Eén man verzamelde de afgelopen dertig jaar ruim duizend kunstwerken voor drie Zuid-Limburgse musea: directeur Stijn Huijts. Hij zwaait af met een tentoonstelling vol oude en nieuwe liefdes in Maastricht.
is kunstredacteur voor de Volkskrant en schrijft over fotografie en beeldende kunst.
Hoeveel herinneringen zitten er in je hoofd als je dertig jaar museumdirecteur bent geweest en met je pensioen in het vooruitzicht terugblikt?
Over die vraag heeft museumdirecteur Stijn Huijts (67), die aan het roer heeft gestaan van achtereenvolgens Het Domein in Sittard, Schunck in Heerlen en het Bonnefantenmuseum in Maastricht, natuurlijk allang nagedacht: te veel om op te noemen.
Hij denkt aan Bloum Cardenas, de kleindochter van Niki de Saint Phalle, met wie hij in Schunck intensief samenwerkte aan een ‘rehabilitatietentoonstelling’ over haar grootmoeder, en met wie hij bevriend raakte.
Ze houden allebei van outsiders in de kunst – een positie die De Saint Phalle volgens Huijts op zeker moment ook innam. ‘Niki werd verbannen uit de white-cube-musea, die de laatste decennia van de vorige eeuw waren verworden tot een soort überhygiënische instellingen. Dat gebeurde onder verwijzing naar haar beroemde, kleurrijke Nana’s, maar die waren niet de essentie van haar werk. Dat ging over oorlog, geweld, feminisme.’
Hij denkt ook aan een werk van de Belgische kunstenaar Wim Delvoye. Het Domein, 1998: in de tuin graast een levend, door de kunstenaar getatoeëerd varken. ‘Om dat mogelijk te maken zijn we als museum officieel een varkenshoudend bedrijf geworden. Het was tijdens het laatste staartje van de varkenspest; ik heb thuis nog een certificaat, een soort oorkonde, omdat de ziekte bij ons niet werd aangetroffen.’
Hoe werd er gereageerd op dat werk?
‘Er is aangifte gedaan door de Dierenbescherming, vanwege mishandeling. De zaak is uiteindelijk geseponeerd, maar die hele rechtsgang maakte nog eens duidelijk waarover het werk ging: over hypocrisie in de samenleving. Want de wet verbiedt het een dier te mishandelen, maar maakt daarbij een uitzondering voor de bio-industrie – niet voor een onder verdoving getatoeëerd varken.’
Huijts denkt aan mensen die hem hebben geïnspireerd, in het bijzonder aan de Vlaamse kunstpaus Jan Hoet, ‘echt een mentor’, die ooit tijdens een openingstoespraak over hem zei dat hij ‘met gewassen ogen’ naar kunst keek. Huijts: ‘Als ik het goed heb begrepen, bedoelde hij daarmee dat ik, net als Hoet zelf trouwens, een dubbele achtergrond heb: opgeleid aan de kunstacademie en aan de universiteit. Jan heeft me ook geleerd om bij het kijken en beoordelen van kunst te vertrouwen op mijn intuïtie en vooral mijn eigen plan te trekken.’
Huijts werd opgeleid tot beeldhouwer aan de Maastrichtse kunstacademie en tot cultuurwetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam. Daar zitten we in café De Balie; Amsterdam is tegenwoordig zijn parttime woonplaats. Het is twee maanden voor de opening van zijn afscheidstentoonstelling Cooking from the Fridge.
Zijn eerste kleinkind is net geboren, vertelt hij. ‘In één jaar tijd zijn de woorden pensioen en opa in mijn vocabulaire gekomen. Dat is speciaal. Echt geweldig.’
Op tafel ligt een foto uit de catalogus die bij de tentoonstelling verschijnt. Stijn Huijts in Schunck, in 2011. Er hangt een jarentachtigmuziekvibe om hem heen: zwarte broek, zwart jasje, halflang sluik haar dat over de ogen valt, zwarte bril. Lang geleden zat hij in een newwavebandje, de Rick Nolov Band, ze stonden zelfs op Pinkpop.
Hoe zit u hier nu, vijftien jaar later?
‘Als een man die het altijd superleuk heeft gevonden, én een voorrecht, om kunstenaars te ontmoeten, samen in het universum van zo’n kunstenaar te duiken en samen solotentoonstellingen te maken. Ik heb het heel graag gedaan en ik vind het jammer dat het stopt.’
Zijn er ook dingen waarvan u denkt: blij dat ik dat niet meer hoef te doen?
‘Al die dingen die er ook bij horen als je verantwoordelijk bent voor een culturele instelling, zoals de financiën – die zal ik wat minder missen. ’
Want die zien er slechter uit dan toen u in dit vak begon?
‘Ik denk dat het een golfbeweging is. En ja, we zitten nu weer in zo’n periode dat het voor cultuur lastig is. Financieel gezien ook. Dat heeft met inflatie te maken, met energiekosten en ook met een politiek klimaat waarin veel mensen de bijl in cultuur willen zetten.
‘Maar ik zeg niet zonder trots dat het Bonnefanten onlangs samen met de provincie Limburg een gezonde financiële basis heeft weten te leggen onder het museum. Dat was nodig, er dreigde een gat te vallen in de exploitatie. Dit voorjaar is er een meerjarige Museumvisie vastgesteld die de drie provinciale musea in Limburg perspectief geeft.’
Wanneer kwam bij u voor het eerst de gedachte op: mijn hemel, mijn afscheid komt eraan?
‘Een jaar of twee, drie geleden. We zaten met het team om de tafel en een van de collega’s van het museum zei: ‘Dan is het gebruikelijk om een tentoonstelling te maken met de collectie die je hier bij elkaar hebt gebracht.’ En ik dacht: interessant, maar ik neem niet alleen afscheid van het Bonnefanten, ik neem afscheid van mijn werkzame leven in de regio, van dertig jaar in drie musea. Moeten we dan niet de drie collecties laten zien?
‘Daar speelde al snel op de achtergrond mee dat de aankopen die ik heb gedaan voor Het Domein en Schunck daar niet altijd even goed zichtbaar zijn. En dat het in Sittard best moeilijk blijkt om Het Domein overeind te houden. Als we die andere collecties ook in het zonnetje zouden zetten, redeneerde ik, zou dat misschien ook iets doen met de waardering van het lokale bestuur voor die instelling.
‘Bovendien, en niet in het minst: alles wordt duurder, ook voor musea. Het is niet meer vanzelfsprekend om kunstwerken voor een tentoonstelling te laten overvliegen. Alleen al vanwege het klimaat. Daarom heet de tentoonstelling Cooking from the Fridge: laat maar zien wat je kunt maken met wat je al in huis hebt.’
In die dertig jaar kocht u ruim duizend werken aan. Hoe maak je een goede selectie uit zo’n gekmakende hoeveelheid?
‘Nou, dat was de volgende gedachte: dat ik het interessanter zou vinden om aan mensen met wie ik in die dertig jaar heb samengewerkt, die belangrijk voor me zijn geweest en van wie ik heb geleerd, te vragen die selectie voor mij te maken. Ik was ook wel nieuwsgierig: waar zouden ze mee komen?’
Samen, dat is wel een sleutelwoord voor u.
‘Ja. Dat kun je terugvoeren op mijn tijd als muzikant. Samen onderweg zijn, de camaraderie die daarbij hoort. Weten dat je het samen moet doen, dat je als individu afhankelijk bent van anderen.’
Heeft u stiekem ook over een eigen museumzaaltje gefantaseerd?
‘Daar hebben we het in het begin over gehad, voor als er een paar oude liefdes van mij, die al heel lang het depot niet uit zijn geweest, niet zouden worden uitgekozen. We noemden die zaal gekscherend: het vriesvak. Maar het bleek niet nodig.’
Op 200 kilometer afstand is op het moment van het gesprek de helft van de tentoonstelling ingericht. 27 gastcuratoren – een bont, internationaal gezelschap van museumdirecteuren, curatoren, kunstenaars en kunstcritici – kozen in totaal 270 werken van 145 kunstenaars.
Elke curator kreeg een ruimte toebedeeld die naar eigen inzicht kon worden ingericht. De een koos voor een zaalvullende installatie, de ander hing de muren van boven tot onder vol. En waar de een koos voor een thema, selecteerde de ander op gevoel.
Meer een aaneenschakeling van kleine groepstentoonstellingen dan een klassieke overzichtstentoonstelling, noemt Huijts ‘zijn’ laatste. Loop erdoorheen en je ziet een eregalerij van oude en (betrekkelijk) nieuwe liefdes: van een collage van Margaret Kilgallen tot een wandtapijt van de Poolse Małgorzata Mirga-Tas, en van het bevreemdende Cosplayers van videokunstenaar Cao Fei tot de spraakmakende ‘opera’ Drama 1882 van de Egyptische kunstenaar Wael Shawky, vorig jaar samen met het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Centraal Museum in Utrecht aangekocht.
Er is een 16de-eeuws schilderij van de heilige Hieronymus door Pieter Coecke van Aelst, er zijn de mythologische sculpturen van Ali Cherri, de foto van een huilende Melanie Bonajo en de portretten waarmee Patricia Kaersenhout de VOC-tijd van commentaar voorziet. (De laatste twee kunstenaars schrijven hun namen zelf overigens zonder hoofdletters.)
Een van de curatoren, Ann Demeester, nam in haar zaal een werk van de Noorse kunstenaar Bjarne Melgaard op. Ze schrijft in de catalogus: ‘Melgaard is de pars pro toto voor Stijns verzamelbeleid: hij stort zich telkens weer op nieuwe subculturen en verwerkt die in zijn kunst voordat het trendy wordt.’ Klopt het wat zij zegt?
‘Nou ja, er zal wel iets van waarheid in zitten. Ik heb het zelf in dit kader altijd over het ooghoekprincipe: je kunt je blijven blindstaren op wat er zich in het centrum van je blikveld afspeelt, maar vaak is wat daarbuiten gebeurt leuker en spannender.’
Naar welke uithoeken heeft dat ooghoekprincipe u gebracht?
‘Naar San Francisco, bijvoorbeeld. Diezelfde Bjarne Melgaard, die in 1997 een tentoonstelling had in Het Domein, attendeerde me op het werk van skater-kunstenaar Mark Gonzales. In de slipstream daarvan kwamen een heleboel kunstenaars uit de zogenoemde Mission School mee, zoals Margaret Kilgallen, Barry McGee, Chris Johanson en Clare Rojas. Mensen uit de skatecultuur, de hiphop, mensen die cross-overs maakten tussen kunstdisciplines.
‘David Lynch, met wie ik in Bonnefanten een tentoonstelling maakte, is ook zo’n dubbeltalent: filmmaker en beeldend kunstenaar. Net als Andy Summers, gitarist van The Police, met wie ik in het Bonnefanten een tentoonstelling maakte van zijn foto’s.
‘Ik heb me er altijd over verbaasd hoeveel moeite ‘de grote boze kunstwereld’ ermee heeft dat je iemand die vanwege het ene talent heel beroemd is, ruimte geeft om het andere werk te laten zien. Kreeg ik de vraag: waarom doe je dat toch, dan zei ik: omdat ik erin geloof.’
Het ooghoekprincipe bracht Huijts ook al vroeg in zijn carrière op plekken die in de dominante westerse kunstcanon nog te weinig werden gerepresenteerd. In de tijd dat de termen inclusie en diversiteit nog niet bij iedere museumdirecteur in de mond bestorven lagen, schreef hij met collega-directeuren Edwin Jacobs en Meta Knol in NRC het pamflet Naar een mondig museum, waarin ze het dominante, westerse etnocentrisme hekelden en waarschuwden voor een groeiende monocultuur in musea voor moderne en hedendaagse kunst. Het ideale museum, aldus de drie, zou juist vele interessante kunstgeschiedenissen vertellen.
In diezelfde tijd startte hij met Het Domein in Sittard het project Made in Mirrors: een kleinschalig uitwisselingsprogramma tussen kunstenaars uit Limburg en vergelijkbare, perifere regio’s in China, Brazilië en Egypte. Made in Mirrors betekende niet alleen een enorme blikverruiming voor de kunstenaars, zegt Huijts. ‘Voor mijn eigen wereldbeeld was het ook belangrijk.’
In welke zin?
‘Nou, los van alle activiteiten die we in dat kader hebben ontplooid, ben ik meer dan ooit gaan beseffen hoe goed we het hier hebben als kunstprofessionals, met al onze faciliteiten. Het waren vaak banale dingen waardoor dat besef groeide: een collega in Brazilië die, als er even snel iets moest worden overlegd, niet naar het buitenland mocht bellen omdat daar geen geld voor was.
‘Sindsdien roep ik te pas en te onpas: jongens, ik heb geen baan, ik heb een missie. Bedenk even wat een voorrecht het is dat je dit werk mag doen voor de gemeenschap, en dat je er nog voor betaald krijgt ook. Dat brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee: dat je je stinkende best moet doen om er alles uit te halen en een zo groot mogelijk publiek te bereiken.’
Het moet in een chauvinistische provincie als Limburg niet altijd even gemakkelijk zijn geweest om een zo divers tentoonstellingsprogramma te brengen.
‘Dat klopt. Ik heb dit jaar nog een repliek geschreven op een opiniestuk in De Limburger, waarin een oud-gedeputeerde zich afvroeg waarom het in het Bonnefantenmuseum, een provinciaal museum, allemaal zo buitenlands, zo internationaal moest.’
En wat was uw reactie?
‘Dat als we de ambitie hebben om in Limburg de Einstein Telescope te bouwen, een internationaal project dat wetenschappers van over de hele wereld aantrekt, we niet kunnen aankomen met André Rieu die alleen nog maar Limburgse liedjes speelt en een museum dat alleen Limburgse kunst laat zien. Want die hooggekwalificeerde professionals willen hier wel een beetje het gevoel hebben dat ze onderdeel zijn van de wereld.’
Heeft u in Limburg ook dingen kunnen doen die in de Randstad niet mogelijk waren geweest?
‘Het is misschien gemakkelijker om het verschil te maken in de periferie dan in het centrum, waar het culturele aanbod zoveel groter is. Tegelijkertijd is de urgentie om het verschil te maken ook groter geweest: als je wilt dat je ook in nationaal verband serieus wordt genomen, dan moet je niet dunnetjes overdoen wat in Amsterdam, Rotterdam of Utrecht al wordt gedaan.’
Lex ter Braak, onder meer voormalig directeur van de Jan van Eyck Academie in Maastricht, noemt het Bonnefanten een onafhankelijk kunstmuseum. In de catalogus schrijft hij: ‘Waar andere musea meer gingen programmeren op bezoekersaantallen, is het dit museum gelukt zijn eigen koers te blijven varen.’
‘Als ik een advies zou moeten geven aan een Raad van Toezicht van een museum over hoe je moet omgaan met een museumdirecteur, dan zeg ik: zorg dat er voldoende vrijheid is. Vrijheid om de koers te bepalen, om beslissingen te nemen zonder eindeloos met Jan en alleman te moeten overleggen. Er bestaat een beroemde uitspraak, ik weet even niet van wie: ‘Een kameel is een paard ontworpen door een commissie.’ Je moet zorgen voor individuen die hun gang kunnen gaan – al spreekt het natuurlijk voor zich dat dat gebeurt met een besef van hoe een museum, en een museumcollectie, zich in de tijd heeft ontwikkeld.’
Binnenkort wordt uw opvolger bekendgemaakt. Daar gaat u natuurlijk nog niks over zeggen.
‘Ik hoor dat de raad van toezicht graag het signalerende beleid dat ik heb ingezet, voortzet. En het team hoopt dat mijn opvolger niet saai is, dat het avontuurlijke blijft. Dat vond ik oprecht fijn om te horen, want het was onder mij wel aanpakken met z’n allen: tentoonstellingen, Free Fridays voor speciale doelgroepen en hun achterban, en zullen we niet ook een pop-up op Pinkpop doen, en eentje op Cultura Nova, in Heerlen? Never a dull moment.’
Of hij adviezen heeft voor zijn opvolger? Misschien één, uit het ‘lespakket’ van zijn leermeester Jan Hoet. ‘Oorspronkelijk zat die met zijn museum in onderhuur in het Museum voor Schone Kunsten in Gent. Toen hij ondanks herhaaldelijk aandringen geen eigen museum voor hedendaagse kunst kreeg, dreigde hij de gemeentepolitiek in te gaan en het zelf te regelen. Toen hebben ze hem alsnog het S.M.A.K. gegeven.’
Huijts lacht: ‘Die mentaliteit spreekt me wel aan. Je moet in dit beroep ook een beetje een straatvechter zijn.’
Met drie recente kunstaankopen, van Margaret Kilgallen, Betye Saar en Cao Fei, sluit Stijn Huijts zijn directeurschap van het Bonnefanten af. De laatste twee maakten de werken speciaal voor het museum: Saar voor de binnentoren in de entreehal, Cao Fei voor de koepelzaal. Welke laatste boodschap geeft hij ermee af? ‘Los van dat mijn samenwerking met alle drie teruggaat tot mijn begintijd: als directeur wil je de collectie met zo min mogelijk gaten achterlaten. En in het bijzonder Feis werk heeft een positieve speelsheid waarvan ik denk: we kunnen wel wat helende werking gebruiken met z’n allen.’
Cooking from the Fridge, 11/11 t/m 5/9 in museum Bonnefanten, Maastricht. De tentoonstelling is samengesteld door 27 gastcuratoren, onder wie schrijver en kunstenaar Maria Barnas, conservator Mees Knarren en Volkskrant-kunstredacteur Wieteke van Zeil.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant