COP31 Met Turkije als gastland en Australië als voorzitter, beide nog zwaar afhankelijk van fossiele brandstoffen, zijn de verwachtingen op de komende klimaattop niet heel hoog gespannen. „Klimaat heeft weinig momentum in Europa, er is verdeeldheid.”
Mensen met mondkapjes kopen vis op een traditionele markt in de Indonesische stad Palangkaraya, te midden van dichte rook ontstaan door bos- en landbranden.
De wereld is gefragmenteerd, terwijl klimaat naar de achtergrond verdwijnt. En toch vinden landen het van belang om twee weken lang bij elkaar te gaan zitten tijdens de 31e jaarlijkse VN-klimaattop die maandag begint aan de Turkse zuidkust in Antalya. Officieel genaamd de Conference of the Parties 31, oftewel COP31.
Wereldleiders, bedrijven, financiële instellingen en ngo’s komen samen om te onderhandelen over multilaterale klimaatafspraken. Voornemens en beloftes om de opwarming van de aarde een halt toe te roepen zijn al genoeg gemaakt op eerdere klimaattoppen. In plaats van nieuwe plannen maken, moeten landen dit jaar vooral bespreken hoe ze hun toezeggingen gaan nakomen, vindt gastland Turkije.
De noodzaak om actie te ondernemen is ieder jaar weer groter. Deze 31e klimaattop volgt op een zomer die records brak: niet eerder was een zomer in Nederland en West-Europa zo warm, niet eerder vielen er zoveel extra doden als gevolg van hittegolven en droogte – deskundigen schatten dat aantal op 50.000 mensen dit jaar. Natuurbranden verwoestten zeker 700.000 hectare in Europa, er werd voor 100 miljard euro aan schade gerapporteerd. Bij de presentatie van een wetsvoorstel over klimaatbestendigheid waarschuwde eurocommissaris Wopke Hoekstra eind oktober dat Europese landen rekening moeten houden met een mondiale temperatuurstijging van drie graden tegen het eind van deze eeuw.
Dat is ver verwijderd van de doelen van het klimaatakkoord van Parijs uit 2015: de opwarming ruim onder de twee graden houden en het liefst beperken tot 1,5 graad. Die 1,5 graad wordt inmiddels alom als onhaalbaar beschouwd.
Het jaarlijkse Emissions Gap Report van VN-organisatie UNEP dat in oktober verscheen, gaat uit van een overschrijding, tot 1,7 of 1,8 graad in 2050. Die kán tijdelijk zijn, maar dan er is nieuw, ander beleid nodig om de uitstoot van broeikasgassen veel sneller te laten dalen. Ook moeten er dan enorme hoeveelheden CO2 permanent uit de atmosfeer worden verwijderd, acht keer de hoeveelheid die de mensheid nu jaarlijks uitstoot.
Toch zijn de vooruitzichten niet alleen somber. „De huidige modellen geven nog steeds aan dat het mogelijk is om de doelstelling van anderhalve graad aan het eind van deze eeuw te halen, met die tijdelijke overschrijding tussendoor”, zegt Michel den Elzen, senior onderzoeker bij het Planbureau voor de Leefomgeving. „Op basis van huidig beleid verwachten we dat de mondiale uitstoot in de komende twee of drie jaar zijn piek bereikt.” Daarna, zegt hij, moet de daling écht gaan inzetten. „Het is technisch en economisch haalbaar, de kosten zijn niet astronomisch. Maar is het politiek haalbaar? Die vraag ligt deze klimaattop duidelijk op tafel.”
De COP31 telt vertegenwoordigers van 198 partijen – 197 landen plus de EU. Met dit jaar een ongebruikelijk gedeeld voorzitterschap. Turkije levert de officiële COP31-president, de Turkse minister van Milieu, Verstedelijking en Klimaatverandering Murat Kurum. Australië zit de onderhandelingen voor, in samenwerking met een groep landen uit de Stille Oceaan. De samenwerking is een antwoord op het getouwtrek tussen Australië en Turkije tijdens de klimaattop van vorig jaar over wie de top dit jaar mocht organiseren
Wat zijn de drie belangrijkste en moeilijkste onderwerpen op de top? Wat zijn de verwachtingen? Gaat het lukken om actie te ontketenen?
Het stoppen met het verbranden van fossiele brandstoffen staat met stip op één. Tegelijk is het de zogenoemde olifant in de kamer – tijdens klimaattoppen wordt er bijna nooit concreet over onderhandeld. Grote olieproducerende landen, bijvoorbeeld, doen er alles aan om het thema uit de agenda te houden. Terwijl stoppen met fossiele brandstoffen juist de belangrijkste maatregel is om verdere klimaatopwarming te voorkomen.
De laatste en enige keer dat landen concrete afspraken maakten over de grote boosdoener in de slottekst, was tijdens de klimaattop in Dubai, in 2023. Daar tekenden alle 198 partijen voor het eerst een overeenkomst waarin stond dat de wereld ‘geleidelijk en rechtvaardig’ afscheid moet nemen van fossiele brandstoffen.
Maar tijdens de klimaattoppen daarna kwamen er geen concrete vervolgstappen. Lukt dat dit jaar wel?
Met Turkije als gastland en Australië als voorzitter is de verwachting dat gesprekken hierover lastig worden. Beide landen leunen zwaar op fossiele brandstoffen, ook van de meest vervuilende soort: kolen. Daarnaast wil Turkije meer gas halen uit de Zwarte Zee.
Een lichtpuntje: een kleine kopgroep besloot vorig jaar op eigen initiatief het gesprek over fossiele brandstoffen te organiseren buiten de jaarlijkse klimaattop om. Afgelopen voorjaar organiseerde Colombia, met hulp van Nederland, een aparte conferentie hierover in de Colombiaanse kustplaats Santa Marta. 57 landen waren aanwezig en spraken af om aan concrete actieplannen, zogeheten routekaarten, te gaan werken voor het afbouwen van fossiele brandstoffen.
Frankrijk legde zichzelf alvast deadlines op: het land wil voor 2030 stoppen met steenkool, uiterlijk in 2045 met olie en in 2050 met aardgas. Nederland heeft nog geen einddata. In plaats daarvan ligt de focus op het beschikbaar maken van een schoon alternatief: hernieuwbare energie, zegt een woordvoerder van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Hij verwacht dat naast Nederland, Duitsland en Frankrijk meer landen een actieplan zullen presenteren tijdens COP31.
Een olieraffinaderij in Los Angeles.
Ook de Braziliaanse voorzitter van de klimaattop van vorig jaar, André Corrêa do Lago, presenteert dit jaar een roadmap. De teleurstelling dat er vorig jaar geen afspraken over de afbouw van fossiele brandstoffen werden gemaakt is groot in Brazilië. „In die zin is er wel wat momentum voor het afbouwen van fossiele brandstoffen”, zegt Pieter Pauw, universitair hoofddocent klimaatfinanciering aan de TU Eindhoven. „Maar landen zijn versnipperd.”
Elektrificatie zal de komende weken in ieder geval hoog op de agenda staan. Turkije heeft een voorstel gepresenteerd om het aandeel elektriciteit in de totale energievraag te verhogen van iets meer dan 20 procent nu naar 35 procent in 2035: ‘35 bij 35’. Meer (schone) elektriciteit is goed nieuws voor het klimaat, maar zolang landen daarnaast ook blijven inzetten op fossiele brandstoffen om aan de groeiende energievraag te voldoen, zal de wereld verder opwarmen.
Een ander heikel onderwerp zijn de onderhandelingen zelf. Hoe zullen deze verlopen in een steeds verder gefragmenteerde wereld? Net als vorig jaar sturen de VS geen officiële delegatie naar de VN-klimaattop in Antalya – na de grote winst tijdens de Amerikaanse midterms zal wel een delegatie van Democratische Congresleden afreizen. Dat is geen verrassing. Nadat de VS zich onder president Trump in 2025 opnieuw hadden teruggetrokken uit het Klimaatakkoord van Parijs (in 2017 deden de VS dat ook), kondigde Trump, als eerste land ooit, begin dit jaar ook de terugtrekking uit het VN-klimaatverdrag (UNFCCC) aan, dat de jaarlijkse klimaattoppen organiseert.
Die terugtrekking is tijdens COP31 nog niet van kracht, maar het machtsvacuüm dat Washington achterlaat is al langer zichtbaar. De vraag is wie dat opvult – en op welke manier.
China heeft de beste papieren, maar zal de Amerikaanse rol niet zomaar overnemen. De VS waren niet alleen een van de grootste uitstoters ter wereld, maar ook jarenlang een drijvende kracht achter internationale klimaatafspraken. Onder president Barack Obama zochten de VS toenadering tot China. De gezamenlijke aankondiging van de Amerikaanse en de Chinese presidenten in 2014, waarin beide landen hun plannen voor uitstootvermindering presenteerden, vormde een belangrijke basis voor het Klimaatakkoord van Parijs.
China ontwikkelde vooral de eigen industrie. Chinese bedrijven domineren grote delen van de productieketens voor zonnepanelen, batterijen en elektrische auto’s. Daardoor is schone technologie wereldwijd goedkoper geworden.
Volgens Shuo Li, directeur van de China Climate Hub van het Asia Society Policy Institute, moet die invloed niet worden onderschat. „De economische belangen van Chinese bedrijven vallen steeds vaker samen met de wereldwijde strijd tegen klimaatverandering”, zegt Li telefonisch vanuit Washington D.C. Chinese bedrijven verdienen aan de technologie die andere landen nodig hebben om hun uitstoot te verminderen. Ook investeren ze steeds vaker in fabrieken in het buitenland, zoals voor elektrische auto’s in Brazilië. „Zo groeit de Chinese invloed, niet door diplomatie, maar doordat andere landen afhankelijk worden van Chinese technologie en investeringen.”
„China staat nu in het centrum van veel discussies over klimaat en verandert de betekenis van klimaatleiderschap”, zegt hij. „Wij als wereld zijn gewend aan diplomatiek leiderschap. We kijken naar wat een land op papier belooft te doen. Maar nu vooral de techniek het tempo van de energietransitie bepaalt, wordt het tegengaan van klimaatverandering een businesscase. Dat is op zichzelf een goede ontwikkeling.”
Schapen lopen tussen zonnepanelen in de Chinese provincie Qinghai.
Dat betekent niet dat China ook politiek het voortouw neemt op het gebied van klimaat. Het land is nog altijd sterk afhankelijk van steenkool en blijft terughoudend met internationale klimaatverplichtingen en financiële steun aan ontwikkelingslanden. De Chinese economische macht, zegt Li, groeit sneller dan de bereidheid om ook politiek de verantwoordelijkheid van een klimaatkoploper te dragen.
Voor Europa is dat een ongemakkelijke ontwikkeling. De EU raakt industrieel achterop bij China en krijgt de eigen klimaatambities niet uitgevoerd. Tegelijkertijd zwakt de EU onderdelen van het klimaatbeleid af. Zo stelde de Europese Commissie deze zomer een herziening van het emissiehandelssysteem voor die de industrie meer ruimte moet geven. Ook ligt er een voorstel om bepaalde verplichtingen uit de methaanverordening uit te stellen.
Europa is duidelijk aan het „soul searchen”, zegt Li. „Klimaat heeft weinig momentum, er is verdeeldheid. Op belangrijke onderwerpen als klimaathulp en -financiering worden weinig stappen gezet. Het is een reflectie van hoe er wordt geworsteld, als multilaterale wereld, met klimaat. En dan heeft de VS ook nog het toneel verlaten.”
Politieke wil en consensus zijn essentieel om grote stappen te kunnen zetten, maar in dit tijdsgewricht moeilijk te bereiken, analyseert Li. In de ruimte die ontstaat, springen Chinese bedrijven. „Die drijvende economische kracht zal het politieke landschap gaan bepalen. Dat is niet op voorhand goed of slecht, maar de vraag is hoe de rest van de wereld daarop reageert.”
De uitdaging is om die economische dynamiek te benutten zonder publieke belangen uit het oog te verliezen. Daarvoor is een nieuwe klimaatstrategie nodig, zegt Li. „Tot die er is, zullen we het met China moeten doen.”
Een ander gevoelig onderwerp is de financiering van de klimaatschade die ontwikkelingslanden oplopen. In hoeverre moeten rijke landen de ontwikkelingslanden helpen bij klimaatadaptatie: het nemen van maatregelen om zich te beschermen tegen de gevolgen van de opwarming, zoals het bouwen van dijken. Wie zijn precies die rijke landen? Wanneer zijn het leningen en wanneer giften? Geen agendapunt dat zoveel verhitte discussies oplevert op klimaattoppen als geld en aansprakelijkheid.
De belangrijkste afspraak op de klimaattop in Brazilië vorig jaar is de verdriedubbeling van het bedrag om de weerbaarheid van ontwikkelingslanden te vergroten. Het komt neer op 85 tot 120 miljard dollar per jaar vanaf 2035. Uit een woensdag verschenen rapport van het milieuprogramma van de Verenigde Naties blijkt dat ontwikkelingslanden tegen die tijd naar schatting 420 miljard dollar nodig hebben (inclusief inflatiecorrectie).
Naast geld voor adaptatie is er ook nog het zogeheten Loss and Damage-fonds, bedoeld om arme landen te compenseren die schade lijden door de gevolgen van klimaatopwarming. Neem de instorting van de gletsjer in de Himalaya in Nepal afgelopen zomer. Nog los van de duizenden doden die er zijn gevallen, zal de wederopbouw van onder meer verwoeste bruggen, wegen en waterkrachtcentrales tussen de 4 en 5 miljard euro kosten, een tiende van het Nepalese bbp. Voor een deel daarvan vraagt Nepal compensatie. Rijke industrielanden willen dat geld voor loss and damage komt uit het adaptatiefonds, bedoeld om landen weerbaarder te maken. Ontwikkelingslanden zeggen nee, adaptie en compensatie zijn twee aparte fondsen.
Wat er deze klimaattop afgesproken gaat worden rondom klimaatfinanciering is nog onduidelijk, zegt Pieter Pauw, universitair hoofddocent klimaatfinanciering aan de TU Eindhoven. „Met de veranderingen in de VS na de midterms kan er meer ruimte komen voor financiering, maar het is nog te vroeg om daar nu al iets over te zeggen. Er zijn landen die tijdens deze top concretere afspraken willen maken. Andere landen willen dan ook bepalen wie moet betalen. Als het te ingewikkeld wordt, is er ook een risico dat er juist niets uitkomt.”
De verwachtingen voor deze klimaattop zijn niet hooggespannen, politieke en economische onzekerheden vragen al snel meer aandacht van landen dan een gezamenlijk plan voor het toekomstige klimaat. Tegelijkertijd zijn grote verrassingen nooit uitgesloten. Want eens in de zoveel jaar zit er zo’n top tussen die wél een grote doorbraak oplevert.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie