbeeld de twist aanpassen: als je garens anders draait, worden ze flexibeler. Of je kiest voor een gebreid materiaal. Dat is vaak minder gevoelig voor kreukels dan geweven stof.”
Van der Velden begint over strijken omdat ze iets duidelijk wil maken: hoe ver de invloed van een ontwerper reikt. Ze merkt dat consumenten, maar ook veel bedrijven die ze adviseert, bij ontwerpen vaak vooral denken aan uiterlijkheden – modellen, vormen, kleuren. Maar een kledingontwerper zou volgens haar in de toekomst eerder een „systeemdenker” moeten zijn, die de hele levenscyclus van kleding overziet.
Het is een misvatting dat het leven van een kledingstuk begint bij een plant of bij olie, meent ook Dieuwertje de Wagenaar, onderzoeker aan Wageningen University (WUR). Het begint allemaal bij het ontwerp. Uiteindelijk is het de ontwerper die bepaalt hoe sterk een kledingstuk wordt, en of het gemakkelijk te repareren of recyclen is.
Sinds 2020 biedt de WUR, in samenwerking met hogeschool voor de kunsten Artez in Arnhem, een gratis online opleiding aan over circulaire mode, waarin onder meer wordt ingegaan op duurzaam ontwerp. „Daarin draait het om bewustwording”, aldus De Wagenaar, „het besef dat keuzes aan het begin invloed hebben op het einde van een keten. Bij het ontwerp moet je al nadenken over in hoeverre iets te recyclen is, aan het einde kun je daar niks meer aan veranderen.”
Bij het Amerikaanse outdoormerk Patagonia werken ontwerpers al jaren op die manier, zegt hoofd innovatie Matt Dwyer. Aan de basis van elk product liggen elf ontwerpprincipes – heel basale afwegingen. „Gebruik je de best beschikbare materialen? Kan je een product gemakkelijk repareren? En als het einde in zicht is: kun je de ‘pure’ materialen eruit halen om er iets nieuws van te maken?”
Een ontwerp van Patagonia, dat zich nadrukkelijk positioneert als een bewust kledingmerk, begint volgens Dwyer dan ook nooit met de vorm. Soms ontstaat iets vanuit „een behoefte”, zoals een rugzak voor bergbeklimmers, met ruimte voor ijsbijlen. „Maar soms raken we ook geïnspireerd door nieuwe oplossingen.”
Dat laatste gebeurde bijvoorbeeld toen het merk zocht naar een geschikte bron voor gerecycled nylon. Patagonia investeerde in 2016 daarom in een beginnend bedrijf dat versleten visnetten tegen een vergoeding overneemt van vissers, om te voorkomen dat ze in zee belanden. „En dan ga je zoeken: in welk product kan ik bewijzen dat dit materiaal, deze keten, goed genoeg is?” Inmiddels zitten de gerecyclede netten in zwembroeken, donsjassen en petten.
Als je wilt dat kleding langer meegaat, kun je het ook tijdlozer maken
Het Nederlandse Zeeman werkt momenteel ook aan zulke grondbeginselen voor ontwerpers, zegt duurzaamheidsmanager Arnoud van Vliet. „Want de meeste keuzes over de impact van producten maken we hier, op kantoor. Daarom willen we vastleggen wat de júíste keuzes zijn. Niet dat je zomaar iets ontwerpt omdat je dat altijd zo hebt gedaan.”
De ontwerpprincipes zijn onderdeel van een weg die Zeeman recent is ingeslagen. Van oorsprong had het bedrijf uit Alphen aan den Rijn volgens Van Vliet altijd al veel aandacht voor de sociale kant van duurzaamheid, zoals arbeidsomstandigheden, maar de laatste jaren zijn ook klimaat en het tegengaan van vervuiling snel belangrijker geworden.
Zeeman heeft dus een „heel ander vertrekpunt” dan een merk dat bij oprichting zich meteen op duurzaamheid stortte, aldus Van Vliet. Tegelijkertijd zijn de merken die „één type product tot ver achter de komma aanpakken” lang niet voor elke consument toegankelijk. Zeeman heeft dat wel: als het bedrijf duurzamer gaat ontwerpen, bereiken die producten zeventig miljoen klanten in zeven landen, ook de klant met de kleinere portemonnee.
In de ontwerpbeginselen die Zeeman nu opstelt, neemt het bedrijf onder meer adviezen op over materiaalkeuze. Dat het bedrijf bijvoorbeeld de voorkeur geeft aan stoffen van één materiaal. „Omdat 100 procent katoen véél beter te recyclen is dan een mix met polyester.” Of over het wel of niet gebruiken van prints, omdat ook die recycling soms bemoeilijken.
De eerste les die Paulien Harmsen ontwerpers zou meegeven? De WUR-onderzoeker, een collega van De Wagenaar, hoeft niet lang na te denken. „Het blenden van materiaal is het méést verschrikkelijke wat je kan doen. Dus als je iets maakt uit één materiaal, heb je al een grote stap gezet. Nog beter is het als je dat product ook nog eens gemakkelijk uit elkaar kan halen.”
Door materialen te mengen tot één stof is het lot van een product volgens Harmsen eigenlijk al bezegeld. Óf materiaal wordt gerecycled tot ‘laagwaardige’ producten, zoals isolatiemateriaal, óf het eindigt in de verbrandingsoven. Want er zijn nog geen commerciële technieken om verschillende vezelsoorten – zoals een mix van katoen, elastaan en polyester – weer te scheiden.
Wie duurzamer wil ontwerpen, zou zich daarom in de recyclingbedrijven moeten verplaatsen, die de gebruikte kleding uit containers inzamelen. Het scheiden en verwerken van die goederenstromen is geen heel winstgevend werk: de inkomsten komen vooral uit de verkoop van nog bruikbare kleding aan vintagewinkels, niet uit de recycling zelf. Een kledingstuk helemaal uit elkaar halen en de losse onderdelen verwerken, is vaak simpelweg te duur.
Als ontwerpers eenmaal zo denken, zien ze snel hoe het beter kan, zegt ook onafhankelijk onderzoeker Natascha van der Velden. Waarom nog een polyester label in een katoenen shirt stoppen, als er ook katoenen labels zijn of prints aan de binnenkant van kledingstukken? Naast metalen ritsen en knopen zijn er ook varianten van polyester, veel betere keuzes als de jas toch al van dat materiaal is.
Maar ook eerder in het leven van producten heeft de materiaalkeuze impact, zegt Van der Velden. Elke vezel die wordt hergebruikt, scheelt de vervuiling die vrijkomt bij de productie van een nieuwe. Een gebreide stof heeft in de productie véél minder impact dan een geweven doek. Materiaal dat minder rafelt, maakt reparaties gemakkelijker.
Tot slot hebben de ontwerpkeuzes invloed op de gebruiksduur. Hoe trendgevoeliger, hoe groter het risico dat een consument er snel op raakt uitgekeken. „Als je wilt dat kleding langer meegaat, kun je het dus ook tijdlozer maken”, zegt Arnoud van Vliet van Zeeman. De koopjesketen is zich daarom nog meer dan eerst gaan richten op basisproducten, zoals effen T-shirts of ondergoed. Dat heeft een bijkomend voordeel: „Als je iets moet afprijzen omdat de trend voorbij is, kost dat ook gewoon véél geld.”
De Zweedse modegigant H&M hanteert een andere aanpak. In zijn ontwerpbeginselen, opgesteld samen met de Ellen MacArthur Foundation, een duurzaamheidsdenktank, maakt het bedrijf onderscheid tussen groepen producten. Sommige kleding moet lang en intensief kunnen worden gebruikt, zoals een spijkerbroek. Daarnaast is er ook een groep producten die waarschijnlijk een relatief kort bestaan wacht, zoals een kerstjurkje, dat doorgaans maar twee dagen per jaar wordt gedragen. In welke groep een kledingstuk valt, is afhankelijk van hoeveel een klant het product draagt en hoe lang een product „relevant” is voor de klant.
Bij producten die waarschijnlijk lang meegaan, zijn sterke materialen bijvoorbeeld fundamenteel, zelfs als ze iéts meer vervuilend zijn. Bij kleding die waarschijnlijk korter leeft, heeft de voetafdruk daarentegen meer prioriteit dan hoe sterk materiaal is. Ook is bij die categorie ‘light’ de repareerbaarheid minder van belang vanwege de korte levensduur. Daarentegen is het heel belangrijk dat kledingstukken makkelijk uit elkaar te halen zijn, en de grondstoffen goed te recyclen, omdat producten waarschijnlijk relatief snel bij de recyclaar eindigen.
Tegelijkertijd is het niet zo dat er één juiste keuze is. Dat ontdekte Natascha van der Velden toen ze zelf meewerkte aan nieuwe isolatiejassen voor operaties in de zorg. Zelf is ze geen voorstander van nieuwe synthetische materialen, omdat die fossiel zijn. Maar katoen was nóg minder geschikt, vertelt ze, omdat de jas dan behandeld moet worden met een vervuilende chemische coating.
Dus vaak is ontwerpen ook kiezen voor de minst slechte oplossing, aldus Van der Velden. Zo kost breien minder energie dan weven, maar het resultaat is doorgaans ook slijtagegevoeliger. Dus voor kleding die intensief wordt gebruikt, zoals een spijkerbroek, is dat een minder goede oplossing. Want telkens een nieuwe kopen omdat de oude is versleten, is uiteindelijk erger.
Het is daarom cruciaal je niet blind te staren op één eigenschap, merkte ook Matt Dwyer, hoofd innovatie van Patagonia. Het merk stak de laatste tien jaar veel energie in het herontwerpen van zijn collectie met de minst vervuilende materialen. Zo wil Patagonia Source: NRC