Israëlische verkiezingen Het is nog de vraag hoeveel politieke invloed de Arabische partijen in Israël zullen krijgen. De meeste Joodse partijen willen voortzetting van oorlogsmisdaden. Dat noopt tot meer internationale druk op Israël, schrijft Erwin van Veen.
De Israelische premier Benjamin Netanyahu, rechts, en zijn grote rivaal, oppositiekandidaat Gadi Eisenkot, links.
Israël is hoofdzakelijk een democratie voor zijn Joodse staatsburgers. Hun twee miljoen Arabische landgenoten – ruim 20 procent van de bevolking – worden al decennialang politiek gemarginaliseerd en sociaaleconomisch verwaarloosd, blijkt ook uit studies van het Israëlische Instituut voor de Democratie en de ngo Adalah. Het kernprobleem is dat Israëlisch-Arabische stemmen zich consistent niet vertalen in regeringsmacht. In alle Israëlische kabinetten sinds 1948 is het aantal Israëlisch-Arabische ministers bijvoorbeeld op één hand te tellen.
Erwin van Veen is conflictanalist.
De Wet op de Joodse natiestaat van 2018 bestempelde Israëlische Arabieren zelfs als tweederangsburgers. Daarnaast hebben de ongeveer 5,5 miljoen Palestijnse onderdanen van Israël in Gaza, de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem geen enkele invloed op het landsbestuur hoewel ze dagelijks met talloze Israëlische restricties en geweld te maken hebben.
In deze context is het opmerkelijk dat Israëls vier Arabische partijen – Ta’al, Balad, Hadash (de Gezamenlijke Lijst) en Ra’am – in de verkiezingen van 27 oktober samen 19 van de 120 zetels in de Knesset wisten te behalen. Ze slaagden hierin vanwege een opkomst van zo’n 78 procent, ruwweg een kwart meer dan tijdens de verkiezingen van 2022. Onder meer recent publiek opinieonderzoek van de Israeli Voice Index toont dat deze kiezersmobilisatie voor een groot deel gebaseerd is op het besef van de Israëlisch-Arabische gemeenschap over wat nog vier jaren Benjamin Netanyahu voor hen zouden betekenen.
Deze uitkomst werd niet zonder slag of stoot behaald. Net zoals bij voorgaande verkiezingen probeerde de Centrale Verkiezingscommissie alle Israëlisch-Arabische politieke partijen te diskwalificeren. Die poging strandde net als eerdere pogingen bij het Hooggerechtshof, met uitzondering van het partijleiderschap van Sami Abu Shehadeh van Balad. Hij trad onder druk terug vanwege een artikel op 8 oktober 2023 waarin hij de aanval van Hamas als een gebeurtenis van historische betekenis beschreef. Het artikel roept niet op tot geweld, en moedigt dit evenmin aan – óók naar het oordeel van het Hooggerechtshof.
Een soortgelijk verzoek om diskwalificatie van Itamar Ben-Gvir van de Israëlisch-Joodse partij Otzmah Jehudit op basis van racisme werd door de Centrale Verkiezingscommissie verworpen, ondanks zijn vele uitspraken op X. Ook gooide Netanyahu zoals hij vaak doet de Israëlisch-Joodse oppositie, de Israëlisch-Arabische partijen en een Palestijnse staat op één hoop door te dreigen dat die staat er komt als de oppositie aan de macht geraakt. In september werd zijn campagneslogan zelfs: ‘Het is rechts of Palestina’.
De kernvraag is nu hoeveel politieke invloed de Israëlisch-Arabische stemmen en zetels gaan opleveren. De oppositie rond oud-generaal Gadi Eisenkot verwierf 49 zetels van de 120. Doordat het voor Eisenkot niet mogelijk is om Netanyahu aan de kant te zetten zonder samen te werken met één of meerdere Arabische partijen, is deze vraag niet slechts theoretisch relevant. Zulke samenwerking was – en blijft – echter een taboe onder Joodse politici. Eisenkot sloot zulke samenwerking vlak voor de verkiezingen nog categorisch uit in een interview met The Jerusalem Post.
Maar Eisenkot staat nu voor een moeilijke keuze. Ofwel hij werkt alsnog samen met de Arabische partijen om Netanyahu ten val te brengen en koppelt daarmee ook politieke invloed aan de stemuitslagen, of hij doet dit niet en versterkt de marginalisering van een grote groep Israëliërs. Het is hierbij van belang te weten dat de meeste Israëlisch-Arabische partijen pleiten voor meer veiligheid in hun gemeenschappen, beter onderwijs, betere economische vooruitzichten en een gelijkwaardige behandeling als burgers. Gangbare zaken in een democratie.
In de Israëlische politieke context betekent een weigering om samen te werken met de Arabische partijen een keuze voor Israël als ‘democratie’ waarin de macht stevig bij haar Joodse inwoners en hun politieke leiders blijft liggen. Als compromissen over genoemde zaken een brug te ver zijn, wat kan de Israëlisch-Arabische gemeenschap dan nog van de staat verwachten? En waarom hoopt de internationale gemeenschap dat Israël zijn bezettings- en annexatiebeleid zal omgooien als het binnenlands geen inclusieve politiek kan bedrijven als het erop aankomt?
Mocht Eisenkot tóch besluiten geschiedenis te schrijven en zulke samenwerking wel aan te gaan, dan is dit op de korte termijn niet automatisch goed nieuws voor de Palestijnse inwoners van Gaza, de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem. Een ander opmerkelijk gegeven aan de verkiezingen was immers dat praktisch alle Israëlisch-Joodse politieke partijen – met uitzondering van The Democrats – tijdens de verkiezingscampagne direct of indirect duidelijk maakten de bezetting van de Palestijnse gebieden in stand te willen houden. Dat komt neer op voortzetting van gedwongen ontheemding, collectieve bestraffing en ander geweld tegen burgers: oorlogsmisdaden.
Eisenkot zelf is één van de bedenkers van de Dahiya-doctrine van de Israëlische strijdkrachten, die als doel heeft zoveel civiele schade aan te richten als nodig is om de wil van de tegenstander te breken. Hij maakte ook deel uit van de eerste negen maanden van het oorlogskabinet van Netanyahu dat verantwoordelijk is voor een groot deel van de slachtingen in Gaza. Hij is dus een typische hoge Israëlische militair die, geheel in lijn met veel van zijn voorgangers, het militaire uniform wil inruilen voor het premierskostuum. Het ligt dan ook niet in de lijn der verwachting dat hij een wezenlijk andere koers richting de Palestijnen zal volgen.
De overgrote weerstand van Israëlisch-Joodse partijen tegen een Palestijnse staat, inclusief Eisenkot, maakt dat het bredere vraagstuk rondom het verhogen van internationale druk op Israël prominent op de agenda zal moeten blijven staan. Erkenning van de staat Palestina door achterblijvers als Nederland of een importverbod op goederen uit Israëlische nederzettingen volstaat niet meer in het licht van het gezaghebbende advies van het Internationale Gerechtshof van juli 2024, de verwoesting van Gaza, de bouwplannen voor het E1 nederzettingengebied en het dagelijkse straffeloze geweld van Joodse kolonisten op de Westelijke Jordaanoever.
Op de langere termijn biedt een coalitie tussen Arabische en Joodse partijen wel een sprankje hoop voor het opheffen van de Israëlische bezetting van de Palestijnse gebieden. Per slot van rekening laat de literatuur over vredesopbouw zien dat veelvuldige samenwerking – zoals in een coalitie – kan zorgen voor positieve veranderingen in percepties van, relaties met, en het vertrouwen in de ander. Er zal veel water door de Jordaan moeten vloeien voordat zulke ideeën überhaupt kunnen postvatten, maar doorgaan op de huidige weg is evenmin een goed idee.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie