Mijn man stuurt me al de hele week filmpjes van Kimi Antonelli. Ik ben niet zo’n Formule 1-fan, en dat komt omdat ik het mis de gezichten van de coureurs te zien. Daar hou ik zo van als het om sport gaat: kijken naar de focus, de pijn, het afzien, de vreugde. De menselijkheid van atleten die bovenmenselijke dingen presteren zie je vaak juist daar. Maar door het geblindeerde vizier van een integraalhelm zie je niks.
In de filmpjes die mijn inbox blijven binnenstromen, zie ik Kimi in allerlei situaties, zonder helm. Schaapachtig lachend, omdat hij zijn paddockpasje is vergeten – en ‘m zelf komt halen. De kersverse jongste wereldkampioen ooit had ongetwijfeld iemand kunnen sturen die het spoorslags voor hem had opgeknapt, maar Kimi komt zelf aanzoeven, op een kinderstep.
Ik zie hem met tranen in de ogen, terwijl hij naar een felicitatie van Sebastian Vettel kijkt. „Grootse prestaties kunnen ervoor zorgen dat mensen anders naar je gaan kijken. Maar jij hoeft de manier waarop je naar andere mensen kijkt niet te veranderen”, geeft ‘Seb’ hem mee. Kimi slurpt de woorden van zijn grote jeugdheld op. En óf hij naar dat advies gaat luisteren, zegt hij.
Ik zie hem in een kinderziekenhuis, met kerst, om kadootjes aan zieke kinderen te geven. Ik zie hem een zelfgemaakt geluksarmbandje aannemen van een fan van tien, en het daarna de hele dag dragen. Ook als hij is gedoucht en omgekleed, zit het geluksarmbandje nog om zijn pols. Op het podium, tijdens de persconferentie, tijdens de interviews: het armbandje met de eenvoudige kraaltjes blijft.
Ik zie zijn teambaas Toto Wolff vertellen dat Kimi als coureur extreem matuur rijdt en supervolwassen met iedereen in zijn team omgaat – maar op zijn verjaardag niet bereikbaar is omdat hij met zijn vrienden in een waterpark aan het zwemmen is: he’s also just a kid, een ventje nog.
Ik zie Kimi nog meer huilen. Na zijn kampioensrace laat hij zijn tranen de vrije loop. Hij vertelt over zijn opa Giordano, die hem als klein jongetje voor het eerst meenam naar de kartbaan, en nog altijd veel in zijn gedachten is. Kimi vertelt dat hij tijdens de laatste ronde al gas moest terugnemen omdat hij door zijn tranen de baan niet meer zag.
Hij huilde niet alleen vorig weekend, hij huilt veel vaker in het openbaar. Zonder enige vorm van gêne. Hij praat volkomen vanzelfsprekend over zijn gevoelens, en als hij iemand ontmoet kijkt hij die persoon echt aan. Of het nu een journalist, een collega of een tienjarige fan met een geluksarmbandje is.
De Formule 1 is misschien wel de meest masculiene aller sporten. Een sport van extreme competitie, grote ego’s, technische perfectie, hoge snelheid, veel geld, en coureurs met een imago van onkwetsbaarheid. Je gevoelens laten zien is volgens velen een teken van zwakte. Kimi interesseert dat geen zak. Hij is de puurste versie van zichzelf, op elk moment.
Kun je als volwassen kerel een joch van twintig als je grote voorbeeld hebben, vraagt mijn man retorisch, een voorbeeld waarvan je zou willen dat elke jongen fan is? Kimi ontkracht – gewoon door wie hij is – het grootste misverstand in de sport: emotioneel en zacht zijn is niet hetzelfde als zwak zijn. Brandende ambitie en kwetsbaarheid gaan, ook als je een extreem coole dude bent, uitstekend hand in hand.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie