nieuwsbriefEuropa
Europa Begrotingsperikelen houden Europa in zijn greep. Van unieniveau – de moeizame onderhandelingen over de Europese meerjarenbegroting – tot lidstaatniveau. België maakt het bont. Maar ook Frankrijk is van grote zorg. Valt er een patroon te ontdekken, begint de zorgwekkende periferie naar het midden te draaien?
A woman walks past a Commerzbank branch in the banking district of Frankfurt am Main, western Germany, on November 5, 2026. German lender Commerzbank bank will announce its third-quarter financial results on November 5, 2026. (Photo by Kirill KUDRYAVTSEV / AFP)
Europaredacteuren praten je bij over de belangrijkste ontwikkelingen in de EU
België heeft nog wat extra tijd om zich over de grote cijfers van het land te buigen, zo besliste de koning. Hoewel premier Bart De Wever 31 oktober als begrotingsultimatum had gegeven, volgde een aangeboden ontslag op het paleis. Een kwestie van de politieke druk opvoeren, of gezichtsverlies voorkomen: daar valt over te twisten.
Hoe je het ook wendt of keert: het heeft gewerkt. Brussel heeft weer wat wind in de zeilen, de coalitiepartijen zien weinig in vervroegde verkiezingen op een bijzonder ongunstig geopolitiek moment. En dus krijgt de regering tot 16 november de tijd om alsnog uit die ingewikkelde begrotingsdiscussie te komen.
In een zoektocht naar 10 miljard euro gaat het er daarbij platgeslagen om in hoeverre de breedste schouders worden aangesproken – een saneringsroute die de rechtse partijen, incluis de N-VA van De Wever, liever zoveel mogelijk vermijdt – en wat er valt af te romen van de sociale zekerheden.
Het raakt aan een groter vraagstuk: is het in stand houden van de verzorgingsstaat als Europees ideaal houdbaar? Dat is op zijn zachtst uitgedrukt geen sinecure op een sterk vergrijzend continent dat voor grote competitieve uitdagingen staat. Dat zucht onder de grillen van het klimaat. Op eigen benen probeert te staan. De energieprijzen ziet stijgen. Vele miljarden voor defensie dient te vinden. Leent tegen hogere rentes. En dat in een tijd waar de interesse in langlopende staatsobligaties begint af te zwakken.
De Belgische premier Bart De Wever arriveert afgelopen maandag op een bijeenkomst op het Koninklijk Paleis in Brussel.
Vincent Van Peteghem, de Belgische minister belast met de begroting, ligt „wakker van die zorg”, zo stelde hij deze week in een praatprogramma op de Vlaamse zender. „Hoe kunnen we die welvaartsstaat die onze ouders en grootouders gehad hebben, doorgeven aan onze kinderen en kleinkinderen?” Van Peteghem meent dat in de huidige Belgische situatie „Griekse toestanden” niet ver weg zijn.
België betaalt momenteel voor leningen met een looptijd van tien jaar een rentetarief van 4,26 procent. Eind oktober bereikte die rente op Belgische staatsobligaties 4,47 procent – het hoogste niveau sinds 2012, te midden van de eurocrisis. Griekenland koerst momenteel op 4,14 procent. Ook Spanje en Portugal lenen goedkoper. Italië en Frankrijk lenen duurder. Frankrijk betaalt daarbij méér voor zijn leningen dan Italië. Ierland – één van de zwaarstgetroffen landen tijdens de eurocrisis – betaalt bijna evenveel als Nederland en Duitsland.
Dat wat ooit te boek stond als de kwetsbare periferie van Europa doet het, kortom, helemaal zo slecht niet meer. Het Europese (institutionele) hart – België en Frankrijk, met begrotingstekorten van ruim 5 procent – bloedt daarentegen.
Ik hoor u denken: ‘Als Griekenland te redden viel, dan zal het met België en Frankrijk toch ook wel goedkomen?’ Is het immers niet business as usual in deze Franstalige landen, waar snijden in de sociale zekerheden gepaard gaat met stijgerende vakbondslieden?
Ja, en nee. Want hoewel beiden landen een eigen specifieke begrotingsdynamiek kennen, en niet vies zijn van het ‘volgen van een crisislijn’ om tot een politiek compromis te komen, is de huidige context zorgwekkend.
Leider Georges-Louis Bouchez van de Franstalige partij Mouvement Réformateur en premier Bart De Wever, eind oktober in het Belgische parlement.
Zo is de ondergrens naar boven aan het schuiven. Waar de Duitse bond (staatsobligatie) – van origine de graadmeter van de economische markten – in februari nog een rendement van 2,64 procent noteerde voor zijn tienjarige leningen, staat dit inmiddels ruim boven de 3 procent.
Niet voor niets komt in de Belgische begrotingscrisis een woord stelselmatig terug als zijnde een beslist te vermijden scenario: het ‘rentesneeuwbaleffect’. Want nog los van een schuivende ondergrens… de kapitaalmarkten zijn streng.
Markten kijken niet alleen naar hoeveel overheden lenen, maar ook waarvoor wordt geleend. Wordt er geleend om te investeren en zo de economische groei te boosten, is dat één ding. De Duitse Commerzbank beraamde bijvoorbeeld dat Berlijn voor een recordbedrag van 400 miljard euro aan staatsobligaties uit wil geven in 2027, grotendeels bedoeld voor investeringen in defensie en infrastructuur, dat de graadmeterspositie van Duitsland niet ondermijnt.
Maar wordt er geleend om stijgende rentelasten mee af te dekken, is dat van hele andere aard. Zo ontstaat er een gevaarlijke vicieuze cirkel, die moeilijk valt te doorbreken: moeizame begrotingspolitiek of een zwakke begroting kan de rente doen opstuwen, wat herfinanciering voor de overheid in kwestie duurder maakt, waardoor de financiële speelruimte kleiner wordt. Et voilà, markten zullen daar vervolgens weer op kunnen reageren met hogere rentes.
België heeft een staatsschuld van zo’n 110 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Zakenkrant De Tijd beraamde dat die kan oplopen tot 122 procent in 2031 als er niet snel orde op zaken wordt gesteld. In Parijs is de staatsschuld opgelopen tot 119 procent van het bbp. Dat is het hoogste niveau in Frankrijk sinds 1946, om een andere graadmeter te gebruiken.
De Franse minister Jean-Noel Barrot (Europa en Buitenlandse Zaken) tijdens een begrotingsdebat in de Assemblée, medio oktober.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie