Genetica Grootscheepse dna-analyses leveren onverwachte bevindingen op over het ontstaan van Germaanse en Keltische talen. „Er is een heel nieuwe dimensie geopend.”
De oudste steen waarin Germaanse runentekens zijn gekerfd, uit de Noorse plaats Hole.
De Germaanse taalgroep, waartoe onder meer Duits, Engels en Nederlands behoren, is ontstaan in Scandinavië, maar niet op het moment dat de meeste taalkundigen tot nu toe dachten. Dat blijkt uit een groot genetisch onderzoek naar prehistorische bevolkingsbewegingen in Europa en hun verband met wat archeologisch en taalkundig bekend is over talen in de prehistorie.
De eerste sprekers van het Indo-Europese dialect waaruit de Germaanse talen zouden ontstaan, behoorden niet tot de eerste golf zogeheten Yamnaya-immigranten die ca. 2800 v.Chr. uit Oekraïne arriveerden. De meest waarschijnlijke eerste sprekers van het ‘Paleogermaans’ blijken een tot nu toe volstrekt onbekende bevolkingsgroep te zijn die later, rond 2000 v.Chr., in Scandinavië aankwam. Ook deze mensen, nu ‘Oost-Scandinaviërs’ gedoopt, hebben een genetische ‘steppe/Yamnaya/touwbeker-signatuur’ maar vormen toch duidelijk een andere groep dan die eerste golf van ‘touwbeker-immigranten’ in Scandinavië (de ‘Zuidelijke’ en ‘Vroege Scandinaviërs’).
Deze en andere onverwachte bevindingen over het ontstaan van de Germaanse en ook Keltische talen worden beschreven in twee grootscheepse dna-analyses van in totaal ruim 4.500 mensen die in Europa leefden tussen 3000 v.Chr. en 1200 n.Chr. Deze artikelen over Germaans en Keltisch zijn woensdag gepubliceerd in Nature door grote internationale onderzoeksteams onder leiding van de genetici Hugh McColl en Eske Willerslev (beide Universiteit van Kopenhagen) en de Nederlandse taalkundige Guus Kroonen (Universiteiten van Leiden en Kopenhagen). Het gaat in dat onderzoek om patronen in ruim 600.000 puntmutaties verspreid over het menselijk genoom waaruit afkomst en verwantschap kunnen worden afgeleid, niet om variaties in genetisch bepaalde eigenschappen.
„Het is echt bijzonder om in zo’n genetisch onderzoek iets te vinden dat nog nooit door een archeoloog of iemand anders is beweerd”, zegt een opgetogen Guus Kroonen telefonisch vanuit Leiden. „Altijd is gedacht dat de voorloper van de Germaanse talen met de eerste golf steppe-immigranten naar Europa is gekomen. De strijdbijlcultuur werd dat genoemd. Nu blijkt er ineens een tweede migratie te zijn waaraan het Germaans verbonden kan worden. Heel verbijsterend. En mooi om te zien hoe weinig we dus eigenlijk weten. Dit is een mooi voorbeeld van de genetische revolutie in de archeologie en taalkunde. Er is een heel nieuwe dimensie geopend.”
Kroonen noemt nog meer verrassingen. Bijvoorbeeld dat het Keltisch toch wel vrij zeker is ontstaan in Centraal-Europa. Dat blijkt uit een gedetailleerde vergelijking van de bevolkingsbewegingen in Europa tussen 2000 en 800 v.Chr. met de bestaande kennis over de verspreiding van Keltische talen. Daaruit blijkt dat een verspreiding met de mensen van de Urnenveldcultuur vanuit Tsjechië vanaf ca. 1200 v.Chr. de meest waarschijnlijke oorsprong is van daarna snelle verspreiding van de Keltische talen over Europa. Kroonen: „Uit die Urnenveldcultuur zelf is weinig dna teruggevonden, precies omdat zij hun doden verbrandden en de as in urnen deden. Maar gelukkig voor ons deed de Knovíz-cultuur in Tsjechië, die er wel onderdeel van was, juist niet aan crematie. Uit hun dna-patronen kon heel veel afkomst en latere verspreiding worden afgeleid.”
Met als gevolg eerherstel voor de oude ‘Celtic from the East’-hypothese. Met alle nieuwe informatie is die toch waarschijnlijker dan de concurrerende ‘Celtic from the Centre’-hypothese (met een ontstaan in Frankrijk), de ‘Celtic from the West’-gedachte (vanuit Noordwest-Spanje) of de veel radicalere Klokbekertheorie (dat het Keltisch al ontstond vanaf 2700 v.Chr., samen met de verspreiding van de Klokbekercultuur). Kroonen: „Ik ben zelf nu wel echt overtuigd van de oostelijke oorsprong.”
De herkomst van het Germaans kon in vrij groot detail worden onderzocht. Uit de genetische analyses blijkt bijvoorbeeld dat de (nu nieuw ontdekte) groep van de ‘Oostelijke Scandinaviërs’ zich na hun ‘late’ aankomst verspreidden over heel Scandinavië. Een belangrijk argument dat het hier gaat om de eerste sprekers van het ‘Germaanse dialect van het Indo-Europees’ is dat de chronologie van deze verspreiding aansluit bij de taalkundige dateringen van de oudste aanwijzingen voor het bestaan van ‘Paleo-Germaans’.
Daarbij gaat het om oeroude Germaanse leenwoorden in de Fins-Oegrische talen, die rond 1000 v.Chr. moeten zijn overgenomen (toen de Oost-Scandinaviërs nog in dat Oost-Baltische gebied zaten). En het gaat om Keltische leenwoorden in het oude Germaans die tenminste vanaf de eerste eeuwen na 1000 v.Chr. moeten zijn ontleend (toen de Oost-Scandinaviërs inmiddels in Zuid-Zweden en de Deense eilanden waren en contact kregen met Keltisch sprekenden op het Europese vasteland). Tot de oeroude Keltische leenwoorden in het Germaans (die dus niet kunnen worden herleid tot de gezamenlijke Indo-Europese oorsprong) behoren onder meer het woord voor het dier de das en woorden als leer en rijk (zoals in koninkrijk). En in het Fins is bijvoorbeeld het woord voor zoeken al vroeg ontleend aan het eerste Germaans.
Die verspreiding van die Oost-Scandinaviërs en vermenging met de andere groepen in heel Scandinavië gaat ook samen met een nieuw grafritueel, gebruik van brons, en een nieuw huistype. Die veranderingen aan het begin van wat de ‘Noordelijke Bronstijd’ heet (vanaf circa 1500 voor Chr.), zijn tot nu altijd gezien als ‘autochtone’ culturele veranderingen zonder invloed van immigratie. De onderzoekers benadrukken overigens wel dat er ook altijd weer nieuwe verrassingen kunnen opduiken, zoals ook zij nu verrassende vondsten deden, en „de menselijke geschiedenis houdt zich ook nu eenmaal niet altijd aan het meest aannemelijke traject en taalveranderingen hangen zeker niet altijd samen met genetische verschuivingen”.
Andere bijzondere conclusies zijn dat de huidige Scandinavische talen juist weer niet zijn ontstaan in Scandinavië maar in Noord-Duitsland en Jutland. Want na immigraties van vermoedelijk Paleo-Germaanssprekenden uit Scandinavië ontstond dáár rond het begin van de jaartelling het Proto-Noordwest-Germaans, de directe voorloper van alle nog levende Germaanse talen. Vanuit dat gebied verspreidde het Germaans zich in de laat-Romeinse tijd westwaarts, met de Angelen en Saksen die zich in Engeland vestigden, en ook de vroegmiddeleeuwse Friezen. En dus ook noordwaarts, met een tot nu onbekende migratie door sprekers van een vroege vorm van het Oudnoords. Na ongeveer 700 n.Chr. – het begin van de Vikingtijd, als ook overal in Scandinavië Oudnoords wordt gesproken – blijkt bijvoorbeeld een groot deel van de bevolking op de Deense eilanden en in Zuid-Zweden afkomstig te zijn uit die migratie uit Noord-Duitsland en Jutland. Dat zou dan ook kunnen verklaren waarom de middeleeuwse sprekers van het Oudnoords hun taal ook wel dǫnsk tunga noemden, de Deense taal. „Ook weer zo’n belangrijke bevolkingsbeweging die nog nooit iemand vermoed had”, zegt Kroonen.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie